Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5372

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
8525237 RL EXPL 20-8964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindloonregeling militairen ABP periode 2004-2018. Hoe komt de vaststelling van de in die periode op het salaris van de militairen ingehouden premie tot stand; heeft Defensie steeds de juiste bedragen ingehouden op de juiste gronden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

nv+hvb/dd

Rolnr.: 8525237 RL EXPL 20-8964

26 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5, [eiser 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser 7] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

gemachtigde: prof. mr. drs. M. Heemskerk,

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

gemachtigden: mr. R. van Arkel en mr. P.J. Mauser.

Partijen worden hierna “eisers” en “Defensie” genoemd.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 8 mei 2020, met producties 1 tot en met 22;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 77.

1.2.

Op 29 oktober 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen eiser sub 1 en eiser sub 7, bijgestaan door mr. Heemskerk voornoemd, en namens Defensie de heer [betrokkene 1] de heer [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3] , bijgestaan door mr. Van Arkel en mr. Mauser voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich in het griffiedossier bevindt, evenals de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.

1.3.

Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor re- en dupliek. Eisers hebben een conclusie van repliek, tevens houdende eiswijziging ingediend. Daarop heeft Defensie een conclusie van dupliek tevens akte uitlaten vermeerdering van eis ingediend met producties 78 tot en met 86.

1.4.

Op 16 april 2021 hebben pleidooien plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen de onder 1.2. genoemde personen. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich eveneens in het griffiedossier bevindt. De van de zijde van beide partijen overgelegde pleitnota’s evenals de door eiser sub 1 overgelegde spreekaantekeningen zijn aan dit proces-verbaal gehecht.

1.5.

De uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Eisers zijn allen als militair in dienst (geweest) van Defensie. In juni 2001 zijn de militairen wat betreft de opbouw van hun ouderdomspensioen toegetreden tot het ABP. Vanaf dat tijdstip nemen eisers verplicht deel aan de pensioenregeling van het ABP.

2.2.

In artikel 4, derde lid van de Wet privatisering ABP is bepaald dat de meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (hierna ook: de ROP), bevoegd zijn tot het wijzigen of vervangen van de pensioenovereenkomst ABP. In het vijfde lid van voornoemd artikel is vervolgens vastgelegd dat overheidswerkgevers en overheidswerknemers gebonden zijn aan de pensioenovereenkomst ABP en dat zij verplicht zijn tot naleving van hetgeen ten aanzien van hen (‘te hunnen aanzien) is bepaald in de statuten en reglementen van het pensioenfonds.

In artikel 2, eerste lid Kaderwet militaire pensioenen is bepaald dat de aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de daarmee samenhangende verplichtingen van de beroepsmilitair worden neergelegd in de overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet privatisering ABP. Dit is de pensioenovereenkomst ABP, als bedoeld in de Wet privatisering ABP.

Uit artikel 6 van de Wet privatisering ABP volgt dat de Pensioenwet op deze overeenkomst van toepassing is.

De pensioenaanspraken van militairen worden vastgelegd in het pensioenreglement van het ABP (artikel 2 lid 3 Kaderwet militaire pensioenen).

2.3.

Binnen de Pensioenkamer van de ROP is een akkoord bereikt waarin per 1 januari 2004 voor de ambtenaren/werknemers bij de sector overheid en onderwijs in plaats van een eindloonregeling een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling ging gelden.

Dit gold niet voor militairen. Voor hen werd een tijdelijke uitzondering gemaakt die -kort gezegd- kostenneutraal diende te zijn ten opzichte van de overige overheidssectoren.

2.4.

In de op 1 januari 2004 vigerende pensioenovereenkomst ABP (hierna ook: de pensioenovereenkomst) was onder artikel 3 eerste en tweede lid het volgende opgenomen:

“(…) Artikel 3

1. De overheidswerkgever (…) verhaalt 25 procent van de door hem aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenpremies op de bij hem in dienst zijnde overheidswerknemer door middel van een inhouding op zijn salaris. (…)

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werkgever of de

instantie die een ontslaguitkering uitbetaalt aan een gewezen overheidswerknemer.

(…)”

2.5.

Lid 11 van voormeld artikel van de pensioenovereenkomst ABP luidde in 2004 respectievelijk 2005 als volgt:

“11. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en het tweede lid, wordt de door de Sector Defensie over het jaar 2004 voor het militaire personeel verschuldigde opslag op de premie in verband met het uiterlijk tot 1 januari 2005 handhaven van de eindloonregeling en de verschuldigde premie in verband met het uiterlijk tot 1 januari 2005 handhaven van de 25%-knip volledig verhaald op het militaire personeel”

en

“11. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en het tweede lid, wordt de door de Sector Defensie over het jaar 2004 en over het jaar 2005 voor het militaire personeel verschuldigde opslag op de premie in verband met het uiterlijk tot 1 januari 2006 handhaven van de eindloonregeling en de verschuldigde premie in verband met het uiterlijk tot 1 januari 2006 handhaven van de 25%-knip volledig verhaald op het militaire personeel”

2.6.

In de per 1 januari 2006 geldende pensioenovereenkomst ABP is onder artikel 3.1. eerste lid wat betreft de door de militairen te betalen pensioenpremie het volgende opgenomen:

“In het kader van de Pensioenregeling Militairen (…) verhaalt de Minister van Defensie een in het sectoroverleg Defensie overeengekomen en in overeenstemming met de Pensioenkamer vastgestelde bijdrage in de door hem aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde premies op de beroepsmilitairen die een ontslaguitkering ontvangen, behoudens in de gevallen (…) De in de vorige zin bedoelde bijdrage is vastgesteld op 30 procent van de aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde premies.”

2.7.

Vanaf 2013 is in artikel 5 van de pensioenovereenkomst ABP het volgende

opgenomen wat betreft het premieverhaal op militairen:

“1. De Minister van Defensie verhaalt een in het sectoroverleg Defensie overeengekomen en in overeenstemming met de Pensioenkamer vastgesteld deel van de aan het pensioenfonds verschuldigde premies op de beroepsmilitair door middel van een inhouding op het salaris.

2. Het premieverhaal bedraagt:

a. 30 procent van de verschuldigde premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen; (…)

3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, bedraagt de jaarlijkse mutatie van het werkgeversaandeel in de verschuldigde premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen van militairen nooit meer dan de relatieve – i.c. procentuele – stijging van de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 4. Indien sprake is van een grotere stijging wordt het meerdere volledig verhaald op de beroepsmilitairen via een opslag op de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen.

(…)”

2.7.

In 2014 is aan lid 3 van artikel 5 van de pensioenovereenkomst ABP het volgende toegevoegd:

“De opslag kan in enig jaar worden verlaagd als gevolg van een kleinere stijging of een grotere daling ten opzichte van de ontwikkeling van de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 4. Het werkgeversaandeel in de verschuldigde premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen bedraagt echter nooit meer dan 70%.”

2.8.

Met ingang van 1 januari 2006 is in hoofdstuk 17 van het pensioenreglement ABP, in artikel 17.4.8 het volgende bepaald:

“De Minister van Defensie kan een deel van de verschuldigde premies op de deelnemer verhalen.”

2.9.

In de jaren 2004 en 2005 is de premieverdeling tussen Defensie en de militairen

75% voor rekening van Defensie en 25% voor rekening van de militairen geweest.

Daarenboven heeft Defensie in 2004 een opslag van 1,6% en in 2005 een opslag van 1,8%

berekend.

2.10.

In de jaren 2006 tot en met 2018 is de premieverdeling tussen Defensie en de

militairen steeds 70% voor Defensie en 30% voor de militairen geweest.

Daarenboven heeft Defensie in 2010 een opslag van 0,57%, in 2012 een opslag van

0,79%, in 2013 een opslag van 0,48%, in 2014 een opslag 0,48%, in 2017 een opslag 2,58%

en in 2018 een opslag van 2,48% berekend.

2.11

De ingehouden premiebedragen heeft Defensie steeds afgedragen aan het ABP.

2.12.

Per 1 januari 2019 geldt ook voor militairen een voorwaardelijk geïndexeerde

middelloonregeling.

3 Vordering

3.1.

Eisers vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Defensie onrechtmatig heeft gehandeld jegens

eisers;

2. voor recht te verklaren dat Defensie zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste

van de militairen;

3. voor recht te verklaren dat Defensie schadeplichtig is jegens eisers;

4. voor recht te verklaren dat Defensie ten onrechte teveel pensioenpremies heeft

ingehouden op het salaris van eisers;

primair

5. Defensie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan eisers zoals

becijferd door actuarieel kantoor Sprenkels en Verschuren van € 135.725,-, althans € 55.232,-, althans € 18.482,-, althans tot het bedrag dat de kantonrechter in goede justitie vaststelt, althans nader op te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van algehele voldoening; dit op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag na 14 dagen na betekening van dit vonnis;

subsidiair

6. Defensie te veroordelen om aan eisers de sinds 2004 teveel ingehouden

werknemersbijdragen terug te betalen, zoals bevestigd door actuarieel kantoor Sprenkels en Verschuren van € 55.231,- althans € 18.482,-, althans tot het bedrag dat de kantonrechter in goede justitie vaststelt, althans nader op te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van algehele voldoening; dit op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag na 14 dagen na betekening van dit vonnis;

in alle gevallen

7. Defensie te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte

van € 6.284,44; dit op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag na 14 dagen na betekening van dit vonnis;

8. Defensie te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te

vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf 7 dagen na datum vonniswijzing tot de dag van algehele voldoening.

3.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen, kort samengevat, het navolgende ten grondslag.

In 2004 zijn alle deelnemers aan de ABP-pensioenregeling, met uitzondering van de militairen, overgestapt van een eindloonregeling naar een middelloonregeling. Voor militairen bleef tot 2019 de eindloonregeling gehandhaafd. Gelet hierop is in 2004 tussen Defensie en de vakcentrales in het Sectoroverleg Defensie (hierna: het SOD) een koppelafspraak gemaakt. Op basis van deze koppelafspraak zou de werknemerspremie voor militairen worden verhoogd met afzonderlijke premieopslagen, wanneer handhaving van de eindloonregeling zou leiden tot meerkosten voor de Defensie. Als gevolg van de handhaving van de eindloonregeling voor militairen mochten immers geen meerkosten ontstaan voor andere overheidssectoren. Om te beoordelen of sprake is van meerkosten moeten de werkelijke eindloonkosten voor de militairen worden vergeleken met de middelloonkosten, bij de berekening waarvan moet worden uitgegaan dat de militairen deelnemen aan dezelfde middelloonregeling als die voor burgerpersoneel geldt. Dat de premieopslag is gekoppeld aan meerkosten blijkt zowel uit de tekst van de koppelafspraak uit 2004 als uit de objectief kenbare bedoeling, die volgt uit de verslagen van het SOD waarin telkenjare overleg is gepleegd over de vaststelling van de door Defensie in te houden premie in verband met de door Defensie af te dragen bedragen aan ABP vanwege de door ABP aan de militairen uit te keren ouderdomspensioenen op basis van de voor militairen geldende eindloonregeling.

Gebleken is, aldus eisers, dat er geheel geen meerkosten waren, behoudens het jaar 2014. Dat volgt uit het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde rapport van [X] . Defensie wist ook dat er geen meerkosten waren, althans had dit moeten weten. Defensie heeft nagelaten de vakcentrales te informeren over de omstandigheid dat er geen meerkosten waren. De vakcentrales verkeerden dus ten onrechte in de veronderstelling dat telkens een premieopslag werd toegepast wegens hogere kosten van de eindloonregeling. Wanneer de vakcentrales dit wel hadden geweten dan waren de regelingen in het SOD nimmer tot stand gekomen op de wijze als zij daar zijn overeengekomen.

Defensie heeft wanprestatie gepleegd en/of onrechtmatig gehandeld, door ondanks de wetenschap dat er geen meerkosten waren toch premieopslagen te incasseren bij de militairen, onder wie eisers. Door deze wanprestatie en/of dit onrechtmatig handelen hebben eisers schade geleden. Deze schade bestaat uit de afzonderlijke premieopslagen die Defensie ten onrechte heeft ingehouden en de structurele premieopslag van 5% (de stijging van 25 naar 30%) die vanaf 2006 is ingehouden op het loon van eisers. Tot slot is Defensie schadeplichtig omdat – ondanks de lagere pensioenlasten voor militairen in de eindloonregeling – geen premieafslag is toegepast.

3.3.

Voorts leggen eisers aan hun vordering te grondslag dat Defensie zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van de militairen door premieopslagen in te houden voor niet bestaande meerkosten. Daartegenover zijn de militairen verarmd door het niet toepassen van premieafslagen wegens minderkosten. Deze verrijking van Defensie en verarming van de militairen is een direct gevolg van het ten onrechte inhouden van te hoge premiebedragen en het niet juist voorlichten van de vakcentrales.

Eveneens is sprake van onverschuldigde betaling, doordat de militairen ten onrechte te hoge premieopslagen hebben betaald aan Defensie. Deze premieopslagen zijn dus zonder rechtsgrond betaald. Eisers vorderen dan ook veroordeling van Defensie tot vergoeding van -kort gezegd- de premieopslagen.

Eisers hebben hun schade becijferd op € 135.725,- en hierbij onderscheid gemaakt tussen verschillende schadeposten, namelijk i) afzonderlijke premieopslagen ii) structurele premieopslagen en iii) premieafslagen. Voor de onderbouwing van hun schade verwijzen eisers naar het rapport van [X] . Voor zover de kantonrechter zou menen dat de schade onvoldoende is onderbouwd, vorderen eisers de geleden schade te begroten, althans nader op te laten maken bij staat, aangezien de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt.

Tot slot vorderen eisers vergoeding van de door hun gemaakte kosten voor het rapport van [X] , ten bedrage van € 6.284,44.

4 Verweer

4.1.

Defensie heeft de vorderingen van eisers gemotiveerd betwist en concludeert tot afwijzing, met veroordeling van eisers in de proceskosten en nakosten.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn verweer voert Defensie, kort samengevat, het navolgende aan.

In 2003 hebben de sociale partners in de Pensioenkamer van de ROP voor alle deelnemers aan de ABP-pensioenregeling afspraken gemaakt over een overgang van een eind- naar een middelloonregeling per 1 januari 2004. Op verzoek van de centrales is destijds in die afspraken een uitzonderingspositie opgenomen voor militair personeel. Het was uitdrukkelijk de bedoeling dat deze uitzonderingspositie een tijdelijk karakter zou hebben. Uiteindelijk is over de periode 2004-2018 voor militairen de eindloonregeling gehandhaafd. Hierbij geldt de periode 2004-2005 als een overgangsfase waarin de eindloonregeling tijdelijk werd voortgezet, waarbij door sociale partners was afgesproken dat vanwege die voortzetting een premieopslag gold, die op de militairen zou worden verhaald. De periode 2006-2018 kan worden aangemerkt als de periode waarin de koppelafspraak van 2006 gold. In deze jaren is de eindloonregeling voor militairen gehandhaafd op basis van een eigenstandige militairenpensioenregeling binnen ABP. Daarbij was met sociale partners in het SOD een premieverdeling van 70/30 afgesproken. Daarbovenop kon een opslag komen in het geval de jaarlijkse mutatie van het werkgeversaandeel meer zou bedragen dan de eventuele relatieve – i.c. procentuele – stijging van de (gemiddelde) ABP-brede OP/NP-premie voor het burgerpersoneel.

Afspraken over de premieverdeling zijn neergelegd in de pensioenovereenkomst ABP. Uit de Kaderwet, de Wet privatisering ABP en de pensioenovereenkomst vloeit voort dat het SOD, althans de minister van Defensie en de meerderheid van de centrales die hierin vertegenwoordigd zijn, de inhoud van de pensioenovereenkomst ABP bepaalt en kan wijzigen. Eisers zijn wat betreft hun individuele pensioenaanspraken en verplichtingen gebonden aan de inhoud van de toepasselijke pensioenovereenkomst ABP en het pensioenreglement ABP.

Uit de toepasselijke wetgeving, de pensioenovereenkomst ABP en het pensioenreglement ABP zoals deze golden over de periode 2004-2018 volgt dat Defensie telkens gerechtigd was de door eisers ter discussie gestelde pensioenbijdragen op hun salaris in te houden. Immers deze zijn jaarlijks afgesproken met de centrales in het SOD. Het is aan Defensie en de centrales om in het SOD een (in hun ogen) passend evenwicht te vinden in het totaalpakket van arbeidsvoorwaarden. De centrales hebben zich ook nooit op het standpunt gesteld dat Defensie de pensioenovereenkomst ABP op enig moment verkeerd heeft uitgevoerd.

Defensie betwist dan ook dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en/of onverschuldigde betaling. Ook zijn de rechtsgevolgen van de in het SOD gemaakte afspraken ten opzichte van de militairen, onder wie eisers, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Verder voert Defensie aan dat een deel van de vorderingen is verjaard en betwist hij de (hoogte van de) schade en verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

5 Beoordeling

5.1.

Tussen partijen is kort gezegd in geschil het antwoord op de vraag of Defensie over de periode 2004-2018 op het inkomen van eisers wel de juiste pensioenpremies heeft ingehouden.

5.2.

Bij de beoordeling van dit geschil dient te worden vastgesteld op welke wijze de berekening van de op het inkomen van eisers, (ex)militairen, ingehouden pensioenpremie over de periode van 2004-2018 tot stand is gekomen.

5.3.

Uit de vaststaande feiten volgt in grote lijnen dat vanaf 2004 tot en met 2018 het ABP ieder jaar met de overheidswerkgevers in de verschillende sectoren, waaronder de sector Defensie, in de Pensioenkamer de bedragen vaststelt die nodig zijn om de pensioenuitkeringen per sector te financieren. Vervolgens is het aan het SOD om te bepalen hoe die bedragen worden opgebracht in de sector Defensie. In het SOD wordt een scheiding gemaakt tussen het burgerpersoneel in dienst bij Defensie, voor wie sedert 2004 net als voor alle andere deelnemers van het ABP de middelloonregeling geldt en de militairen, voor wie in die periode een eindloonregeling is blijven gelden. Vervolgens wordt bepaald welk bedrag de militairen dienen op te brengen ten behoeve van hun pensioenregeling overeenkomstig de afgesproken regelingen en worden die bedragen “vertaald” naar de op het loon van de militairen in te houden premie percentages. De wijze van berekening staat partijen die deelnemen in het SOD, te weten Defensie en de centrales, niet volledig vrij. Zij dienen zich bij het maken van die afspraken te houden aan de hiervoor onder 2 weergegeven wet- en regelgeving.

5.4.

Dit een en ander brengt mee dat voor ieder jaar van 2004 tot en met 2018 afzonderlijk moet worden beoordeeld of Defensie een toereikende grondslag had voor het op de voet van de Pensioenwet inhouden van de door Defensie gehanteerde premies op de salarissen van de militairen, onder wie eisers. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen de verdeling in de jaren 2004 en 2005 (25% werknemersbijdrage), de jaren vanaf 2006 (30% werknemersbijdrage), de afzonderlijke premieopslagen in de jaren 2004, 2005, 2010, 2012 tot en met 2014, 2017 en 2018 (overeenkomstig hetgeen is vermeld onder 2.9 en 2.10) en het al dan niet doorvoeren van premieafslagen.

5.5.

Eisers stellen dat vanaf 2004 in het SOD de centrales ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat de kosten voor de eindloonregeling van de militairen hoger waren dan de kosten voor de middelloonregeling voor het burgerpersoneel en dat Defensie de centrales telkenjare in die veronderstelling heeft gelaten.

Defensie betoogt dat dit een onjuist uitgangspunt is en dat eisers van een verkeerde vergelijking uitgaan. Het rapport van [X] is op die verkeerde vergelijkingen gebaseerd en dit rapport moet om die reden terzijde worden gelegd.

Eisers baseren zich op een uitlating van de hoofddirecteur personeel van Defensie van 1 november 2004: “Handhaving van het eindloonstelsel binnen het ABP (scenario 4) leidt tot minimalisatie van de premie-uitgaven. Zo zal op termijn sprake zijn van een besparing die veroorzaakt wordt door het -ten opzichte van de ABP populatie- gemiddeld jonge militaire deelnemersbestand. Mede als gevolg hiervan bedraagt de kostendekkende premie, volgens de berekeningen van PricewaterhouseCoopers (PwC) 20,1% en is daarmee lager dan de doorsneepremie van ABP voor het middelloonstelsel die door toevoeging van variabele inkomensbestanddelen zal stijgen naar ten minste 22,5%.”

Het hiervoor genoemde scenario 4 is inderdaad in 2004 en 2005 besproken in de Pensioenkamer en het SOD, maar stuitte in ongewijzigde vorm op het bezwaar dat niet op voorhand werd voldaan aan de door de Pensioenkamer van het ROP gestelde voorwaarde van kostenneutraliteit voor de andere sectoren, omdat in dat scenario niet werd deelgenomen aan de solidariteit binnen de ABP-brede regeling.

Niet weersproken is dat uiteindelijk in overleg met het ABP in de Pensioenkamer een eigenstandige sectorale regeling tot stand is gekomen. Daarbij was van de zijde van het ABP aangegeven dat continuering van de in 2004 en 2005 gehanteerde opslag (verdeling werkgeversdeel van 75% en werknemersdeel van 25% met daarnaast een opslag van 1,6% over 2004 en van 1,8% van 2005) niet langer mogelijk was.

Daarover is binnen het SOD nader overleg gevoerd, hetgeen heeft geleid tot een verdeling van 70% werkgeversdeel en een 30% werknemersdeel van de in te houden premies bij de militairen met ingang van 2006, welke verdeling vanaf 2006 ook is verwoord in de pensioenovereenkomst ABP.

Uit het voorgaande volgt dat Defensie over de jaren 2004 en 2005 een toereikende grondslag had om op de salarissen van de militairen en dus ook van eisers een premie in te houden, berekend conform de procentuele verdeling 75/25.

Ook volgt hieruit dat over de jaren 2006 tot en met 2018 Defensie een toereikende grondslag had om een procentuele premieverdeling van 70/30 te hanteren en op die basis pensioenpremies in te houden op de salarissen van de militairen, onder wie eisers. Anders dan eisers stellen, betreft de verhoging van 25 naar 30% dus geen jaarlijks vastgestelde opslag, maar een structurele wijziging van de verdeling van premiepercentages. De tekst van de pensioenovereenkomst ABP met ingang van 2006 is wat betreft deze wijziging duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar wat betreft de procentuele verdeling 70/30.

Afzonderlijke premieopslagen

2004 en 2005

5.6.

