Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5344

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
NL21.5874
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staatloze Palestijn - UNRWA - artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag - land van gebruikelijke verblijfplaats - geringe indicaties - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5874


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Wouters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).


Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Ahmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is staatloze Palestijn.

2. Op 24 januari 2021 heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Hieraan heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser verbleef voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland in Libië. Zijn vrouw en kind verblijven zonder verblijfsvergunning in Egypte. Eiser heeft nergens een verblijfsrecht. Zowel in Libië als Egypte is eiser uitgescholden vanwege zijn Palestijnse afkomst. In Libië is hij meerdere malen mishandeld door milities bij controleposten.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.1 Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig en beschouwt Libië als land van gebruikelijke verblijfplaats. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser is uitgescholden in Libië en Egypte vanwege het zijn van een staatloze Palestijn. Tot slot is ook geloofwaardig bevonden dat eiser problemen bij controleposten heeft ondervonden in Libië. Eiser valt volgens verweerder niet onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.2 Daartoe is de enkele registratie bij UNRWA3 onvoldoende en uit de verklaringen van eiser blijkt ook niet dat hij bescherming en bijstand heeft ontvangen van UNRWA of dat hij in een van de vijf mandaatgebieden van UNRWA heeft verbleven. Het relaas van eiser is daarom onderworpen aan de ‘normale’ asieltoets.4 Op grond van het geloofwaardig bevonden relaas komt eiser niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning, omdat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

4. Eiser voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of hij op enig moment bescherming en bijstand heeft ontvangen van UNRWA. Verweerder heeft Werkinstructie 2020/19 niet gevolgd en gaat daarnaast ook uit van een fout toetsingskader door enkel uit te gaan van de mogelijkheid van bescherming van de UNRWA in de vijf mandaatgebieden. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van het Hof van Justitie5 van 13 januari 20216 en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 9 februari 20217 en 19 maart 2021.8 Verweerder heeft daarom onvoldoende onderzocht of eiser onder de uit- en insluitingsclausules van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte Libië beschouwt als land van gebruikelijke verblijfplaats. Eiser heeft alleen in Libië verbleven vanwege zijn werkzaamheden en had geen verblijfsvergunning. Hij had ook geen eigen woonruimte, maar verbleef bij zijn tante. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Staatloze Palestijnen zijn als risicogroep in Libië aangemerkt. Nu uit WBV 2020/159 blijkt dat eiser als staatloos Palestijn geen bescherming kan inroepen van de Libische autoriteiten, is er sprake van een vervolgingsgrond op basis van etniciteit.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag

5. De Afdeling10 heeft in de uitspraken van 19 februari 201911 onder meer geoordeeld dat uit de arresten Bolbol12 en El Kott13 volgt dat een vreemdeling is uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag als die vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van UNRWA heeft ontvangen, voor zover die bijstand niet is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling. Verder volgt uit het arrest Alheto14 dat als een vreemdeling bij UNRWA is geregistreerd, onderzocht moet worden of die vreemdeling daadwerkelijk bescherming of bijstand van UNRWA ontvangt. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling is geregistreerd bij UNRWA leidt nog niet tot toepasselijkheid van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, aldus de Afdeling.

6. Niet in geschil is dat eiser is geregistreerd bij UNRWA. Verweerder heeft daarom moeten onderzoeken of eiser daadwerkelijk bescherming of bijstand van UNRWA heeft ontvangen. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard niet te hebben verzocht om bescherming van UNRWA. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij geen bescherming van UNRWA heeft gekregen, omdat deze niet beschikbaar was in Libië. Verder heeft eiser niet betwist dat hij nimmer heeft verbleven in het mandaatgebied van UNRWA. Op grond van de verklaringen van eiser heeft verweerder daarom kunnen concluderen dat eiser niet direct voorafgaand of kort voor het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand heeft ontvangen van de UNRWA. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is.

7. Het beroep op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, slaagt niet, omdat deze zaken onvoldoende vergelijkbaar zijn met eisers zaak. Anders dan eiser, hebben deze vreemdelingen op enig moment wel verbleven in het mandaatgebied van UNRWA.

