Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/10072
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering verblijfsvergunning regulier 'familieleven artikel 8 EVRM', mvv-vereiste, familie- of gezinsleven, duurzame en exclusieve relatie, samenlevingsovereenkomst, relatieverklaring, tegenstrijdige verklaringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/10072

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Eiser heeft op 23 december 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 december 2019 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 februari 2021. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam], referente, haar zoon [naam]. Als getuigen zijn gehoord [naam] en [naam].

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Gambiaanse nationaliteit. Hij is sinds 19 december 2009 in Nederland en hij is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’, geldig van 5 januari 2010 tot 5 januari 2011, laatstelijk verlengd tot 5 januari 2016.

Verweerder heeft deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2 februari 2011 omdat eiser niet meer aan de voorwaarden voldeed.

Hierna heeft eiser meerdere aanvragen ingediend voor verblijfsvergunningen met verschillende verblijfsdoelen, waaronder ‘privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. Verweerder heeft alle aanvragen afgewezen. Op 21 mei 2014 is tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Al deze besluiten staan in rechte vast.

2. Eiser heeft op 5 februari 2018 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 EVRM’. Bij besluit van 30 april 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige mvv1 heeft en niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. De afwijzing is volgens verweerder niet in strijd met het recht op respect voor familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM2, omdat geen sprake is van bedoeld familieleven tussen eiser en referente of haar meerderjarige zoon. Subsidiair concludeert verweerder dat het onthouden van een verblijfsvergunning geen ongerechtvaardigde inbreuk is op het familieleven tussen eiser en referente. Hangende het bezwaar tegen het primaire besluit heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, bij uitspraak van 13 september 20183 bepaald dat uitzetting van eiser uit Nederland achterwege dient te blijven tot vier weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hangende het beroep van eiser tegen dit besluit heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam4, bepaald dat uitzetting van eiser achterwege blijft tot de rechtbank op het beroep heeft beslist. Verweerder heeft het besluit van 9 oktober 2018 daarna ingetrokken. Bij het bestreden besluit is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zijn uitzetting in strijd is met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op familie- en gezinsleven. Eiser stelt dat hij en referente een duurzame en exclusieve relatie hebben. Eiser verwijst naar de uitspraken van de voorzieningenrechters. In de uitspraak van 13 september 2018 is overwogen dat het op voorhand niet onaannemelijk is dat de aard van de relatie zich geleidelijk heeft ontwikkeld van een louter vriendschappelijke relatie via de rol van mantelzorger tot een affectieve relatie met meer diepgang. In zijn uitspraak van 30 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat verweerder teveel gewicht heeft toegekend aan de geconstateerde tegenstrijdigheden. In het beroepschrift heeft eiser nader gereageerd op de gestelde tegenstrijdigheden. Eiser wijst erop dat er geen twijfel bestaat over het gegeven dat hij en referente samenwonen. Het leeftijdsverschil tussen hem en referente mag zijns inziens geen argument zijn om een verblijfsvergunning te weigeren.

Volgens eiser wordt daarnaast voldaan aan alle materiële vereisten voor het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning. Er is volgens hem sprake van een bijzondere situatie. Hij doet daarbij een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 20195. De omstandigheden zijn daarbij volgens eiser zo bijzonder dat moet worden geoordeeld dat de mvv-eis van een onevenredige hardheid getuigt. Referente lijdt aan ernstige (medische) problematiek en referent inmiddels ook.

4. Uit artikel 16 van de Vw6, in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vb7 volgt dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt geweigerd, indien een geldige mvv ontbreekt. In artikel 3.71, tweede lid, van het Vb zijn de categorieën vreemdelingen opgesomd aan wie het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen, waaronder de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn8. In het derde lid van artikel 3.71 van het Vb is geregeld dat verweerder het eerste lid buiten toepassing kan laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5. Vaststaat dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. De vraag is of eiser van dit vereiste is vrijgesteld, omdat artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen zijn uitzetting. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft een ieder recht op respect van zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid moet verweerder beoordelen of sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op dit recht. Daartoe moet verweerder een belangenafweging uitvoeren, waarbij het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief migratiebeleid wordt afgewogen tegen eisers belang bij het uitoefenen van zijn recht op familie- of gezinsleven in Nederland. De uitkomst hiervan, die moet getuigen van een evenredige belangenafweging, wordt door de rechtbank enigszins terughoudend getoetst.

6. Eiser en referente stellen een partnerrelatie te hebben. Ze zijn niet gehuwd. Beiden hebben verklaard dat zij elkaar kennen sinds 2011 of 2012. Referente was toen nog getrouwd. Er was in eerste instantie een vriendschappelijke relatie. Later zijn beiden gaan samenwonen en zou eiser een rol als mantelzorger hebben gekregen. Vervolgens zou een affectieve relatie zijn ontstaan. Ter onderbouwing van hun relatie hebben zij een samenlevingsovereenkomst overgelegd, opgesteld op 19 april 2018. Daarnaast hebben zij op 24 april 2018 een relatieverklaring getekend, waarin zij verklaren dat zij met elkaar een exclusieve relatie onderhouden en dat zij daartoe een gemeenschappelijke huishouding voeren en feitelijk samenwonen. Eiser heeft zich op 6 januari 2017 ingeschreven in de BRP op het adres van referente. Eiser heeft daarnaast brieven van familie en vrienden overgelegd die bevestigen dat hij en referente een affectieve relatie onderhouden.