In 2004 en 2005 zijn afzonderlijke premieopslagen gehanteerd van 1,60% respectievelijk 1,80%. Kort gezegd stellen eisers dat uit de pensioenovereenkomst ABP blijkt dat een opslag enkel is verschuldigd in verband met meerkosten van handhaving van de eindloonregeling. Eisers hebben echter voldoende aannemelijk gemaakt dat deze meerkosten er niet waren. Defensie heeft over deze jaren dan ook ten onrechte premieopslagen ingehouden.

Defensie heeft aangevoerd dat de in 2004 en 2005 ingehouden premieopslagen een toereikende grondslag hebben op grond van de tekst van artikel 3 lid 11 van de pensioenovereenkomst ABP (zie onder 2.5.). Dit laatste is juist.

5.7.

Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht volgt dat veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden tussen sociale partners over de pensioenpositie van militairen na overgang van de deelnemers van het ABP op de middelloonregeling per 1 januari 2004, met uitzondering van de militairen (voor wie de eindloonregeling bleef gelden). Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in de eigenstandige pensioenregeling voor militairen binnen het ABP vanaf 2006. Voor de jaren 2004 en 2005 is besloten de reeds geldende eindloonregeling voort te zetten. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 3 lid 11 van de Pensioenovereenkomst ABP, waarin staat dat Defensie de ‘verschuldigde opslag op de premie in verband met het uiterlijk tot 1 januari 2006 handhaven van de eindloonregeling (…) volledig verhaald op het militaire personeel’. Uit de tekst van deze bepaling blijkt duidelijk en zonder dat daarvoor nadere uitleg nodig is, dat tot 1 januari 2006 een opslag kon worden verhaald op de militairen.

Defensie heeft onweersproken aangevoerd dat de hoogte van deze opslag gezamenlijk is vastgesteld met de sociale partners. Eisers hebben weliswaar bij repliek gesteld dat in de Pensioenovereenkomst ABP 2004 en 2005 nergens staat dat zij gebonden zijn aan de uitkomsten van een overleg tussen Defensie en de sociale partners (het SOD) maar zoals hiervoor onder 5.3. is overwogen volgt deze gebondenheid reeds uit de systematiek van de wet.

2010 en 2012

5.8.

In 2010 en 2012 zijn afzonderlijke premieopslagen ingehouden van respectievelijk 0,57% en 0,79%. Eisers stellen zich op het standpunt dat een toereikende grondslag voor die inhouding ontbreekt, hetgeen door Defensie is betwist.

5.9.

Aan eisers kan worden toegegeven, dat in de in 2010 en 2012 vigerende pensioenovereenkomst ABP (zie 2.6.) niet expliciet een bepaling is opgenomen wat betreft de berekening van een afzonderlijke opslag naast de inhouding op het salaris van de militairen op basis van – kort gezegd – de procentuele verdeling 70/30. Zoals is overwogen zijn zowel Defensie als eisers gebonden aan de pensioenovereenkomst ABP en zijn zij daarmee ook verplicht tot naleving van het bepaalde in het pensioenreglement ABP.

In artikel 17.4.8. van het pensioenreglement ABP is aan (de minister van) Defensie (zie 2.8.), naast de bevoegdheid die volgt uit de pensioenovereenkomst ABP tot inhouding op basis van -kort gezegd- de procentuele verdeling 70/30, in 2006 een afzonderlijke discretionaire bevoegdheid toegekend tot premieverhaal van een deel van de verschuldigde pensioenpremie op de deelnemers ter uitvoering van de toen gemaakte afspraken voor een eigenstandige regeling, teneinde de eindloonregeling voor de militairen in stand te houden.

De wijze van berekenen van deze afzonderlijke opslag voor de militairen is echter pas in 2013 expliciet in de pensioenovereenkomst ABP terecht gekomen.

Gesteld noch gebleken is dat (de minister van) Defensie op een zodanige wijze van deze discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht de in 2010 en 2012 gehanteerde afzonderlijke opslagen in te houden op de salarissen van de militairen, onder wie eisers.

Allereerst moet worden bedacht dat uit de eerste zin van artikel 5 lid 3 van de pensioenovereenkomst ABP volgt dat het SOD tussen 2006 en 2018 steeds bevoegd was om eventuele andere afspraken te maken over de premieverdeling. Nu niet is weersproken dat deze afzonderlijke premieopslagen telkens zijn besproken en vastgesteld in het SOD, volgt daaruit reeds dat artikel 17.4.8. van het pensioenreglement een toereikende grondslag bood aan Defensie voor het inhouden van de twee genoemde -en aldus overeengekomen-afzonderlijke premieopslagen op de salarissen van de militairen, onder wie eisers. Daarbij moet verder acht worden geslagen op wat hierna wordt overwogen over die berekening vanaf 2013, omdat gesteld noch gebleken is dat in 2010 en 2012 die berekening door het SOD op een andere wijze is uitgevoerd en vastgesteld dan volgens de in 2013 expliciet vastgelegde methodiek.

Premieopslagen vanaf 2013 en het begrip premie in de Pensioenwet

5.10.

In de jaren 2013, 2014, 2017 en 2018 is ook telkens een afzonderlijke premieopslag ingehouden. Artikel 5 derde lid van de pensioenovereenkomst ABP luidt vanaf 2013 als volgt: “Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, bedraagt de jaarlijkse mutatie van het werkgeversaandeel in de verschuldigde premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen van militairen nooit meer dan de relatieve -i.c. procentuele- stijging van de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 4. Indien sprake is van een grotere stijging wordt het meerdere volledig verhaald op de beroepsmilitairen via een opslag op de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen”.

Partijen verschillen van mening over de vraag hoe het woord ‘premie” hier moet worden uitgelegd. Kort gezegd stellen eisers, onder verwijzing naar artikel 1 van de Pensioenwet, dat een mutatie in de verschuldigde premie een in euro’s vastgesteld bedrag moet zijn, zodat een kostenvergelijking in euro’s moet worden gemaakt tussen de eindloonkosten van militairen en de middelloonkosten van de burgers.

Defensie stelt zich op het standpunt dat uit deze regeling volgt dat eerst een procentuele vergelijking moet worden gemaakt van de verschillende pensioengrondslagen aan de hand waarvan vervolgens de nominale premie als bedoeld in de Pensioenwet voor de militairen wordt berekend en vastgesteld.

5.11.

Uit de bewoordingen van artikel 5 derde lid van de pensioenovereenkomst ABP (‘relatieve’ en ‘procentuele’) volgt, zoals Defensie terecht stelt, dat het gaat om een relatieve premiestijging en niet om de ontwikkeling van de premie in absolute bedragen in euro’s.

Daarnaast heeft Defensie onweersproken aangevoerd dat sinds 2013 expliciet in de pensioenovereenkomst ABP is opgenomen dat de daarin gebruikte begrippen dezelfde betekenis hebben als in het pensioenreglement en dat in de vanaf 2013 geldende pensioenreglementen is bepaald: “De pensioenpremie bedraagt een percentage van de premiegrondslag”. Ook hieruit volgt dus dat het gaat om een vergelijking in percentages van de respectieve pensioengrondslag. Dat het begrip ‘premie’ in de Pensioenwet anders is gedefinieerd, maakt niet dat die definitie van premie ook buiten de Pensioenwet en in de onderhavige regelingen op dezelfde wijze moet worden gehanteerd. Immers deze regelingen gaan over de berekening en daarna de vaststelling van het bedrag van de in te houden premie, zoals die uiteindelijk op grond van de Pensioenwet zal worden ingehouden. De Pensioenwet zelf bevat voor een dergelijke concrete berekening en vaststelling geen afzonderlijke regeling.

Ook overigens is de tekst van deze regeling duidelijk; als het werkgeversaandeel in de verschuldigde pensioenpremie voor militairen procentueel meer stijgt dan het werkgeversaandeel in de verschuldigde pensioenpremie voor burgers (of vanaf 2014: als sprake is van een kleinere daling) dan moet het procentuele verschil worden verhaald op de militairen via een procentuele opslag naast de inhouding van 30%.

Dat het gaat om een vergelijking met burgers volgt reeds uit de verwijzing naar artikel 4 van de pensioenovereenkomst ABP.

De stelling van eisers dat Defensie de centrales niet dan wel onvoldoende heeft voorgelicht over de in het geding zijnde te verhalen bedragen is mede in het licht van deze uitleg onvoldoende onderbouwd.

Zonder nadere uitleg – die niet is gegeven – valt niet in te zien hoe in het SOD deze percentages tot twee cijfers achter de komma zijn vastgesteld zonder dat ook de centrales voldoende waren ingelicht. Zonder de door het ABP aangeleverde gegevens konden deze vergelijkingen immers niet worden gemaakt.

Voorts is gesteld noch gebleken dat de centrales binnen of buiten het SOD ook maar enig bezwaar hebben geuit tegen de aldus vastgestelde percentages over 2010, 2012, 2013, 2014, 2017 en 2018. Daarbij moet verder worden bedacht dat de centrales professionele onderhandelaars zijn, zoals Defensie onweersproken naar voren heeft gebracht.

5.12.

Voor de volledigheid wordt hierbij (nogmaals) opgemerkt dat uit de eerste zin van artikel 5 lid 3 van de Pensioenovereenkomst ABP volgt dat het SOD steeds bevoegd is geweest om andere afspraken te maken over de premieverdeling. Defensie heeft in dit verband ook onweersproken aangevoerd dat van die bevoegdheid diverse keren gebruik is gemaakt, ook ten gunste van de militairen, namelijk door het niet vaststellen van een afzonderlijke opslag dan wel het vaststellen van een lagere afzonderlijke opslag dan op basis van de regeling zelf gerechtvaardigd zou zijn geweest.

Premieafslag

5.13.

Noch uit de wet, noch uit de Pensioenovereenkomst ABP, noch uit het pensioenreglement ABP is enige verplichting voor Defensie af te leiden om in het SOD afzonderlijke premieafslagen vast te stellen en toe te passen, indien daarvoor in enig jaar ruimte zou hebben bestaan. De enkele stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat geen premieafslag heeft plaatsgevonden, indien dat mogelijk zou zijn geweest, is daartoe onvoldoende. Ook is niet concreet aangegeven wanneer en in welk jaar die omstandigheden zich zouden hebben voorgedaan, wanneer wordt uitgegaan van de in dit vonnis gegeven uitleg van de van toepassing zijnde bepalingen voor de vaststelling van inhoudingen voor pensioenpremies op het salaris van militairen in de periode van 2004 tot en met 2018.

Uitlegnorm

5.14.

Partijen zijn het erover eens dat de cao-norm toegepast moet worden op de uitleg van de pensioenovereenkomst ABP en het pensioenreglement ABP, aangezien eisers geen partij waren bij de totstandkoming hiervan. Bij uitleg op basis van de cao-norm kan acht worden geslagen op de elders gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de te onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie o.a. Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Uit de rechtspraak volgt dat bij toepassing van deze norm geen betekenis kan worden toegekend aan de inhoud van andere stukken dan van de regeling zelf en de eventueel daarbij behorende toelichtingen. De door eisers in het kader van de WOB verkregen stukken behoren daar niet toe.

Bij de hiervoor gegeven uitleg van de diverse bepalingen is steeds de cao-norm gehanteerd.

Deze uitleg leidt in geen enkel geval tot een rechtsgevolg in de jaren 2004 tot en met 2018, dat zo onaannemelijk is dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat toepassing van die normen leidt tot uitkomsten die op grond van de redelijkheid en billijkheid voor eisers onaanvaardbaar moeten worden geoordeeld.

Ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad

5.15.

Uit het voorgaande volgt eveneens dat Defensie zich niet ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van de militairen, onder wie eisers. Waarbij ook nog bedacht moet worden dat Defensie alle ingehouden bedragen heeft doorbetaald aan het ABP.

Van onverschuldigde betaling door eisers is evenmin sprake, nu uit dit vonnis volgt dat voor alle inhoudingen op het salaris van eisers (voor zover in dit geding aan de orde) een toereikende grondslag heeft bestaan.

Dat Defensie zich ten opzichte van eisers onrechtmatig zou hebben gedragen als bedoeld in artikel 6:162, tweede lid BW valt evenmin vol te houden. Er is geen sprake van enige inbreuk op een recht van eisers door Defensie dan wel van een doen of laten van de zijde van Defensie in strijd met een wettelijke plicht of een zorgvuldigheidsnorm.

Verjaring

5.16.

Het door Defensie aangevoerde verweer dat een deel van de vorderingen van eisers is verjaard behoeft verder geen afzonderlijke bespreking meer. Indien het beroep op verjaring zou slagen, verandert dat niets aan de uitkomst van dit geding.

Conclusie

5.17.

De vorderingen van eisers moeten worden afgewezen en eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.18.

Uit de door eisers ingenomen standpunten op basis van hun overgelegde cijfermatige inzichten leidt de kantonrechter af dat zij van mening zijn dat Defensie bij de financiering van de voor eisers geldende eindloonregeling in de periode van 2004 tot en 2018 andere (beleids)keuzes had moeten maken en/of andere regelingen had moeten treffen dan Defensie heeft gedaan. Defensie zou dan wellicht zelfs goedkoper uit zijn geweest.

Het is evenwel in de Nederlandse verhoudingen niet aan de rechter om de innerlijke waarde of de billijkheid van vastgestelde wettelijke regelingen te toetsen. Die beoordeling is aan andere organen van Defensie voorbehouden.

5.19.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 Beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Defensie vastgesteld op € 3.488,- als het aan de gemachtigde van Defensie toekomende salaris en bepaalt dat dit bedrag binnen vijftien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt eisers tot betaling van € 124,- aan nasalaris, voor zover Defensie daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

6.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 6.2. en 6.3. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2021.