Gebruikelijke verblijfplaats

8. In paragraaf 41 van de UNHCR15 Guidelines on Statelesness is het volgende bepaald over het bepalen van de gebruikelijke verblijfplaats:

'The term "habitual residence" […] is to be understood as stable, factual residence. It does not imply a legal or formal residence requirement. […]’.

9. In paragraaf C2/2 van de Vc16 heeft verweerder zijn beleid over het bepalen van de gebruikelijke verblijfplaats van een staatloze vreemdeling neergelegd. Hieruit blijkt dat de gebruikelijke verblijfplaats wordt bepaald op basis van de aard en de duur van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land en de banden die de staatloze vreemdeling heeft met het land.

10. Verweerder heeft Libië niet ten onrechte als land van gebruikelijke verblijfplaats van eiser aangemerkt. Bij de beoordeling heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser in Libië is geboren en ongeveer 25 jaar in Libië heeft verbleven voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser in Libië heeft gewerkt bij het bedrijf van zijn oom en dat de familie van eisers moeder woonachtig is in Libië. Eisers stelling dat hij in Libië bij zijn tante verbleef en dus niet in Libië heeft gewoond, wordt niet gevolgd. Bovendien is niet betwist dat Libië de feitelijke verblijfplaats van eiser is geweest. Dat eiser geen verblijfsvergunning had in Libië, leidt niet tot de conclusie dat Libië niet als land van gebruikelijke verblijfplaats kan worden aangemerkt. Uit de hierboven genoemde Guidelines van de UNHCR volgt immers dat niet is vereist dat een vreemdeling een verblijfsvergunning bezit in het als land dat als gebruikelijke verblijfplaats wordt aangemerkt.

Geringe indicaties

11. Uit artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat vreemdelingen, ook als zij geen nationaliteit bezitten, aannemelijk moeten maken dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging in het land waar zij hun gebruikelijke verblijfsplaats hebben.

12. In paragraaf C7/17 van de Vc heeft verweerder (staatloze) Palestijnen aangewezen als risicogroep. Volgens het in paragraaf C2/3.2 van de Vc opgenomen beleid kan een vreemdeling behorend tot een risicogroep, indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.

13. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het zijn van een staatloze Palestijn gegronde vrees voor vervolging heeft. Geringe indicaties kunnen uitsluitend problemen zijn die direct verband houden met een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag, waaronder het behoren tot een bevolkingsgroep. Verweerder heeft zich niet onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen bij de controleposten onvoldoende zijn voor de conclusie dat er sprake is van gegronde vrees. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat de controles door de milities niet specifiek tegen hem waren gericht en dat iedereen die op die weg reed kon worden gecontroleerd.17 Eisers stelling ter zitting dat hij door de milities is mishandeld omdat hij een Palestijn is, is niet nader onderbouwd. Er is in dit geval daarom niet aannemelijk gemaakt dat dit Verdragsgerelateerd geweld betrof, ingegeven door het zijn van een staatloos Palestijn en dat het direct verband hield met de persoon van eiser.

14. Eiser heeft in dit kader ook gewezen op verwachte, toekomstige problemen bij terugkeer. Eiser heeft echter nagelaten deze problemen te concretiseren en daarnaast betreft dit toekomstige, onzekere gebeurtenissen. Verweerder heeft bovendien bij de beoordeling van het risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst de toekomstige situatie betrokken, zodat eisers stelling dat verweerder niet is ingegaan op het risico dat hij loopt bij terugkeer niet slaagt.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid vanmr. W. van Loon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).

3 United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.

4 Artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a en b, van de Vw.

5 Hof van Justitie van de Europese Unie.

6 Met zaaknummer C-507/19.

7 Met zaaknummer NL19.28807.

8 Met zaaknummers NL20.13708 en NL20.13709.

9 Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2020/15, 2 juli 2020, Staatscourant 7 juli 2020, nr. 36842.

10 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

11 ECLI:NL:RVS:2019:447, ECLI:NL:RVS:2019:556 en ECLI:NL:RVS:2019:557.

12 ECLI:EU:C:2010:351.

13 ECLI:EU:C:2012:836.

14 ECLI:EU:C:2018:327.

15 United Nations High Commissioner for Refugees.

16 Vreemdelingencirculaire 2000.

17 Verslag nader gehoor, pagina 13.