Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
21_205
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verhaalt boete na verkeersovertreding op militair omdat niet aannemelijk is gemaakt dat overtreding niet aan militair is toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 21/205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: majoor mr. M.M.G. Keunen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een verkeersboete op eiser verhaald.

Bij besluit van 18 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere reacties ingezonden.

Partijen hebben kenbaar gemaakt geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser, majoor bij het OPCO Luchtstrijdkrachten, heeft gebruik gemaakt van een auto (met kenteken [kenteken] ) van verweerder uit de Pool Niet Operationeel Dienstvervoer (PNOD). Verweerder heeft als kentekenhouder een schikking van het CJIB ontvangen omdat op 31 januari 2020 de bestuurder van deze auto de maximum toegestane snelheid (na correctie) met twaalf kilometers heeft overschreden bij het punt Nieuwegein A27 links HMP 66.2, borden bij 67.5. Verweerder heeft het boetebedrag van € 105,00 betaald en verhaalt dit op eiser.

Wat zijn de regels?

2. De regels staan in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser ontkent niet dat de auto op 31 januari 2020 op zijn naam is geregistreerd. Hij stelt dat de door verweerder overgelegd informatie niet laat zien dat op 31 januari 2020 om 10.42 uur met de auto op de E311 is gereden. Op de foto die hij van het CJIB ontving is niet te zien om welk voertuig het gaat, waar en wanneer met dit voertuig is gereden en of daadwerkelijk sprake was van een verkeersovertreding. Eiser stelt dat niet is aangetoond dat hij de verkeersovertreding heeft begaan. Verweerder had eiser tijdig in de gelegenheid moeten stellen om de verkeersboete aan te vechten. Eiser is er van overtuigd dat de boete dan zou zijn komen te vervallen. Voorts stelt eiser dat ten tijde van het besturen van de auto eiser geen hem opgedragen diensten en werkzaamheden vervulde. Er is bovendien geen sprake was van opzet of roekeloosheid.

4. Verweerder stelt dat eiser via de service desk defensie een PNOD-voertuig heeft aangevraagd voor het bijwonen van een vergadering op 31 januari 2020. Door deze aanvraag heeft eiser impliciet een dienstreis aangevraagd bij zijn leidinggevende. Doordat de leidinggevende de aanvraag heeft gehonoreerd heeft eiser een dienstopdracht gekregen. Een voertuig uit de PNOD is uitsluitend door de aanvrager en alleen op de aangevraagde datum te openen. Het openen van het portier van het voertuig kan alleen plaatsvinden, indien de aanvrager/geregistreerde met de chip in de defensiepas contact maakt met de sensor in de voorruit. Doordat het portier uitsluitend geopend kon worden door de defensiepas van eiser en eiser bij de aanvraag geen andere medepassagiers heeft opgegeven is het onaannemelijk dat een ander dan eiser het voertuig op pleegdatum en tijd heeft bestuurd. Dit wordt bevestigd doordat uit het Excel bestand van de registratie van het civiele dienstauto gebruik informatie systeem blijkt dat het voertuig om 06:08 uur is geopend met de defensiepas voorzien van chipnummer [chipnummer] die is verstrekt aan eiser. Uit dit Excel bestand blijkt ook dat het voertuig zich op 31 januari 2020 om 10:41 uur op de A27 Rijksweg te Nieuwegein bevond en dat het voertuig nog steeds geregistreerd stond op het chipnummer behorend bij de aan eiser verstrekte defensiepas. Voor verweerder staat in voldoende mate vast dat eiser op pleegdatum in het kader van de uitoefening van dienst het voornoemd voertuig heeft bestuurd en daarmee de verkeersovertreding heeft begaan. Dat de foto van het CJIB onduidelijk is, maakt dat niet anders. Eiser heeft geen ontlastende argumenten naar voren gebracht, en eveneens niet aannemelijk gemaakt wie dan wel het voertuig zou hebben bestuurd en de overtreding zou hebben begaan. Het handelen van

eiser is conform de Beleidsregel inzake schadeverhaal (Beleidsregel) derhalve terecht als ‘opzettelijk of bewust roekeloos’ gekwalificeerd. Gelet op het voorgaande ziet verweerder geen redenen om van de Beleidsregel af te wijken.

Voor wat betreft het standpunt van eiser dat hij geen rechtsmiddelen meer kon aanwenden tegen de CJIB-beschikking, omdat verweerder de beschikking al heeft betaald stelt verweerder dat hij als kentekenhouder aansprakelijk is voor overtredingen die met een dienstvoertuig worden gepleegd. Het uitgangspunt van het verweerder is dat feiten en omstandigheden, zoals die door het CJIB worden aangeleverd voor juist en waar worden aangenomen. Het CJIB werkt met gecertificeerde apparatuur en een daaruit voortvloeiende constatering van een overtreding wordt door verweerder in beginsel niet betwist en derhalve rechtmatig geacht. Ondanks dat is het te allen tijde mogelijk voor een medewerker om een beschikking te betwisten door aannemelijk te maken dat de geconstateerde overtreding niet door de medewerker is begaan of hem niet is toe te rekenen. Indien een medewerker erin slaagt om ondubbelzinnig aan te tonen dat de gedraging hem niet valt te verwijten dan zal verweerder het besluit tot schadevergoeding heroverwegen. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de hem verweten gedraging niet aan hem is toe te rekenen. Dat maakt dat verweerder er terecht van uit mocht gaan dat de aan eiser verweten gedraging ook door eiser is gepleegd.

Wat vindt de rechtbank?

5. De rechtbank overweegt dat eiser er niet in is geslaagd het betoog van verweerder gemotiveerd te ontkrachten. De constatering van eiser dat uit het door verweerder overgelegde Excel bestand niet volgt dat met de auto op 10.42 uur op de A27 is gereden, ziet er aan voorbij dat de A27 op het hiervoor onder 1 vermelde punt onderdeel van de E311 is.

6. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen1 dat verweerder voor de uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid in de Beleidsregel een aantal objectieve maatstaven noemt, die aanknopingspunten bieden bij het beantwoorden van de vraag of aan de voorwaarden van artikel 145 van het Algemene militair ambtenarenreglement (AMAR) is voldaan. Daarbij is van belang het criterium dat de snelheidslimiet met meer dan 11 km per uur is overschreden. De appelrechter is van oordeel dat verweerder met deze objectieve voorwaarde de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten is gegaan. Daarbij heeft de appelrechter in aanmerking genomen dat in het algemeen geldt dat snelheidslimieten bewust zijn gekozen in verband met de ter plaatse geldende omstandigheden en veelal direct verband houden met de veiligheidssituatie ter plaatse. Van verkeersdeelnemers mag zonder meer worden verwacht dat zij zich bewust zijn van mogelijke verschillen in toegestane snelheid en hun rijgedrag daarbij steeds aanpassen. Juist voor provinciale wegen geldt dat men steeds bedacht moet zijn op gedeelten die zijn gelegen binnen de bebouwde kom. Een snelheidsoverschrijding met meer dan 11 km per uur kan, ook of juist als men zich dit op het moment van plegen niet realiseert, in beginsel bewust roekeloos worden genoemd.

7. Nu vast staat dat eiser de snelheidslimiet met 12 km per uur heeft overschreden is het besluit om de als gevolg daarvan opgelegde verkeersboete op eiser te verhalen in overeenstemming met artikel 5, derde lid, van de Beleidsregel genomen.

Wat is de conclusie?

8. Het beroep slaagt niet en wordt ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Baderman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Ingevolge artikel 145, eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR kan onze Minister de militair verplichten tot geheel of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de militair.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel wordt - voor zover hier van belang - door de dienst geleden schade, ontstaan als gevolg van een aan het Ministerie van Defensie opgelegde verkeersboete, altijd op de defensiemedewerker verhaald indien blijkt dat deze in het kader van de hem opgedragen werkzaamheden opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Het verhalen van schade vergt voorts, op grond van het tweede lid, een individuele belangenafweging. Ingevolge het derde lid van dit artikel moet bij het aantonen van opzet of bewuste roekeloosheid op basis van objectieve maatstaven kunnen worden afgeleid dat de defensiemedewerker willens en wetens heeft gehandeld dan wel zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag. De volgende objectieve maatstaven spelen hierbij een rol:

a. de mate van overschrijding van de maximum snelheid. Richtinggevend hierbij is dat een overschrijding van de maximum toegestane snelheid na correctie met 11 kilometer per uur of meer op basis van jurisprudentie in beginsel opzettelijk of bewust roekeloos wordt geacht;

b. door rood licht rijden; indien het licht zodanige tijd op rood staat dat een betrokkene dat wel moet hebben gezien, is sprake van opzet of bewuste roekeloosheid;

c. fout parkeren; indien op een plaats wordt geparkeerd waar dat ingevolge de plaatselijke verbodsbepalingen nimmer is toegestaan kan opzet of bewuste roekeloosheid worden verondersteld. Hiervan is eveneens sprake wanneer, ingeval van parkeren tegen betaling, niet is betaald dan wel de mate van overschrijding van de betaalde parkeertijd zodanig is overschreden dat betrokkene geruime tijd heeft gehad om parkeergeld bij te betalen;

d. weersomstandigheden;

e. de aanwezigheid en zichtbaarheid van gebods- en verbodsborden;

f. overige plaatselijke omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het opzettelijke of bewust roekeloze karakter.

1 Centrale Raad van Beroep 26 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4355.