7. Verweerder heeft overwogen dat eiser geen beroep kan doen op bescherming van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM omdat tussen eiser en referente geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die op een lijn te stellen is met een huwelijk. Volgens verweerder is gebleken van tegenstrijdige informatie: In de samenlevingsovereenkomst staat dat eiser en referente vanaf 15 januari 2017 samenwonen, in de latere relatieverklaring staat dat dit met ingang van 15 januari 2016 het geval was.

Verweerder vindt het ook merkwaardig dat de nu gestelde partnerrelatie door eiser noch referente is genoemd in de vorige procedure en dat daarover ook in eerdere steunbetuigingen van derden niet over wordt gesproken. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft referente opgemerkt dat er in de vorige procedure nog geen sprake was van een relatie, terwijl de desbetreffende aanvraag dateerde van 24 januari 2017, dus van na de datum van samenwoning genoemd in de relatieverklaring. Ook als zou moeten worden uitgegaan van de samenlevingsovereenkomst klopt de toelichting van referente dus niet. Ook overigens geven de verklaringen van eiser en referente voor de ambtelijke hoorcommissie in bezwaar verweerder reden om te concluderen dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie: eiser twijfelde desgevraagd of hij sinds maart 2016 of 2017 met referente samenwoont; referente wist niet te vertellen waar eisers zus woont, en eiser en referente wisten onvoldoende eensluidend te verklaren over elkaars hobby’s en over hun laatste gezamenlijke uitje. Verweerder vindt het vreemd dat referente naar haar zeggen tot voor kort geen contact had met haar ex-echtgenoot, terwijl eiser heeft verklaard dat hij wel eens bij hem op bezoek is geweest. De verklaringen van familie en vrienden over de relatie van eiser met referente zijn verschillend en kunnen daarom niet dienen ter onderbouwing van de gestelde relatie. Opmerkelijk vindt verweerder ten slotte het grote leeftijdsverschil (21 jaar) tussen eiser en referente, alsook het feit dat uit de overgelegde WhatsApp-berichten tussen beiden niet blijkt van een andere dan louter vriendschappelijke relatie.

8. De rechtbank stelt vast dat het niet in geschil is dat eiser en referent ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit samenwoonden. Hiertoe hebben zij ook een samenlevingsovereenkomst gesloten. Bovendien volgt uit de overgelegde verklaringen van derden dat eiser en referent zich consequent naar de buitenwereld presenteren als partners in een duurzame en exclusieve relatie. Dat derden zich het verloop van de relatie verschillend herinneren is niet op voorhand reden om aan de relatie als zodanig twijfelen. Ook de door verweerder gesignaleerde tegenstrijdigheden en ongerijmdheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat verweerder in redelijkheid moest twijfelen aan het bestaan van een relatie die mogelijk wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM. Zoals de voorzieningenrechter in de hiervoor genoemde uitspraken heeft overwogen, valt daarbij niet uit te sluiten dat de relatie zich in de gegeven omstandigheden heeft ontwikkeld tot een affectieve relatie.

9. Verweerder heeft zich daarentegen niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aan eiser onthouden van een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente geen ongerechtvaardigde inbreuk op hun gezinsleven betekent. De rechtbank stelt vast dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in zijn belangenafweging. Daarbij heeft verweerder het van groot belang mogen vinden dat eiser in Nederland gezinsleven met referente is gaan uitoefenen, terwijl beiden wisten dat hij hier niet mocht verblijven. Op eiser rustte een terugkeerverplichting en tegen hem was een inreisverbod uitgevaardigd. Een en ander mag verweerder sterk in het nadeel van eiser wegen. Verweerder heeft verder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat het voor eiser en referente onmogelijk is om het gezinsleven in Gambia uit te oefenen. Eiser is immers geboren en getogen in Gambia en hij wordt geacht nog sterke banden te hebben met zijn land van herkomst. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waarom eiser niet zou kunnen terugkeren. De gestelde (medische) problematiek van eiser is niet onderbouwd. Dat referente niet met hem mee zou kunnen, omdat in Gambia behandelmogelijkheden voor haar psychische problemen ontbreken, is evenmin toereikend met stukken onderbouwd. Bovendien is van belang dat niet gebleken dat eiser niet alleen naar Gambia kan afreizen om daar een mvv aan te vragen, zoals hij voorafgaand aan zijn eerdere verblijfsvergunning ook heeft gedaan. Eiser heeft niet weerlegd dat referente in Nederland niet van hem afhankelijk is voor het verkrijgen van (mantel)zorg.

10. Er is geen grond voor de conclusie dat het mvv-vereiste in dit geval niet evenredig is. De enkele gestelde omstandigheid dat eiser zegt te voldoen aan alle materiële voorwaarden is hiervoor nog niet voldoende. Van bijkomende bijzondere omstandigheden die deze conclusie wel rechtvaardigen is niet gebleken. Dat eiser in de afgelopen jaren zijn privéleven in Nederland heeft bestendigd en daarbij een sociaal netwerk zegt te hebben opgebouwd, heeft hierbij geen relevante betekenis. Eiser was immers niet gerechtigd om in Nederland te verblijven.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 machtiging tot voorlopig verblijf

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 zaaknummer AWB 18/3298

4 zaaknummer AWB 18/8410

5 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1001

6 Vreemdelingenwet 2000

7 Vreemdelingenbesluit 2000

8 Artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb