Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
NL20.17799
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Libië, artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft onder het regime van Khadafi werkzaamheden verricht voor de Interne Veiligheidsorganisatie binnen de Abu Salim gevangenis. Hij vreest dat hij bij terugkeer naar Libië gevaar loopt slachtoffer te worden van wraakacties van de zijde van milities. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat eiser bij terugkeer naar Libië zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag verboden behandeling. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit voor zover dat betrekking heeft op de toets aan artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en het inreisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.17799


uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).


Procesverloop
Bij het besluit van 30 september 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze uitspraak over?

1. Eiser is geboren op [datum] 1976 en van Libische nationaliteit. Aan zijn op 12 maart 2019 ingediende asielaanvraag heeft hij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij gevaar loopt slachtoffer te worden van wraakacties van de zijde van milities, omdat hij van 1997 tot 2011 militair was in het Libische leger. Eiser heeft verklaard dat hij in deze periode onder meer werkzaamheden heeft verricht voor de Interne Veiligheidsorganisatie binnen de Abu Salim en Ain Zara gevangenissen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Verweerder acht artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag1 op eiser van toepassing. Uit onderzoek van verweerder blijkt dat eiser in verband moet worden gebracht met wederrechtelijke detentie, marteling/foltering en (zware) mishandeling van mensen. Deze misdrijven zijn aan te merken als oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in voornoemde artikelen van het Vluchtelingenverdrag. Eiser kan volgens verweerder persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor deze misdrijven (‘personal and knowing participation’).

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Verweerder heeft echter onvoldoende beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Dit doet zij aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.1.

De rechtbank bespreekt achtereenvolgens of verweerder mocht uitgaan van het medisch advies van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) (onder 4), of verweerder eiser had moeten laten horen door een gespecialiseerde 1F-medewerker (onder 5), of verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser tegenwerpt (onder 6) en of eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag loopt (onder 7).

Mocht verweerder uitgaan van het medisch advies van de FMMU?

4. Eiser betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zich te baseren op een medisch advies van de FMMU, zonder zich er van te vergewissen of dat advies voldoende inzichtelijk en concludent is. Volgens eiser bestond namelijk aanleiding om daaraan te twijfelen. De medische adviezen van 26 maart 2019 en 3 april 2019 vermeldden dat hij niet gehoord kon worden vanwege psychische klachten, mogelijke psychiatrische problematiek. Het medisch advies van 23 mei 2019 maakt echter in het geheel geen melding van dergelijke klachten. Volgens eiser is niet aannemelijk dat zijn psychische situatie in een tijdsbestek van twee maanden ineens zoveel beter geworden zou zijn. Daarbij is van belang dat de gemachtigde van eiser bij brieven van 17 en 21 januari 2020 erop gewezen heeft dat eiser warrig is, niet coherent verklaart en volstrekt onlogische antwoorden geeft als gemachtigde hem iets vraagt. Eiser wijst er daarbij op dat verweerder een eigen verantwoordelijkheid heeft in het kader van speciale behoeften aan extra procedurele waarborgen, ook los van het medisch advies. Verweerder kan zich volgens eiser niet verschuilen achter het antwoord van eiser tijdens het gehoor dat alles goed was, omdat bekend is dat vreemdelingen zich in een ondergeschikte positie voelen tegenover de hoormedewerkers die hun lot in hun handen hebben. Veel vreemdelingen, zo ook eiser, voelen zich niet vrij om ter plekke opmerkingen te maken uit angst dat dit hun beslissing nadelig zal beïnvloeden. Eiser wijst er daarbij ook op dat halverwege het gehoor is gewisseld van hoormedewerker en dat de nieuwe medewerker erg dwingend was. Eiser voert tot slot aan dat uit het eerste en tweede advies blijkt dat eiser ontkent dat er een probleem is en dat deze ontkenning onderdeel kan zijn van de psychische problematiek.

4.1.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het niet aan hem is om te twijfelen aan een FMMU-advies, op de enkele grond dat eerder een andersluidend advies is uitgebracht. Verder blijkt uit de rapport van gehoor dat eiser vooraf is gevraagd of hij in staat was gehoord te worden en dat hij na afloop heeft aangegeven tevreden te zijn over het verloop van de gesprekken. Volgens verweerder blijkt ook nergens uit dat eiser niet coherent heeft verklaard.

4.2.

Het is vaste rechtspraak dat verweerder ervan mag uitgaan dat een overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen opgesteld FMMU-advies voldoet aan de vanuit een oogpunt van vakkundigheid te stellen eisen en zorgvuldig tot stand is gekomen. Dit protocol bevat namelijk opleidings- en ervaringseisen voor het medisch personeel van de FMMU, schrijft voor dat elk advies door een arts moet worden gecontroleerd en dat gebruik wordt gemaakt van een onderzoeksformulier, waarmee een consistente werkwijze is gewaarborgd. Verweerder moet zich er verder van vergewissen dat het uitgebrachte advies naar inhoud inzichtelijk en concludent is.2

4.3.

Verweerder heeft de FMMU gevraagd om te beoordelen of eiser gehoord kon worden. Dit heeft geleid tot drie medische adviezen van dezelfde arts in een periode van twee maanden. In het FMMU-advies van 26 maart 2019 staat dat eiser op dat moment niet kon worden gehoord omdat sprake was van een onduidelijke – mogelijk psychiatrische –problematiek, waarbij de kans op reacties en/of decompensatie aanwezig is, door terughalen van herinneringen aan een periode. Ook staat er dat eiser door een FMMU-arts gezien en beoordeeld moet worden om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke diagnose en een termijn waarbinnen er gehoord kan worden én dat eiser ontkent dat er een probleem is. In het FMMU-advies van 3 april 2019 staat opnieuw dat eiser niet gehoord kan worden vanwege psychische klachten. Eiser is volgens het advies niet in staat om op coherente en consistente wijze over zijn asielrelaas te verklaren. Eiser is dringend verzocht een afspraak te maken bij GezondheidsZorg Asielzoekers (GZA) en zal na zes weken opnieuw worden gezien door de FMMU. Verweerder heeft beide adviezen opgevolgd en heeft eiser in die periode niet gehoord. Volgens het medisch advies van 23 mei 2019 kan eiser gehoord worden. Er is wel sprake van een medische klacht, maar deze vormt volgens de arts geen beperking voor het horen en beslissen. Op 17 en 20 januari 2020 en 25 februari 2020 hebben de asielgehoren plaatsgevonden.

4.4.

Eiser heeft niet bestreden dat de FMMU het onderzoek overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen heeft uitgevoerd. Gelet op het onder 4.2 weergegeven toetsingskader moet er dan ook van worden uitgegaan dat het FMMU-advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Verder is het FMMU-advies van 23 mei 2019, hoewel summier, inzichtelijk en concludent. Daarbij is van belang dat het eerste advies weliswaar mede is ondertekend door de FMMU-arts, maar dat uit de tekst valt op te maken dat dit is opgesteld door een verpleegkundige. In dit advies is ook vermeld dat eiser is doorverwezen naar een FMMU-arts voor nader onderzoek naar de geconstateerde psychische klachten. Verder is van belang dat er tussen het tweede en het derde advies een periode van zeven weken zit en dat alle drie de adviezen door dezelfde FMMU-arts (mede) zijn opgesteld dan wel ondertekend. Dat de gemachtigde van eiser enkele keren heeft gewezen op de psychische problemen van eiser, maakt nog niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser te horen of door bij de FMMU geen navraag te doen naar aanleiding van de verschillen tussen de diverse adviezen. Van belang is dat ook de rapporten van de gehoren, in combinatie met de inhoudelijke correcties en aanvullingen daarop, onvoldoende aanleiding geven voor de conclusie dat eiser niet in staat is geweest te verklaren over wat hij heeft aangevoerd. Uit de gehoorverslagen valt, met uitzondering van de door eiser ervaren dwingende houding van één van de hoormedewerkers, niet op te maken dat de gehoren niet goed zijn verlopen of dat eiser ten tijde van de gehoren niet in staat is geweest te verklaren. Overigens heeft verweerders eisers verklaringen geloofwaardig geacht en heeft eiser niet gesteld dat zijn verklaringen onjuist zouden zijn. Eisers betoog slaagt niet.

Had verweerder eiser moeten laten horen door een gespecialiseerde 1F-medewerker?

5. Eiser betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij tijdens het aanvullend gehoor niet is gehoord door een gespecialiseerde medewerker van de unit binnen de IND die zich bezig houdt met 1F-zaken. Volgens eiser worden 1F-zaken altijd door de gespecialiseerde 1F-unit afgehandeld. Eiser verwijst daarbij naar een aantal stukken.3 Verder voert eiser aan dat het aanvullend nader gehoor is gehouden door de hoormedewerker die tijdens het nader gehoor juist vervangen is door een meer ervaren medewerker.

5.1.

Verweerder wijst er op dat, hoewel dit gebruikelijk is, er geen rechtsregel is waaruit volgt dat verweerder gehouden is om gehoren in (mogelijke) 1F-zaken uit te laten voeren door medewerkers van de gespecialiseerde 1F-unit. Verder heeft eiser uitgebreid kunnen verklaren over zijn werkzaamheden en is niet gebleken dat of op welke wijze eiser zou zijn benadeeld doordat hij niet door een gespecialiseerde 1F-medewerker is gehoord.

5.2.

Verweerder stelt terecht dat hij niet verplicht is om gehoren in 1F-zaken door medewerkers van de gespecialiseerde 1F-unit uit te laten voeren. De stukken waar eiser naar verwijst ondersteunen zijn betoog niet. Uit deze stukken kan worden opgemaakt dat de 1Funit een gespecialiseerde unit is die onderzoek doet naar vreemdelingen ten aanzien van wie er aanwijzingen bestaan dat zij in verband kunnen worden gebracht met gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Deze stukken bieden echter geen concrete onderbouwing voor eisers stelling, dat 1F-gehoren volgens beleid van verweerder moeten worden afgenomen (of altijd worden afgenomen) door medewerkers van deze unit. Zo vermeldt het “Onderzoek naar de Algemene Asielprocedure - Plan van aanpak” van de Inspectie Justitie & Veiligheid op pagina 11 dat medewerkers van de 1F-unit de hoor- en beslismedewerkers ondersteunen wanneer er 1F-indicaties zijn. Eiser heeft zijn stelling ook niet met verwijzing naar wetgeving, beleid of jurisprudentie onderbouwd. Verweerders werkinstructie 2005/22 met als onderwerp “Procedurele aspecten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag” vermeldt dat het toezenden van een zaak aan de 1F-unit in beginsel geschiedt “na afronding van het (aanvullend) nader gehoor met specifieke aandacht voor 1Faspecten” en dat een aanvullend nader gehoor door gespecialiseerde contactambtenaren van deze unit slechts plaatsvindt als dat nodig is.4 Voor eisers stelling dat de hoormedewerker van het aanvullend nader gehoor minder ervaren is, bestaat verder geen grondslag. Nog daargelaten de vraag wat eiser met deze stelling wenst te betogen, valt uit het rapport van nader gehoor niet op te maken waarom deze medewerker in dat gehoor is vervangen door een andere medewerker. Dat dit zou zijn omdat het een minder ervaren medewerker betrof, blijkt niet uit het gehoorverslag en is door eiser ook anderszins niet onderbouwd. Het betoog van eiser slaagt niet.

Werpt verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser tegen?

6. Eiser betoogt dat verweerder artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag niet aan hem mag tegenwerpen omdat geen sprake is van ‘personal and knowing participation’. Volgens eiser werpt verweerder hem dit tegen op basis van voornamelijk algemene informatie en slechts een beperkt aantal vragen en antwoorden uit de gehoren. Verweerder heeft volgens eiser onder meer nagelaten zijn militaire rang, zijn plek in de hiërarchie en de aard van zijn werkzaamheden mee te wegen. Eiser had een vrij lage rang (korporaal) en zijn werkzaamheden bestonden uit het bewaken van Khadafi en van gevangenissen, waaronder de Abu Salim gevangenis. Hij kreeg opdrachten van zijn leidinggevenden en bepaalde voor de soldaten onder hem op welke plekken zij moesten staan. Dat eiser wel eens tussen de gedetineerden zat, was om te kijken wie bij ongeregeldheden de onruststokers waren, zodat deze konden worden overgeplaatst naar een andere cel of gevangenis. Verweerder oordeelt op basis hiervan ten onrechte dat eiser heeft gewerkt als informant.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het 1F-onderzoek naar voren is gekomen dat eiser zich van het misdadig karakter van het handelen van de Interne Veiligheidsorganisatie in de Abu Salim-gevangenis in Tripoli bewust moet zijn geweest. Verweerder stelt daarbij terdege rekening gehouden te hebben met de positie van eiser en de werkzaamheden die eiser hier heeft verricht.

Toetsingskader

6.2.

Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  2. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

6.2.1.

Om te bepalen of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt de zogenoemde ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’) door het plegen van dergelijke misdrijven, het opdracht geven daartoe of het faciliteren daarvan.5

6.2.2.

Uit de door verweerder in het voornemen genoemde algemene informatie volgt dat de Interne Veiligheidsorganisatie van Libië zich in de Abu Salim-gevangenis in Tripoli frequent schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke detentie, marteling/foltering en (zware) mishandeling en dus mensenrechten heeft geschonden. Eiser betwist de juistheid van deze algemene informatie niet. Ook is niet in geschil dat deze misdrijven aan te merken zijn als in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag genoemde gedragingen. Tot slot is niet in geschil dat eiser als militair in de Abu Salim-gevangenis werkzaamheden heeft verricht voor de Interne Veiligheidsorganisatie. De vraag die voor ligt is of bij eiser sprake is van ‘personal and knowing participation’.

Knowing participation

6.3.

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo dat het in Libië algemeen bekend was dat de Interne Veiligheidsorganisatie van Libië zich (onder meer) in de Abu Salim-gevangenis in Tripoli schuldig maakte aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en dat het niet aannemelijk is dat eiser, gezien zijn werkzaamheden en zijn verklaringen daarover, daarvan niet op de hoogte zou zijn geweest. De rechtbank volgt verweerder hierin. Dat dit over deze organisatie algemeen bekend was heeft verweerder, onder verwijzing naar verschillende bronnen waaronder rapporten en artikelen van Amnesty International, Human Rights Watch en het US Department of State, voldoende gemotiveerd. Een voorbeeld hiervan is de verwijzing door verweerder naar informatie van Amnesty International, waaruit blijkt dat “de Abu Salim gevangenis een dusdanige reputatie had dat er onder Khadafi het volgende spreekwoord in Libië bestond:´whoever enters Abu Salim is considered dead and whoever leaves from Abu Salim is a new-born´.”6 Verweerder stelt zich verder terecht op het standpunt dat ook eiser, gelet op zijn werkzaamheden en zijn verklaringen, op de hoogte moet zijn geweest van het misdadig karakter van de wijze van behandeling van de gevangenen. Zo verklaart eiser over de periode dat hij in de Abu Salim gevangenis heeft gewerkt: “Daar zijn de oppositiemensen en mensen die problemen veroorzaken door geloof, zoals de Moslimbroeders, vastgehouden.”7 En: “Gevaarlijke mensen, dus oppositie en strenge mensen, die waren in Abu Salim.”8 Hieruit volgt dat eiser wist dat er in de Abu Salim gevangenis voornamelijk (islamitische) opposanten van de Libische autoriteiten zaten. Verder heeft eiser verklaard dat hij vanwege zijn positie in de gelegenheid was om contact te leggen met de gevangenen en dat ook wel eens deed9 en dat hij gevangenen wegbracht en weer ophaalde voor ondervragingen10. Vanwege deze contacten met gevangenen, waarvan hij wist dat het ging om opposanten van het regime, en gezien dat het algemeen bekend was wat er in de Abu Salim gevangenis met deze gevangenen gebeurde, is het niet aannemelijk dat juist eiser daarvan niet op de hoogte zou zijn geweest. Gelet hierop stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat bij eiser sprake is van knowing participation.

Personal participation

6.4.

De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat bij eiser sprake is van personal participation. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser werkzaam was bij de Abu Salim gevangenis in een periode waarvan vast staat dat de hier bedoelde misdrijven toen plaatsvonden. Eiser heeft over zijn werkzaamheden verklaard dat hij gevangenen van en naar de verhoren bracht. Eiser heeft ook verklaard dat hij tussen de gevangenen ging zitten om informatie te verzamelen. Dat dit enkel was bedoeld om onruststokers te identificeren, valt niet te rijmen met het meermaals door eiser verklaarde dat het doel hiervan was om informatie over een bepaalde persoon te verzamelen.11 Verweerder stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser daarmee een onmisbare schakel vormde, doordat hij gevangen daarmee in een positie bracht waarin zij een aanmerkelijk risico liepen slachtoffer te worden van marteling en/of foltering. Daarmee is sprake van een bijdrage van eiser welke feitelijk effect heeft gehad op het begaan van die misdrijven, waarbij deze misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden als niemand de rol van eiser had vervuld dan wel als eiser gebruik had gemaakt van mogelijkheden om die misdrijven te voorkomen.12 Dat eiser wellicht een lage rang had en in een dictatuur leefde waarbij het niet opvolgen van opdrachten en bevelen leidde tot persoonlijke straffen, waaronder de doodstraf, maakt dit niet anders.13 Verweerder wijst er daarbij terecht op dat eiser zijn werkzaamheden heeft voortgezet zolang dat mogelijk was en dat uit zijn verklaringen op geen enkele wijze blijkt dat hij moeite had met het misdadige karakter van zijn werkzaamheden. Ook eisers betoog, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 december 201914, dat sprake moet zijn van pijn of leed dat toegebracht wordt op aanstichten van dan wel met instemming van een overheidspersoon of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit omdat verweerder er terecht op wijst dat eiser zijn werkzaamheden juist verrichte in dienst van het Libische regime en dat dus aan dit vereiste is voldaan. Een strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke veroordeling, tot slot, is, anders dan eiser betoogt, niet vereist voor het vaststellen van personal participation.15 Gelet hierop stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat bij eiser sprake is van personal participation.

Tussenconclusie

6.5.

Eisers betoog dat geen sprake is van ‘personal and knowing participation’ slaagt niet. Verweerder heeft daarom onder verwijzing naar artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op goede gronden besloten dat het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is en dat eiser daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op grond van artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan, wanneer artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, aan die vreemdeling ook geen verblijfsvergunning worden verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

Loopt eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag?

7. Eiser heeft verklaard dat hij Libië in 2011 verlaten heeft nadat hij neerschoten is. Hij heeft vervolgens tot 2014 in Tunesië verbleven. Hij is in 2014 naar Libië gegaan om zijn paspoort te verlengen. Hij is toen door milities opgepakt, gedetineerd en tijdens zijn detentie gemarteld. Hij wist te ontsnappen en ging weer naar Tunesië. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een groot risico loopt zonder enig legaal proces te worden gevangengezet en gemarteld. Eiser heeft dit eerder al meegemaakt. Hij is bekend bij de tegenhangers van Khadafi en uit de landeninformatie over Libië volgt dat de voormalige soldaten van Khadafi na de val van diens regime door opstandelingen zijn gearresteerd en buiten de wet om zijn vastgehouden, gefolterd of mishandeld.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser genoemde omstandigheden zijn betrokken in de beoordeling of hij bij terugkeer gevaar loopt. Eiser behoort niet tot een in het beleid aangewezen kwetsbare risicogroep16 omdat hij niet direct voorafgaande aan zijn komst naar Nederland zijn normale woonplaats had in een gebied dat onder controle staat van de Libische regering van nationale overeenstemming (GNA). Eiser verbleef namelijk sinds 2014 in Tunesië. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser ten tijde van zijn vertrek in 2014 in de negatieve aandacht van de Libische autoriteiten stond, omdat hij toen nog een nieuw paspoort heeft kunnen krijgen en daarmee heeft kunnen reizen.

7.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het besluit en het daarin ingelaste voornemen onduidelijke en wisselende standpunten inneemt ten aanzien van de vraag welke verklaringen van eiser hij nu wel en niet geloofwaardig acht. Op de zitting heeft verweerder echter verduidelijkt dat eisers verklaringen over de problemen die hij en zijn gezin in 2014 in Libië hebben ondervonden geloofwaardig worden geacht. Daarmee staat vast dat eiser in het verleden slachtoffer is geweest van onrechtmatige detentie en marteling.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet behoort tot de in het beleid afgebakende kwetsbare risicogroep van Khadafi-loyalisten die direct voorafgaande aan hun komst naar Nederland hun normale woonplaats hadden in door GNA gecontroleerd gebied. Niet valt in te zien waarom eisers verblijf in Tunesië relevant is voor de vraag of eiser tot deze kwetsbare minderheidsgroep behoort. Verweerder heeft Tunesië immers niet aangemerkt als eisers land van herkomst of als een veilig derde land en eiser zal dus ook moeten terugkeren naar Libië.

Verweerder heeft verder ook niet toegelicht waar dit onderscheid op is gebaseerd en waarom Khadafi-loyalisten in door GNA gecontroleerd gebied schijnbaar een groter gevaar zouden lopen dan zij die uit een niet door GNA gecontroleerd gebied afkomstig zijn. De enkele stelling ter zitting, dat dit een niet-onredelijke beleidskeuze is, is daarvoor onvoldoende.

Ook als eiser inderdaad niet tot een kwetsbare risicogroep behoort, maakt dat nog niet dat hij vanwege zijn militaire verleden binnen het Khadafi-regime niet te vrezen zou hebben voor represailles. Uit het Algemeen ambtsbericht over Libië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van april 2019 blijkt namelijk dat Khadafi-loyalisten nog altijd in de negatieve belangstelling staan van milities en brigades die zichzelf als de ‘ware revolutionairen’ beschouwden.17 Verweerder heeft in zijn beoordeling of eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor een met artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag strijdige behandeling eisers verklaringen onvoldoende betrokken en onvoldoende kenbaar afgezet tegen deze landeninformatie. Daarbij stelt verweerder onterecht dat eiser niet te vrezen heeft, omdat hij in 2014 een paspoort heeft gekregen en daarmee heeft gereisd. Eiser stelt namelijk niet zo zeer te vrezen voor de huidige autoriteiten in Libië, maar voor gewapende milities.18 Verweerder heeft verder niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de door eiser ondergane detentie en mishandeling zes jaar geleden heeft plaatsgevonden maakt dat eiser daarom niet meer te vrezen zou hebben. De enkele constatering van dit tijdsverloop is onvoldoende voor die conclusie. Dat de gemakkelijke ontsnapping niet zou wijzen op grote aandacht is daarvoor ook niet voldoende. Verweerder heeft verder ook onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheid dat eisers gezin momenteel in Libië verblijft zonder problemen te hebben de conclusie rechtvaardigt dat eiser zelf geen gevaar zou lopen.

7.4.

Verweerder heeft aldus onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat eiser bij terugkeer naar Libië zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag verboden behandeling. Het besluit kent op dit punt een motiveringsgebrek.

Conclusie

8. Omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat artikel 3 van het EVRM zich niet (duurzaam) verzet tegen terugkeer van eiser naar Libië, kunnen het in het besluit vervatte terugkeerbesluit en inreisverbod geen stand houden. Aan een inhoudelijke bespreking van wat eiser tegen het inreisverbod heeft aangevoerd komt de rechtbank daarom niet toe.

8.1.

Gelet op wat onder 7.4 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 30 september 2020 voor zover dat betrekking heeft op de toets aan artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg van verweerder ligt om te beoordelen of eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en/of artikel 3 van het Antifolterverdrag loopt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 30 september 2020 voor zover dat betrekking heeft op de toets aan artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en het inreisverbod;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. A.S.W. Kroon en mr. W.P.C.G. Derksen, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76).

2 Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1783 (overweging 3.1), en ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085 (overwegingen 9 tot en met 10.4).

3 Bijlagen 4 tot en met 8 bij de aanvullende gronden van 18 februari 2021.

4 IND-werkinstructie nr. 2005/22 (AUB), 1 juli 2005, https://ind.nl/Documents/WI_2005-22o.pdf, pagina 5.

5 Paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

6 Pagina 9 van het voornemen.

7 Pagina 5 van het rapport van aanvullend gehoor.

8 Pagina 6 van het rapport van aanvullend gehoor.

9 Pagina 9 van het rapport van aanvullend gehoor.

10 Pagina 11 van het rapport van aanvullend gehoor.

11 Pagina 9-10 van het rapport van aanvullend gehoor.

12 ABRvS 14 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8026.

13 Zie noot 11.

14 ECLI:NL:RBDHA:2019:13721.

15 ABRvS 1 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2377.

16 Paragraaf C17 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

17 Pagina 63 van dit ambtsbericht.

18 Pagina 9 van het rapport van nader gehoor.