Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5308

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
C/09/585234 / HA ZA 19-1286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Illegale adoptie uit Brazilië. Procedure van illegaal geadopteerde (eiser) tegen de Staat. Exhibitieincident 843a Rv . Staat wordt veroordeeld tot verstrekking van afschrift van bepaalde bescheiden onder de beperkende voorwaarden dat eiser de stukken waarvan hij een afschrift verkrijgt niet aan derden mag verschaffen en daarover aan derden ook geen mededelingen mag doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/585234 / HA ZA 19-1286

Vonnis in incident van 26 mei 2021

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] , Zwitserland,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. L.-M. Komp te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Buitenlandse Zaken) te Den Haag,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 november 2019, met drieënzestig producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met vier producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot exhibitie, met elf producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    de akte inbrengen producties, met negen producties,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident van 28 april 2021, met de daarbij behorende spreekaantekeningen van mr. Komp voornoemd en mrs. S. Heeroma en M.M. van Asperen, kantoorgenoten van mr. Bitter voornoemd, die namens de Staat ter zitting het woord hebben gevoerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

1.3.

Mrs. Komp en Bitter hebben bij brieven van 18 en 19 mei 2021 gereageerd op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten.

De illegale adoptie van [eiser]
2.2. [eiser] is op [geboortedag 1] 1980 in Brazilië geboren. Hij heeft verbleven in een weeshuis, [naam weeshuis], te [plaats 1] en is kort na zijn geboorte opgehaald door een Nederlands echtpaar, [A] en [B] (hierna: de juridische ouders). [eiser] is zowel in Brazilië als in Nederland valselijk opgegeven als biologische zoon van zijn juridische ouders. Vaststaat dat sprake is geweest van verduistering van staat (hierna, in navolging van partijen, ook aangeduid als illegale adoptie).

2.3.

Op 21 februari 1980 hebben de juridische ouders in [plaats 2] aangifte gedaan van de geboorte van [eiser] . Blijkens de Braziliaanse geboorteakte van [eiser] (niet in een Nederlandse vertaling in het geding gebracht) hebben zij daarbij aangegeven dat [eiser] hun eigen biologische kind is en hebben zij [geboortedag 2] 1980 als zijn geboortedatum opgegeven. Ook hebben zij aangegeven dat zij woonachtig zijn op het adres [adres] en dat [eiser] daar is geboren. Volgens de Braziliaanse geboorteakte was onder meer de partner van de heer [C] (over wie hierna meer in 2.8), [D] , getuige van de aangifte van de geboorte.

2.4.

De penningmeester van [naam weeshuis], [E] geheten, heeft op 25 februari 1980 in de Nederlandse taal een brief geschreven aan de juridische ouders:

“Langs deze weg willen wij U, namens de 49 kinderen van het weeshuis [naam weeshuis] van [K], hartelijk dankzeggen voor Uw financiele steun die wij mochten ontvangen.

De 4.700 cruzeiros en de 600 gulden zijn gedeponeerd op de rekening van het [naam weeshuis] e zullen worden gebruikt voor de normale huishoudelijke behoefte.”

2.5.

De Braziliaanse autoriteiten hebben op 26 februari 1980 een Braziliaans paspoort afgegeven op naam van [eiser] en met vermelding van de juridische ouders achter het kopje “Filiação Noms des parents Father’s and mother’s name”. In het paspoort zijn op een visumpagina door de Braziliaanse autoriteiten stempels geplaatst met een uitreisvisum met nummer [nr] dat ook gedateerd is op 26 februari 1980 en geldig is tot 26 augustus 1980 en met de tekst: “Apresenteu os documentos exieidos por lei.___” en “Viaja em companhia dos pais”.

2.6.

De juridische ouders zijn, met [eiser] , naar Nederland gereisd en op 8 maart 1980 op Schiphol aangekomen. In het Braziliaanse paspoort van [eiser] staat een inreisstempel te Schiphol van de Koninklijke Marechaussee Nederland met die inreisdatum.

2.7.

Op 27 april 1983 hebben de juridische ouders - volgens de letterlijke tekst van productie 80 van [eiser] - de aangifte van de geboorte van [eiser] in Brazilië doen inschrijven in het register van de burgerlijke stand te Den Haag.

Adjunct-emigratie attaché in Brazilië

2.8.

Toen [eiser] illegaal geadopteerd werd, was de heer [C] (hierna: [C] ) als adjunct-emigratie attaché in dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij was gestationeerd op het Nederlandse consulaat in [plaats 2] , Brazilië.

2.9.

Uit hoofde van zijn functie deed [C] tweemaandelijks verslag van zijn werkzaamheden, waarbij hij onder meer vermeldde wie hij had bezocht en met wie hij contact had gehad en over welke onderwerpen. Daarbij noemde hij de namen en functies van die personen.

2.10.

[C] heeft op 20 februari 1980 een brief aan de juridische grootvader van [eiser] geschreven met de volgende tekst:

“Beste [F] ,

Hierbij een briefje van je dochter en een kattebelletje van mij. Hartelijk dank voor de informatie over pensioen inkoop e.d. die ik in goede orde ontving. [B] en [A] zijn hier goed aangekomen, zij het met enige vertraging op het laatste stuk t.w. Rio – [plaats 2] . Ik was in de gelegenheid voor hun een huisje te huren, geheel gemeubileerd enz., bij ons in de buurt van een kennis, die juist op de dag dat je kinderen dus aan kwamen voor een maand naar U.S.A. ging. Hun zoontje [eiser] is een “wolk” van een jongen. Dat zullen jullie inmiddels wel gehoord hebben. Nu vandaag carnaval voorbij is kunnen we morgen beginnen met de papieren in orde te maken. [B] en [A] hebben dus wat het weer betreft al heel wat meegemaakt. De dag van aankomst dus ’s middag noodweer. […] De volgende dag opnieuw en sloeg de bliksem in hun huisje. […] Enfin verder gaat alles goed. Met hartelijke groeten [C] ”

2.11.

[C] is inmiddels overleden.

Illegale adoptie door echtpaar uit Emmen en betrokkenheid Consul te [plaats 3]

2.12.

In 1971 is een Nederlands echtpaar uit Emmen naar Brazilië gereisd en heeft met medewerking van en mogelijks zelfs op instigatie van de Consul der Nederlanden te [plaats 3] (Brazilië) een kind als ware het uit hun huwelijk geboren kind aangegeven bij de Burgerlijke Stand in Brazilië en naar Nederland meegenomen. Na een melding zijn de Nederlandse autoriteiten hiervan op de hoogte geraakt en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is in september 1972 een onderzoek gestart. Na interdepartementale correspondentie heeft de staatssecretaris van Justitie aan het OM op 11 juli 1973 bericht dat hij zich verenigt met het standpunt van de Ambassadeur in Brasilia dat geen aanleiding bestaat het voorgevallenen te zwaar aan te rekenen aan de Consul in [plaats 3] aangezien hij te goeder trouw heeft gehandeld, en dat voor strafvervolging onvoldoende aanleiding bestaat.

Vraag Nederlandse Consul-Generaal te [plaats 2] en reactie minister van Buitenlandse Zaken

2.13.

Bij brief van 24 april 1978 schrijft de Nederlandse Consul-Generaal te [plaats 2] (hierna: de Consul-Generaal) aan de Nederlandse ambassadeur in Brazilië (hierna: de Ambassadeur):

“De laatste maanden heeft een aantal Nederlandse vrouwen dit Consulaat Generaal geboorte-actes voorgelegd, veelal vergezeld van desbetreffende verklaringen van artsen of vroedvrouwen, met betrekking tot kinderen, die zij tijdens een meest kortstondig verblijf als toerist in Brazilië ter wereld zouden hebben gebracht. De personen in kwestie wilden met deze kinderen, voorzien van een Braziliaans paspoort, naar Nederland terugreizen en hadden om vrijstelling te verkrijgen van het uitreis-deposito, ad Cr.22.000,00, een consulaire verklaring nodig dat genoemde kinderen voor onbepaalde tijd in Nederland worden toegelaten.

Deze verklaringen werden dezerzijds niet geweigerd op grond van het gestelde in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 februari 1968, kenmerk [kenmerk nr 1] , t.w.: “dat het niet op de weg van de Nederlandse administratie ligt te onderzoeken of in het onderhavige geval wellicht verduistering van staat wordt gepleegd”. Er werd dan ook dezerzijds geen nader onderzoek ingesteld naar de juistheid van het gestelde in bedoelde Braziliaanse documenten, hoewel in een aantal gevallen als praktisch zeker moest worden aangenomen dat het betrof h.t.l. geadopteerde kinderen en niet kinderen geboren uit Nederlandse ouders, hier al of niet als toerist verblijvende.

Adopties zijn h.t.l. zeer eenvoudig te bewerkstelligen en het is een publiek geheim dat het niet alleen in het binnenland, maar ook in grote steden als [plaats 2] , zeer gemakkelijk is niet met de ware feiten strekkende officiële geboortenacten enz. te verkrijgen. In dit verband moge ik mij verwijzing veroorloven naar het gestelde op pagina 2 van de aan Uw ambtsvoorganger gerichte brief van de Minister van Buitenlandse Zaken dd. 20 november 1972, kenmerk [kenmerk nr 2] .

De indruk bestaat dat de laatste tijd het aantal van voorgewende geboorten van kinderen van hier als toerist of althans meer tijdelijk verblijvende Nederlandse vrouwen toenemende is, waarbij de aandacht trok dat het in meerdere gevallen betreft echtgenotes van K.L.M.-employees, die in Brazilië kwamen “bevallen”. In enkele gevallen betrof het vrouwen die enkele dagen voor de beweerde geboorte, zelfs van tweelingen, generlei waarneembaar teken vertoonden dat zij in een vergevorderde staat van zwangerschap verkeren.

Een onderzoek naar de feitelijke toedracht van zaken is in dergelijke gevallen niet mogelijk, zonder de juistheid in twijfel te trekken van officiële Braziliaanse oorkonden met alle mogelijke gevolgen van dien.

[rechtbank: ontbrekend tekstblok]

Het oordeel over de mogelijkheid en opportuniteit terzake enigerlei maatregel te nemen laat ik uiteraard over aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten.“

De Ambassadeur heeft deze brief doorgestuurd aan de minister van Buitenlandse Zaken met de vraag om zijn zienswijze.

2.14.

In een brief van 2 juni 1978 schrijft de minister van Buitenlandse Zaken in reactie daarop aan de Ambassadeur:
“In overleg met mijn ambtgenoot van justitie en de Permanente Commissie van advies voor de Burgerlijke Stand en nationaliteitsaangelegenheden, deel ik u mede dat het niet op de weg ligt van de administratie als opsporingsambtenaar op te treden.

Het is de Nederlandse autoriteiten vanzelfsprekend bekend dat te Uwent geboorteakten worden afgegeven die in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Het is echter onmogelijk in deze gevallen de ware afkomst van het kind te achterhalen zonder de Braziliaanse autoriteiten te benaderen. Hoewel de gang van zaken wordt betreurd, staan de Nederlandse autoriteiten weinig mogelijkheden ter beschikking aan de bedoelde, verkapte adoptie een einde te maken.

In de zaak [rechtbank: de naam is weggelakt] (vide onder andere [kenmerk nr 3] dd. 20 november 1972) was de Hoofdofficier van Justitie te Assen zelfs geneigd “de zaak maar te laten zoals die was”. In dat geval hadden de ouders evenwel toegegeven dat het kind niet het biologische kind van de Nederlandse moeder was en is het kind later hier te lande naar Nederlands recht geadopteerd.

Zoals u bekend is kan in het geval van verduistering van staat de wijziging van de geboorteakte alleen plaatsvinden na een bevel van de rechter, nadat verduistering van staat bij gerechtelijke uitspraak is vastgesteld.

In gevallen als de onderhavige zal het Openbaar Ministerie niet over wettig en overtuigend bewijs beschikken om te Uwent opgemaakte medische verklaring en/of geboorteakte met succes aan te tasten.

Hoewel begrip bestaat voor de verontwaardiging van de consul-generaal te [plaats 2] , zou het tegen de beginselen van de Nederlandse rechtsstaat ingaan indien, in het geval van geboorte van kinderen in Brazilië, niet – zoals bij geboorte hier te lande en in alle landen ter wereld – bewijskracht wordt toegekend aan de geboorteakte.

De administratie zal het aan het Openbaar Ministerie moeten overlaten of dat geneigd is (op aangifte van b.v. de buren, die meenden de vrouw in kwestie vóór haar vertrek naar het land Uwer vestiging, geen tekenen van zwangerschap vertoonde,) bepaalde stappen te ondernemen.

[rechtbank: ontbrekend tekstblok]

Zeer veel autoriteiten in het buitenland verbazen zich evenwel over de unieke Nederlandse praktijk, waarbij de vader, die een kind erkent, niet de biologische vader behoeft te zijn. Vele buitenlandse kinderen worden erkend door Nederlandse “vaders” en vervolgens gewettigd door opgevolgd huwelijk van de ouders, terwijl vaststaat dat de man niet de verwekker is en soms zelfs niet meer dan tien jaar ouder is dan het kind.

Zolang adoptie naar Nederlands recht nog zo moeilijk is en zolang adoptie die in het buitenland heeft plaatsgevonden, zo moeilijk wordt aanvaard, zullen zich eigenaardige situaties voordoen.”

Landelijk politieonderzoek betreffende illegale adoptiepraktijken

2.15.

In 1981 is in Nederland een politieonderzoek ingesteld onder de naam Brazil Baby Affair (hierna: BBA). Dit onderzoek heeft in september 1983 geresulteerd in een rapport. Blijkens het onderzoeksrapport, opgesteld door afdeling jeugdzaken rijkspolitie Amsterdam, is een landelijk onderzoek ingesteld naar a) de mogelijke verduistering van staat van naar Nederland overgebrachte en in Brazilië uit Braziliaanse vrouwen geboren baby’s, b) in hoeverre daarbij sprake is geweest van coördinatie/bemiddeling, al dan niet tegen financiële vergoeding, c) op welke schaal adoptie van buitenlandse kinderen op illegale wijze plaats vindt. Er zijn 71 kinderen (70 in Brazilië en 1 in Colombia geboren) opgespoord, die in 65 Nederlandse gezinnen verbleven. Alle 65 Nederlandse echtparen, behoudens één echtpaar wegens vestiging in het buitenland, met een in Brazilië geboren kind dat is opgenomen in Nederland in de periode gelegen tussen 1976 en december 1981, zijn verhoord in het kader van het onderzoek. Dit gold ook voor de juridische ouders van [eiser] .

2.16.

In een schematisch overzicht, bijlage C bij het rapport, staan de resultaten van het onderzoek vermeld. Het overzicht vermeldt de namen, geboortedata en geboorteplaatsen van de kinderen die het betreft en of sprake is geweest van verduistering van staat, illegale interlandelijke adoptie, beginseltoestemming, er een afstandsverklaring is en of hun geboorte(akte) is ingeschreven in het register van de Burgerlijke Stand van de gemeente Den Haag.

2.17.

In het onderzoeksrapport is verder onder meer vermeld:

“Vrijwel alle echtparen welke verduistering van staat hebben gepleegd, ontkennen gebruik te hebben gemaakt van bemiddeling tegen financiële vergoeding. Verschillende echtparen geven wel toe dat zij door derden geattendeerd zijn op de mogelijkheid om op reeds eerder omschreven wijze een baby uit Brazilië te krijgen en/of geholpen zijn bij het realiseren daarvan. Vrijwel geen van de echtparen wenst echter de namen te noemen van personen met wie zij in Nederland en/of Brazilië in contact zijn geweest.

Is uit de afzonderlijke verklaringen van de echtparen niet direct bemiddeling c.q. strafbare medeplichtigheid op grotere schaal af te leiden, uit de bescheiden die door de echtparen ter inzage werden afgegeven blijkt dat er wel paralellen bestaan tussen de verschillende gevallen, gezien de overeenkomende namen van personen die in Brazilië als ambtenaar van de Burgerlijke Stand, kinderrechter, notaris, getuige, tolk of vertaalster zijn opgetreden. Opvallend is dat het merendeel van deze personen een nederlandse familienaam voert. Voor een overzicht van deze personen zij verwezen naar bijlage D.

2.18.

Ook wordt in het onderzoeksrapport melding gemaakt van een televisie-uitzending van “Achter het Nieuws” waarin op 22 februari 1982 aandacht werd besteed aan het onderzoek en in Brazilië een Nederlands sprekende Braziliaanse juriste werd geïnterviewd. Volgens het rapport is de naam van deze juriste in het onderzoek meerdere malen naar voren gekomen als tolk, getuige en vertaalster. Blijkens het rapport is zij op verdenking van medeplichtigheid aan het plegen van verduistering van staat aangehouden en in voorarrest geplaatst en heeft zij bekend tegen financiële vergoeding behulpzaam te zijn geweest bij het plegen van verduistering van staat ten opzichte van dertien pasgeboren Braziliaanse baby’s. Zes van deze baby’s zijn door Nederlandse echtparen overgebracht naar Nederland, de overige baby’s werden door buitenlandse echtparen overgebracht naar West-Duitsland, Zweden en de Verenigde Staten van Amerika. Volgens het rapport bleken vrijwel alle baby’s afkomstig te zijn uit een Braziliaanse kliniek en een Braziliaans tehuis van het Leger des Heils. De informatie die verkregen is van de juriste is via Interpol Nederland doorgegeven aan de Interpolafdelingen van West-Duitsland, Zweden en de Verenigde Staten van Amerika.

2.19.

In 1984 heeft het OM besloten dat geen verdere strafrechtelijke stappen ondernomen worden in de gevallen waarin sprake was van adoptie in strijd met de geldende regelgeving. De omstandigheid dat in geen van de gevallen aanwijzingen van criminele bedoelingen zijn gevonden en overwegingen van humanitaire aard zijn daarvoor redengevend geweest. Ook de strafvervolging van de juridische ouders van [eiser] is geseponeerd.

Zoektocht biologische ouders

2.20.

[eiser] heeft lange tijd in de veronderstelling verkeerd dat hij op [geboortedag 2] 1980 in [plaats 1] is geboren en op reguliere en legale wijze is geadopteerd. Hij heeft de behoefte gekregen om zijn biologische ouders te kennen. Na een lange zoektocht heeft [eiser] in 2011 de identiteit van zijn moeder kunnen achterhalen. Zij bleek in 1985 te zijn overleden.
Verzoeken om bijstand aan ministeries

2.21.

Bij email van 21 april 2011 heeft [eiser] aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid om consulaire bijstand gevraagd in zijn zoektocht naar zijn daadwerkelijke afkomst. In een interne email van het consulaat-generaal te [plaats 2] aan die directie, Afdeling reisdocumenten, legalisaties en fraudebestrijding (hierna: DCM/RL), is naar aanleiding van dit verzoek onder meer het volgende vermeld (email 28 april 2011):

“[ [C] ] was emigratie ambtenaar, vermoedelijk gedetacheerd vanuit Sociale Zaken. Hij was vanuit dien hoofde betrokken bij het wel en wee van Nederlanders die naar Brazilië zijn geëmigreerd, maar ik betwijfel zeer of hij een mandaat had om te bemiddelen bij adoptiezaken. Het lijkt me derhalve onwaarschijnlijk dat hij daarvan een dossier aanlegde en dan nog zeer de vraag of dat dossier 30 jaar na dato kan worden achterhaald”. In een andere interne email (12 mei 2011) van het consulaat-generaal te [plaats 2] aan DCM/RL is vermeld : “Nogmaals: FORMEEL weet het CG niet dat hij zijn familie al gevonden heeft, en het is dus zaak dat DCM in het antwoord aan hem hier ook niets over laat doorschemeren. Dus slechts doorverwijzen naar de relevante instanties, en aangeven dat noch Den Haag noch CG meer voor hem kan doen dan dat.”

2.22.

Bij email van 23 mei 2011 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, DCM/RL, [eiser] bericht dat zij zorgvuldig heeft onderzocht of dit ministerie in het verleden betrokken is geweest bij zijn adoptieprocedure en dat is nagegaan of zij hem in deze zoektocht zou kunnen ondersteunen en zo niet, welke alternatieven zij dan kan bieden. De reactie vermeldt onder meer: “Uit uw mailbericht blijkt niet direct dat dit ministerie destijds betrokken is geweest bij uw adoptieprocedure. Bovendien bieden Nederlandse posten in het buitenland, tevens in de periode rond 1980, ook onderdak aan andere ministeries. Met de gegevens die u mij in uw email heeft gegeven was het voor mij niet mogelijk om te achterhalen bij welk ministerie de heer [C] in dienst zou zijn geweest. Ik ben wel nagegaan of in de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken misschien toch correspondentie over uw adoptie was opgeslagen. Maar ik kon helaas geen gegevens over u vinden. Wij nemen beschuldigingen van mogelijke betrokkenheid van ambtenaren bij illegale adopties zeer serieus, dus als u mij meer informatie zou kunnen geven rondom de personalia van deze persoon kan een nader onderzoek plaatsvinden. Ik kan niet ingaan op uw verzoek medewerking te gelasten van mevrouw N. [H] en evenmin om Interpol te vragen onderzoeksgegevens te delen. Dit valt niet binnen de bevoegdheid van dit ministerie en hiervoor moet ik u doorverwijzen naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het spijt mij dat ook dat ik u moet mededelen dat ik, hoewel ik begrip heb voor uw zoektocht, thans geen aanknopingspunten zie voor betrokkenheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken hierbij. (…)” Het ministerie heeft [eiser] verwezen naar een aantal andere instanties die hem behulpzaam zouden kunnen zijn.

2.23.

[eiser] heeft zich in 2013 tot de minister van Buitenlandse Zaken gewend met het verzoek om nader onderzoek naar de betrokkenheid van [C] bij illegale adopties. Nadien, in 2014, heeft hij zich met dit verzoek via zijn advocaat gewend tot de ministeries van Buitenlandse Zaken, Justitie en Veiligheid en SZW. Op deze brieven is, met uitzondering van die uit 2013, gereageerd door de betrokken ministeries. Bij brief van 9 maart 2015 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de advocaat van [eiser] bericht dat het dossier over adoptie in Brazilië, periode 1971-1982, vernietigd is en dat het ministerie hiertoe op 25 mei 2009 toestemming heeft verleend.

Gerechtelijke procedure tegen juridische ouders

2.24.

[eiser] heeft zijn juridische ouders aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn illegale adoptie en voor het verstrekken van onjuiste en selectieve informatie. In 2016 is hij een gerechtelijke procedure tegen hen begonnen. De rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] bij vonnis van 5 juli 20171 afgewezen. [eiser] is in hoger beroep gekomen van het vonnis, voor zover het ging om de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot het verstrekken van informatie. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 14 november 20182 het vonnis op dit onderdeel vernietigd en heeft voor recht verklaard dat de juridische ouders onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld vanwege een handelen of nalaten in strijd met de op hen rustende informatieverplichting. Het hof heeft de juridische ouders veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 13.200 wegens immateriële schade en een bedrag van € 200 wegens materiële schade.

Wob-verzoeken

2.25.

[eiser] heeft bij brieven van 2 augustus 2017 met een beroep op onder meer de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob) bij verschillende ministeries verzoeken om openbaarmaking van informatie ingediend. De ministers van SZW en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben de verzoeken van [eiser] afgewezen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft in reactie op het verzoek van [eiser] een aantal emails openbaar gemaakt, die verband hielden met het verzoek om consulaire bijstand van [eiser] in 2011. Hij heeft ook gespecificeerd dat er een dossier heeft bestaan onder de naam “334.33 Brazilië/adoptie van braziliaanse kinderen door nederlanders” met periodeaanduiding 1978-1982, dat in 2009 is vernietigd. De minister voor Rechtsbescherming is bij besluit van 20 november 2017 deels aan het verzoek van [eiser] tegemoet gekomen en heeft de informatie waarom [eiser] verzocht gedeeltelijk openbaar gemaakt. [eiser] heeft bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van de in bezwaar genoemde aanknopingspunten heeft een nieuwe zoekslag plaatsgevonden en is alsnog een groot aantal documenten aangetroffen die onder de reikwijdte van het verzoek van [eiser] vallen. In bezwaar heeft de minister voor Rechtsbescherming twee deelbeslissingen genomen, gedateerd 6 september 2018 en 6 december 2018. Het bezwaar van [eiser] is gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2017 is herroepen en er is alsnog overgegaan tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van bepaalde documenten.

Commissie onderzoek interlandelijke adoptie

2.26.

Naar aanleiding van het Wob-verzoek van [eiser] treft het Ministerie van Justitie en Veiligheid archiefstukken aan die aanwijzingen bevatten dat één of meerdere aan de Nederlandse overheid verbonden personen betrokken waren bij illegale adopties uit Brazilië uit de jaren zeventig en tachtig. De vraag van [eiser] staat niet op zichzelf. In de periode 2017-2018 ontvangt het Ministerie van Justitie en Veiligheid veertien Wob-verzoeken die betrekking hebben op adoptiemisstanden. Ook verschijnen er in de media regelmatig berichten over misstanden die in het verleden hebben plaatsgevonden. Het gegeven dat de Nederlandse overheid mogelijk bekend was met en betrokken was bij de misstanden is voor de minister voor Rechtsbescherming reden om op 18 april 2019 een onafhankelijke commissie in te stellen (hierna ook: de COIA). De commissie heeft de opdracht gekregen onderzoek te doen naar mogelijke misstanden die in het verleden bij interlandelijke adopties hebben plaatsgevonden en hierbij na te gaan wat de rol van de Nederlandse overheid was. De onderzoeksopdracht richt zich naast Brazilië op vier andere landen: Bangladesh, Colombia, Indonesië en Sri Lanka. Ook over deze landen ontving het Ministerie van Justitie en Veiligheid signalen van geadopteerden over mogelijke adoptiemisstanden.

2.27.

Het rapport van de COIA is op 8 februari 2021 verschenen. Het algemene beeld dat uit dit onderzoek naar voren komt, is dat er in de onderzochte periode sprake was van ernstige misstanden en dat de overheid en de bemiddelaars daar niet effectief tegen hebben opgetreden. Zij hebben de belangen van adoptieouders laten prevaleren en zijn daardoor tekortgeschoten in het behartigen van de belangen van zowel geadopteerden als hun geboorteouders. De COIA constateert ernstige tekortkomingen in de wijze waarop de Nederlandse overheid en bemiddelaars zijn omgegaan met adoptiemisstanden. Het vertrouwen van veel geadopteerden en andere betrokkenen in de Nederlandse overheid en bemiddelaars is hierdoor geschonden. De vastgestelde misstanden zijn, aldus de COIA, niet terug te draaien. De COIA wil daarom vooral bewerkstelligen dat de gevolgen van de misstanden voldoende aandacht krijgen en dat misstanden in de toekomst worden voorkomen. Zij doet daartoe een aantal aanbevelingen.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis:
I. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , door:

  1. de illegale adoptie van [eiser] tot stand te brengen door een Nederlandse ambtenaar, dan wel door de illegale adoptie van [eiser] niet te voorkomen, en/of

  2. de illegale adoptie van [eiser] onvolledig, dan wel onzorgvuldig te onderzoeken, en/of

  3. de omstandigheden waaronder de illegale adoptie van [eiser] heeft plaatsgevonden evenals de rol van de Staat daarbij voor [eiser] verborgen te houden, dan wel door in strijd te handelen met de verplichting om [eiser] zo veel mogelijk in staat te stellen alsnog over identiteitsbepalende informatie te beschikken,

II. de Staat veroordeelt de schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden te vergoeden, en ten dien behoeve partijen door te wijzen naar de schadestaatprocedure,

III. de Staat veroordeelt alsnog alle informatie aan [eiser] te verstrekken die de Staat bekend is over, of die verband houdt met:

  1. de personen betrokken bij illegale adopties uit Brazilië en welke rol zij daarbij hebben gespeeld;

  2. de wetenschap van de Staat over de illegale adopties vanuit Brazilië

  3. enige aanwijzing die de Staat met betrekking tot de illegale adopties uit Brazilië heeft gegeven;

  4. het BBA onderzoek en in dat kader gegeven aanwijzingen om bepaalde personen of handelingen niet, dan wel niet volledig te onderzoeken, c.q. daarover geen informatie naar buiten te brengen;

  5. de identiteit van de biologische vader van [eiser] ;

  6. enige andere informatie die verband houdt met de illegale adoptie van [eiser] uit Brazilië,

IV. de Staat veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] grondt zijn vorderingen op de aansprakelijkheid van de Staat als werkgever (artikel 1403 van het Burgerlijk Wetboek (BW) oud) en op onrechtmatige daad (artikel 1401 BW (oud)) en schending van fundamentele rechten die [eiser] heeft op grond van internationale verdagen (artikelen 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en 7, 8 en 9 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK)). Hij verwijt de Staat, in essentie, dat de Staat:

  • -

    de illegale adoptie van [eiser] tot stand heeft gebracht, of de illegale adoptie van kinderen uit Brazilië door Nederlanders, onder wie [eiser] , in strijd met de op hem rustende verplichting, niet heeft voorkomen,

  • -

    opdracht heeft gegeven de betrokkenheid van Nederlandse ambtenaren bij illegale adopties uit Brazilië buiten het BBA-onderzoek te houden, of in strijd met de op hem rustende verplichting onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar illegale adopties uit Brazilië, waaronder die van [eiser] ,

  • -

    de omstandigheden waaronder illegale adopties uit Brazilië plaatsvonden, waaronder die van [eiser] , verborgen heeft gehouden, of in strijd met de op hem rustende verplichting onvoldoende maatregelen heeft genomen om [eiser] toegang te verschaffen tot identiteitsbepalende informatie.

[eiser] stelt als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat immateriële schade te hebben geleden, bestaande uit onder meer aantasting in zijn eer en goede naam door de manier waarop zijn adoptie heeft plaatsgevonden, en materiële schade gedurende zijn zoektocht naar zijn biologische ouders en het door hem verrichte onderzoek naar de betrokkenheid van Nederlandse ambtenaren en de rol van de Staat.

3.3.

De Staat voert verweer. De Staat heeft zich aanvankelijk beroepen op verjaring van de schadevergoedingsvordering van [eiser] . Dit beroep heeft hij ingetrokken na het verschijnen van het rapport van de COIA. Hij voert, voor zover nu nog van belang, en in essentie, aan dat (i) [eiser] niet heeft aangetoond dat de Staat enige bemoeienis heeft gehad met [eiser] komst naar Nederland, (ii) wat verder zij van de bemoeienis van [C] als adjunct-emigratie attaché in dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staat als werkgever van [C] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor diens eventuele bemoeienis met het handelen van [eiser] juridische ouders, (iii) de Staat zijn ambtenaren niet heeft geïnstrueerd mee te werken aan illegaal handelen in Brazilië, en (iv) in ieder geval niet blijkt van een causaal verband tussen eventueel handelen van ambtenaren en [eiser] adoptie, althans dat [eiser] adoptie niet aan (de opstelling van) de Staat (in andere zaken) kan worden toegeschreven, en (v) het in 1981 ingestelde onderzoek heeft beantwoord aan het doel van dit onderzoek en op de Staat geen juridische verplichting rustte meer of ander onderzoek te doen. De Staat stelt zich verder op het standpunt dat hij voldoende adequaat heeft gereageerd op (Wob)verzoeken van [eiser] om nadere informatie. Ook bestrijdt de Staat dat [eiser] schade heeft geleden door het gestelde onrechtmatig handelen van de Staat, mede in het licht van de veroordeling tot vergoeding van schade die zijn juridische ouders in een eerdere procedure is opgelegd.

in het incident

3.4.

[eiser] vordert, samengevat en zoals de rechtbank het petitum van de incidentele conclusie leest gezien hoofdstuk 4 van die conclusie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

i. Primair de Staat te bevelen [eiser] binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis een – voor zover nodig opgeschoond – afschrift van de volgende bescheiden te doen toekomen:

a. de volgende twee brieven zonder dat daarin passages onleesbaar zijn gemaakt:

  • -

    i) de brief van de Consul-Generaal van het Nederlandse Consulaat te [plaats 2] van 24 april 1978 (zie productie 8 met weglakkingen);

  • -

    ii) de brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Ambassadeur van 2 juni 1978 (zie productie 9 met weglakkingen).

documenten die in het kader van het door [eiser] ingestelde Wob-verzoek zijn aangetroffen en die verband houden met het BBA-onderzoek, in het bijzonder:

( i) de ambtsberichten opgesteld over het BBA-onderzoek, daartoe behoren:

- document 26: 07.12.81 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam

- document 33: 05.04.82 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam

- document 42: 03.01.83 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam

( ii) de notulen van de vergaderingen van het College van Procureurs-Generaal en in dat kader opgestelde nota’s voor zover deze verband houden met het BBA-onderzoek, zonder dat daarin passages onleesbaar zijn gemaakt, in het bijzonder:

- document 28: 09.12.81 Notulen PG-vergadering

- document 29: 09.12.81 Weergave PG-vergadering

- document 30: 10.12.81 Nota aan SG n.a.v. PG-vergadering

- document 31: 13.01.82 Notulen PG-vergadering

- document 32: 27.01.82 Notulen PG-vergadering

- document 39: 12.05.81 Notulen PG-vergadering

- document 46: 16.01.84 Nota aan SG voor PG-vergadering

- document 49: 10.02.84 Nota aan SG n.a.v. PG-vergadering

- document 50: Gedeelte notulen PG-vergadering

- document 51: 15.02.84 Notulen PG-vergadering

bijlage C bij het BBA-rapport zonder de geboortedata- en plaatsen van de desbetreffende kinderen weg te lakken (zie productie 23 met weglakkingen).

bijlage D bij het BBA-rapport zonder de namen van de betrokken personen onleesbaar te maken (zie productie 65 voor de onleesbare versie).

het strafdossier dat is aangelegd over [G] in het kader van het BBA-onderzoek.

documenten waarmee [eiser] Nederland kon inreizen.

Subsidiair de Staat te bevelen [eiser] inzage te verlenen in en/of uittreksel te verstrekken van die bescheiden genoemd onder a) tot en met f),

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van het incident.

3.5.

De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

In geschil is of de vordering van [eiser] voldoet aan de voorwaarden van artikel 834a Rv. Dit artikel ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte, die ertoe dient om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat géén algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Gegeven dat feit en ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’ is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan meerdere beperkende voorwaarden gebonden. Ten eerste dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang te stellen en te hebben. Ten tweede moet de vordering “bepaalde bescheiden” betreffen waarover, ten derde, de verweerder daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. Ten vierde dient de eiser tot exhibitie partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien. Hieronder valt ook de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks géén gehoudenheid tot overlegging indien, ten vijfde, daarvoor gewichtige redenen zijn of indien, ten zesde, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

4.2.

Hierna beoordeelt de rechtbank per onderdeel van de vordering van [eiser] zoals hiervoor in 3.4 weergegeven, of de gevorderde afgifte van afschriften, respectievelijk inzage van de achter a) tot en met f) genoemde bescheiden vatbaar is voor toewijzing. De rechtbank komt tot een gedeeltelijke toewijzing van de vordering en verbindt aan de afgifte van een afschrift van de bescheiden die de Staat aan [eiser] in het kader van dit geding dient te verstrekken de beperkende voorwaarden dat [eiser] die stukken niet aan derden mag verschaffen en daarover aan derden ook geen mededeling mag doen.

De bescheiden achter a)

4.3.

Het gaat hier om twee brieven van de Consul-Generaal aan de Ambassadeur en van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Ambassadeur, waarvan de inhoud hiervoor in 2.14 en 2.14 is geciteerd en waarin bepaalde passages zijn weggelakt. Het is correspondentie uit 1978, waarin de Consul-Generaal aan de Ambassadeur de vraag stelt of maatregelen mogelijk en opportuun zijn naar aanleiding van verzoeken van Nederlandse vrouwen om een consulaire verklaring in verband met de uitreis van kinderen, voorzien van een Braziliaans paspoort, naar Nederland, en, na doorgeleiding door de Ambassadeur, de reactie daarop van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Ambassadeur. De Consul-Generaal heeft de indruk dat het aantal voorgewende geboorten van kinderen van hier (de rechtbank leest: in Brazilië) als toerist of meer tijdelijk verblijvende vrouwen toeneemt.

4.4.

[eiser] verwijt de Staat in de eerste plaats dat de Staat zijn illegale adoptie tot stand heeft gebracht, althans dat hij die illegale adoptie niet heeft voorkomen. Hij betrekt in dit verband onder meer de stelling dat de Staat destijds wist dat Nederlandse stellen illegaal kinderen uit Brazilië adopteerden en heeft nagelaten in te grijpen. Anders dan de Staat heeft betoogd, heeft [eiser] gelet op deze verwijten en stellingen een voldoende direct en concreet, en daarmee rechtmatig, belang bij kennisname van de integrale inhoud van deze brieven ten bewijze van de juistheid van zijn stellingen in de hoofdzaak. De rechtbank moet in de hoofdzaak de feitelijke juistheid van de stellingen van [eiser] beoordelen en als die zou komen vast te staan, vervolgens beoordelen of daaruit rechtens volgt, zoals [eiser] betoogt, dat de Staat met zijn doen of nalaten onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld en ook overigens is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid van de Staat tegenover hem. De enkele omstandigheid dat de brieven in algemene termen zijn verwoord en niet specifiek zien op [eiser] , acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat [eiser] geen voldoende direct en concreet belang heeft. Vaststaat dat [eiser] illegaal is geadopteerd. Wat en hoeveel kennis ambtenaren/werknemers van de Staat destijds hadden over de praktijk van illegale adopties uit Brazilië in algemene zin, kan, in aanmerking genomen dat vaststaat dat [eiser] illegaal is geadopteerd, bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van de Staat tegenover [eiser] . De rechtbank verwerpt het verweer van de Staat dat de brieven niet relevant zijn voor haar beoordeling omdat de brieven dateren van twee jaar voor de geboorte van [eiser] . De Staat heeft geen bescheiden in het geding gebracht die erop (kunnen) duiden dat de situatie in 1980 anders was dan in 1978. De rechtbank verwerpt ook het verweer van de Staat dat vaststaat dat de illegale adoptie van [eiser] zonder bemoeienis van de Staat heeft plaatsgevonden en dat de brieven daarom irrelevant zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat. In de hoofdzaak moet nog beoordeeld worden of en in hoeverre de Staat bemoeienis heeft gehad bij de illegale adoptie van [eiser] .

4.5.

Het beroep van de Staat op gewichtige redenen die volgens hem in de weg staan aan kennisname van de integrale inhoud van de brieven faalt. Evenmin kan op voorhand, zonder beoordeling van de hoofdzaak, met voldoende zekerheid worden gezegd dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de gevorderde gegevensverschaffing is gewaarborgd. De rechtbank neemt bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat de rechtmatigheid van de inhoud en de totstandkoming van de beslissingen op bezwaar van de minister voor Rechtsbescherming van 6 september en 6 december 2018 vaststaat (zie hiervoor in 2.25). Niet is immers in geschil dat [eiser] bestuursrechtelijk niet is opgekomen tegen die beslissingen, waarmee die beslissingen formele rechtskracht hebben verkregen. Vaststaat daarom dat er op grond van de Wob geen gronden waren voor openbaarmaking van de weggelakte passages in deze brieven. Blijkens de beslissingen op bezwaar zijn die passages weggelakt omdat die passages zien op persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad, die op grond van artikel 11 van de Wob niet openbaar worden gemaakt. Dit maakt echter niet dat zonder meer sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 843a Rv die in de weg staan aan de kennisname van de inhoud van die passages door [eiser] in deze procedure. De openbaarmaking van informatie voor het publiek, waartoe de Wob strekt, is immers een ander doel dan de toegang van een partij in een procedure tot voor in die procedure relevante informatie, waartoe de exhibitieverplichting op grond van artikel 843a Rv strekt. Zonder afbreuk te doen aan het op zichzelf beschouwd zwaarwegende belang van een ongestoorde gedachtewisseling van ambtenaren en andere bij intern beraad betrokkenen, is de rechtbank van oordeel dat het belang van [eiser] bij kennisname van ook die passages in dit geval zwaarder weegt dan dit door de Staat gestelde belang van een ongestoorde gedachtenwisseling. Redengevend daarvoor acht de rechtbank het lange tijdsverloop sinds 1978 en het mogelijke belang van juist de weggelakte passages voor de beoordeling van de vordering van [eiser] in de hoofdzaak gelet op in het bijzonder zijn verwijt dat de Staat zijn illegale adoptie tot stand heeft gebracht, althans niet heeft voorkomen.

4.6.

In het door de Staat genoemde zwaarwegende belang van een ongestoorde gedachtewisseling ziet de rechtbank wel aanleiding om op grond van artikel 29 Rv aan de verstrekking van afschriften van deze brieven beperkende voorwaarden te verbinden, zoals de Staat heeft verzocht. Het gaat hier om de voorwaarden dat [eiser] de stukken waarvan hij een afschrift verkrijgt niet aan derden mag verschaffen en daarover aan derden ook geen mededelingen mag doen. Blijkens de stukken en mededelingen van partijen ter zitting is [eiser] ook bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Dit geldt, zo overweegt de rechtbank ten overvloede, ook voor zijn advocaat.

4.7.

Voor zover de Staat zich beroept op bescherming van de privacy van de betrokkenen in de zaak die, met weglakking, geduid is in de brief van 2 juni 1978, acht de rechtbank dat beroep gerechtvaardigd. [eiser] heeft niet geconcretiseerd wat maakt dat die inbreuk noodzakelijk is in verband met de onderbouwing en het bewijs van zijn stellingen. De desbetreffende passage kan derhalve bij de verstrekking van een afschrift van deze brief weggelakt blijven.

De bescheiden achter b)

4.8.

De rechtbank stelt voorop, gelet op het verweer van de Staat op dit punt, dat zij de vordering van [eiser] ten aanzien van deze bescheiden voldoende bepaald acht voor zover de vordering ziet op de dertien achter b) onder (i) en (ii) specifiek genoemde bescheiden. Voor zover [eiser] meent dat de vordering op dit onderdeel ruimer moet worden opgevat, is de vordering onvoldoende geconcretiseerd. Het gaat om dertien bescheiden in verband met en naar aanleiding van het BBA-onderzoek (zie hiervoor in 2.15), bestaande uit enerzijds ambtsberichten van de officier van justitie aan de betrokken procureur-generaal (i) en anderzijds notulen van de vergadering van het College van procureurs-generaal en nota’s naar aanleiding van die vergaderingen aan de secretaris-generaal van het (destijds geheten) Ministerie van Justitie (ii). De bescheiden dateren uit de periode 1981-1984.

4.9.

[eiser] verwijt de Staat dat hij opdracht heeft gegeven de betrokkenheid van Nederlandse ambtenaren bij illegale adopties uit Brazilië buiten het BBA-onderzoek te houden, althans dat hij in strijd met de op hem rustende verplichting onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar illegale adopties uit Brazilië, waaronder die van [eiser] . Hij betrekt in dat verband onder meer de stelling dat de overheid een doofpot heeft gecreëerd en in stand heeft gehouden. De Staat heeft volgens hem identiteitsbepalende informatie, waaronder informatie over de omstandigheden waaronder hij is geadopteerd, voor hem achtergehouden. Voor zover de Staat betoogt dat een rechtmatig belang van [eiser] bij de bescheiden achter b) ontbreekt omdat het BBA-onderzoek niet tot doel had bij te dragen aan het opsporen van de biologische ouders van illegaal geadopteerden, waaronder die van [eiser] , faalt dit betoog. De gevorderde bescheiden in verband met het BBA-onderzoek zijn blijkens de stellingen van [eiser] niet enkel van belang in verband met de (ook door hem betrokken) stelling dat hij belemmerd is in zijn (latere) zoektocht naar zijn biologische ouders en om zijn afstamming te kunnen kennen. Het is [eiser] er in verband met het BBA-onderzoek om te doen dat de Staat volgens hem gehouden is om informatie te vergaren over zijn illegale adoptie, waaronder de betrokkenheid van Nederlandse ambtenaren daarbij, en hem die informatie te verstrekken. Hij stelt zich op het standpunt dat de Staat door dit na te laten, voor zover hier relevant wat betreft het BBA-onderzoek, inbreuk heeft gemaakt op zijn recht op identiteit en afstammingskennis. Gelet op deze verwijten en stellingen heeft hij naar het oordeel van de rechtbank een rechtmatig, want een voldoende direct en concreet belang bij integrale kennisname van de genoemde dertien bescheiden voor zover de inhoud ervan betrekking heeft op het BBA-onderzoek en/of illegale adoptie. De rechtbank acht mede van belang dat vaststaat dat alle echtparen zijn gehoord in het kader van het BBA-onderzoek (minus één in het buitenland gevestigd echtpaar), waaronder ook de juridische ouders van [eiser] , en dat blijkens de beslissing op bezwaar van de minister voor Rechtsbescherming van 6 december 2018 uit de documenten die bij dit besluit zijn gevoegd, blijkt dat er aanwijzingen zijn van mogelijke betrokkenheid van één of meerdere aan de overheid verbonden personen bij illegale adopties uit Brazilië, waaronder de illegale adoptie van [eiser] , en dat ook uit de stukken blijkt dat er mogelijk een verzoek is gedaan om deze betrokkenheid niet te betrekken bij het onderzoek door de Rijkspolitie. Welke aanwijzingen er zijn en wie er mogelijk betrokken zijn geweest, de relevantie van die feiten voor de illegale adoptie van [eiser] en de juridische beoordeling of er, mede in het licht van die feiten, sprake is van een door de Staat geschonden (positieve) verplichting van de Staat tegenover [eiser] , zoals [eiser] stelt, zijn vervolgvragen, die in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld.

4.10.

Voor zover de bescheiden achter b) mede gaan over onderwerpen die geen enkele relatie kunnen hebben met deze twee onderwerpen (BBA-onderzoek en/of illegale adoptie), heeft [eiser] geen rechtmatig belang bij kennisname van de inhoud van passages over die onderwerpen. [eiser] heeft onvoldoende feiten naar voren gebracht die erop kunnen duiden dat de Staat in strijd met de op hem rustende waarheidsplicht verweer voert. Voor zover aan de orde, kunnen in de genoemde dertien bescheiden passages over andere onderwerpen derhalve weggelakt blijven.

4.11.

Naar aanleiding van het verweer van de Staat dat de weigeringsgronden van artikel 843a Rv zich tegen verstrekking van de integrale inhoud van de gevorderde dertien bescheiden verzetten, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen zij hiervoor in 4.5 heeft overwogen. Onverkort geldt het uitgangspunt van rechtmatigheid van de beslissingen op bezwaar van de minister voor Rechtsbescherming naar aanleiding van de Wob-verzoeken van [eiser] .

4.12.

De drie ambtsberichten (de bescheiden achter (i)) bevatten blijkens de beslissing van 6 december 2018 informatie die ziet op het informatie- en instemmingsproces met betrekking tot (onderzoek) naar individuele strafzaken. Anders dan de Staat, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om [eiser] op grond van artikel 843a Rv te weigeren kennis te nemen van deze ambtsberichten. Ook hier acht de rechtbank het tijdsverloop, in dit geval sinds 1981, in samenhang bezien met de verwijten en stellingen van [eiser] in deze procedure en de feiten die tussen partijen vaststaan doorslaggevend. De rechtbank merkt op dat zij niet treedt in de beoordeling of destijds op juridisch juiste gronden besloten is tot het sepot van strafzaken tegen verdachten van verduistering van staat of andere strafbare feiten. Dit geldt ook voor het sepot van de strafzaak tegen de juridische ouders van [eiser] . Evenmin treedt zij in de beoordeling of destijds tot opsporing en vervolging van aan de overheid gelieerde personen had moeten worden overgegaan. Dat is het domein van de strafrechter. Iets anders is dat de inhoud van de drie ambtsberichten kan bijdragen aan de feitelijke onderbouwing en het bewijs van de stellingen van [eiser] in deze procedure, juist omdat de gevraagde informatie volgens de minister voor Rechtsbescherming inzicht biedt in het besluitvormingsproces dat geleid heeft tot totstandkoming, het verloop en de afwikkeling van het onderzoek van de Rijkspolitie, dat mede is uitgevoerd door de officier van justitie. De strafrechtelijke legitimiteit van de destijds genomen beslissingen en het gerechtvaardigde belang van een vrije gedachtewisseling tussen de betrokken officier van justitie en procureur-generaal over de afwegingen die in dat verband zijn gemaakt, laat onverlet dat het belang van [eiser] om met het oog op de gestelde civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat nu, zoveel jaren later, kennis te nemen van die ambtsberichten zwaarder weegt. Het belang van waarheidsvinding prevaleert hier.

4.13.

Het voorgaande geldt ook voor de notulen en nota’s (de bescheiden achter (ii)). Voor zover de Staat betoogt dat deze bescheiden persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad bevatten, prevaleert het belang van [eiser] bij waarheidsvinding. De Staat heeft daarnaast aangevoerd dat een aantal van deze bescheiden bijzondere, althans strafrechtelijke persoonsgegevens bevat (voor zover relevant voor de vordering, de documenten met de nummers 28, 31 en 36). Met de Staat deelt de rechtbank dat gelet hierop op z’n minst terughoudendheid is geboden bij toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv omdat het hier gaat om gegevens van derden die niet in deze procedure zijn betrokken. Hier staat tegenover dat gelet op de inhoud van het rapport van het BBA-onderzoek en de opmerkingen van de minister voor Rechtsbescherming in de beslissing op bezwaar over de inhoud van deze bescheiden juist die persoonsgegevens mede van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de verwijten van [eiser] aan het adres van de Staat met betrekking tot de omstandigheden waaronder zijn illegale adoptie heeft plaatsgevonden. Dit geldt in het bijzonder voor zover het gaat om gegevens die betrekking hebben op de juridische ouders van [eiser] en op [C] , maar ook om andere, al dan niet aan de overheid gelieerde, personen die betrokken kunnen zijn geweest bij zijn illegale adoptie. Zonder integrale kennisname van de genoemde bescheiden, kan dit niet worden beoordeeld. Die omstandigheid rechtvaardigt een inbreuk op de privacy van de desbetreffende derden die met de verstrekking van een afschrift van deze bescheiden aan [eiser] gemoeid is, in aanmerking genomen de daaraan verbonden beperkende voorwaarden zoals hierna in 4.15 vermeld.

4.14.

Ten slotte verwerpt de rechtbank het verweer van de Staat dat de omstandigheid dat de notulen van de vergadering van het College van procureurs-generaal van 27 januari 1982 (document nummer 32) een passage bevat waarbij de betrekkingen van Nederland met andere staten in het geding is, zich verzet tegen verstrekking van een afschrift van dat document aan [eiser] . De Staat heeft zijn verweer niet verder geconcretiseerd. Dit had, in aanmerking genomen het lange tijdsverloop en de zwaarwegendheid van het belang van [eiser] bij waarheidsvinding, wel op zijn weg gelegen. Hoezeer terughoudendheid van de Staat in algemene zin gerechtvaardigd kan zijn wat betreft de verstrekking van documenten waarbij de betrekking van Nederland met andere staten in het geding is, acht de rechtbank het verweer van de Staat op dit punt niet toereikend in dit specifieke geval van [eiser] , gegeven zijn illegale adoptie, de gestelde betrokkenheid van [C] /de Nederlandse autoriteiten bij die en andere illegale adopties en de gestelde wetenschap van de Nederlandse autoriteiten over de handelwijze van de Braziliaanse autoriteiten in verband met illegale adopties en hetgeen daarover al bekend is op basis van de hem wel verstrekte documenten.

4.15.

Zowel vanwege het belang van een vrije en vertrouwelijke gedachtewisseling tussen ambtenaren als ter voorkoming van een verdergaande inbreuk op de privacy van derden dan noodzakelijk, ziet de rechtbank ook ten aanzien van deze documenten aanleiding om aan de verstrekking van een afschrift van de bescheiden achter b) de hiervoor in 4.6 genoemde beperkende voorwaarden te verbinden.

Bescheiden achter c) en d)

4.16.

Het gaat hier om de in 2.16 en 2.17 genoemde bijlagen C en D bij het rapport van het BBA-onderzoek.

4.17.

Bijlage C heeft naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de Staat betoogt, relevantie voor de beoordeling van de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid van de Staat. Het overzicht bevat immers onder meer informatie over gevallen waarin sprake is geweest van verduistering van staat of illegale interlandelijke adoptie en ziet op de periode tussen 1976 en 1981, dus ook op het jaar 1980. De vorderingen van [eiser] tegen de Staat zien uitsluitend op hem als individu. Niettemin kan naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van bijlage C iets zeggen over de mate waarin deze strafbare feiten ten tijde van de illegale adoptie van [eiser] zijn gepleegd en daarmee, in samenhang met andere feiten, mogelijk over de wetenschap van de Staat van die feiten. De relevantie van bijlage C gaat naar het oordeel van de rechtbank echter niet verder dan voor zover de bijlage informatie bevat over de geboortejaren van de genoemde kinderen. Dit betekent dat de rest van bijlage C weggelakt mag blijven. De Staat dient derhalve een afschrift van Bijlage C te verstrekken met de in het schematisch overzicht genoemde geboortejaren van de betrokken kinderen en onder behoud van het weglakken van de persoonsgegevens die overigens in het overzicht zijn vermeld.

4.18.

Ook bijlage D doet, anders dan de Staat betoogt, ter zake voor de beoordeling van de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid van de Staat. Blijkens het onderzoeksrapport gaat het om namen van personen met een Nederlandse familienaam die in Brazilië als ambtenaar van de Burgerlijke Stand, kinderrechter, notaris, getuige, tolk of vertaalster zijn opgetreden die gemaakt hebben dat er volgens de Rijkspolitie parellellen konden worden getrokken tussen de verschillende gevallen. [eiser] heeft verslagen in het geding gebracht, geschreven door [C] in zijn hoedanigheid als adjunct-emigratie attaché, waaruit blijkt wie hij bezocht had en met wie hij contact had. Hierin worden onder meer mevrouw [H] en de heer [E] , directrice en penningmeester van [naam weeshuis], en [G] , de in het BBA-rapport genoemde tolk, genoemd en de heren [I] en [J] , die hij “over problemen adoptie Braziliaanse kinderen”, respectievelijk “inzake adoptie” heeft ontmoet. Gezien in ieder geval de verwijten van [eiser] dat de Staat zijn illegale adoptie tot stand heeft gebracht, althans dat hij deze niet heeft voorkomen en dat de Staat de omstandigheden waaronder zijn illegale adoptie heeft plaatsgevonden voor hem verborgen heeft gehouden, althans dat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om hem toegang te verschaffen tot identiteitsbepalende informatie, in samenhang bezien met de resultaten van het BBA-onderzoek, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank een rechtmatig belang, want een voldoende direct en concreet belang, bij kennisname van deze bijlage. Anders dan de Staat is de rechtbank van oordeel dat de namen van de in de bijlage D genoemde personen, in combinatie met de verslagen van [C] , en de bescheiden achter b) mogelijk bijdragen aan het bewijs van de juistheid van de stelling van [eiser] dat [C] in zijn functie op het Nederlandse consulaat activiteiten ontplooide in verband met illegale adoptie. Van een zogenoemde “fishing expedition” is, anders dan de Staat betoogt, geen sprake.

4.19.

Verder wegen de privacybelangen van de betrokken derden, hoewel zwaarwegend, niet op tegen het belang van [eiser] bij waarheidsvinding, in aanmerking genomen de ernst van de door hem gestelde feiten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [eiser] zijn aanbod tot het leveren van bewijs in de hoofdzaak moet concretiseren. In de gegeven situatie wordt hij zonder te weten wie de desbetreffende personen zijn, daarin onevenredig in zijn procespositie ten opzichte van de Staat benadeeld. Dit temeer nu [C] is overleden.

4.20.

De privacybelangen van de betrokken derden brengen wel mee dat de rechtbank het ook op dit onderdeel gerechtvaardigd acht om aan de verstrekking van een afschrift van bijlage D aan [eiser] de eerder genoemde beperkende voorwaarden te verbinden (zie 4.6).

Bescheiden achter e)

4.21.

Het gaat hier om het strafdossier van [G] , in 1980 tolk/vertaler in Brazilië en aangehouden in 1983 in Nederland. Haar strafzaak is geseponeerd, evenals die van de als verdachten aangemerkte echtparen die gehoord zijn in het kader van het BBA-onderzoek.

4.22.

De Staat heeft aangevoerd dat de vordering van [eiser] op dit onderdeel onvoldoende bepaald is, dat hij niet meer beschikt over het strafdossier van [G] gezien de geldende bewaartermijnen en dat de Wet verstrekking strafvorderlijke en justitiële gegevens (Wvsjg) zich verzet tegen de verstrekking van dit dossier. De rechtbank volgt hier het standpunt van de Staat. In algemene zin geldt dat de Staat niet verplicht kan worden om op de voet van artikel 843a Rv gegevens te verstrekken die hij (het College van procureurs-generaal) op grond van de Wvsjg niet mag verstrekken. De Wvsjg geldt in zoverre als een bijzondere wet ten opzichte van artikel 843a Rv. [eiser] heeft geen daartoe strekkend verzoek op grond van de Wvsjg aan het College van procureurs-generaal gedaan en het is niet aan de rechtbank om te beslissen of [eiser] op grond van de Wvsjg gerechtigd is tot dit strafdossier, voor zover het nog beschikbaar zou zijn. Overigens heeft [eiser] onvoldoende geconcretiseerd dat zijn belang bij waarheidsvinding, gegeven de al beschikbare informatie over [G] in het dossier en gezien de bescheiden waarvan hij nog een afschrift verkrijgt blijkens dit vonnis, zwaarder weegt dan het belang van [G] bij bescherming van haar privacy. Ook het lange tijdsverloop rechtvaardigt niet de verstrekking aan [eiser] van een afschrift van het integrale strafdossier zoals hij heeft gevorderd.

Bescheiden achter f)

4.23.

[eiser] stelt dat het hier gaat om documenten waarmee hij Nederland kon inreizen. Hij doelt blijkens de spreekaantekeningen ter zitting op het paspoort van zijn juridische ouders, de Nederlandse vertaling van zijn geboorteakte en de verklaring ten behoeve van de vrijstelling van het uitreisdeposito.

4.24.

De rechtbank stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de uitreis van [eiser] uit Brazilië en zijn inreis in Nederland. Wat betreft de uitreis is het, gezien de inhoud van de brief van 24 april 1978 van de Consul-Generaal, mogelijk dat de juridische ouders van [eiser] aan de Braziliaanse autoriteiten een uitreisdeposito moesten betalen en dat zij moesten beschikken over een Nederlandse consulaire verklaring voor langdurig verblijf om hiervan te worden vrijgesteld (zie ook hiervoor in 2.13). De Staat heeft betwist dat hij beschikt over een afschrift van een in het geval van de juridische ouders van [eiser] afgegeven consulaire verklaring. [eiser] heeft in reactie hierop geen feiten gesteld die erop kunnen duiden dat de juridische ouders van [eiser] daadwerkelijk om een dergelijke consulaire verklaring hebben verzocht. De enkele omstandigheid dat met het uitreisdeposito een hoog bedrag was gemoeid, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Gelet hierop en nu het evenzeer mogelijk is dat de juridische ouders het genoemde deposito hebben voldaan en dus niet om die consulaire verklaring hebben verzocht, strandt de vordering om een afschrift van die verklaring te verstrekken.

4.25.

Wat betreft de inreis in Nederland, heeft de Staat gemotiveerd uiteengezet dat Brazilianen destijds geen visum nodig hadden om Nederland in te reizen voor kort verblijf en dat een machtiging tot voorlopig verblijf nodig was als een vreemdeling zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet Nederland wilde inreizen en vervolgens een verblijfsvergunning wenste met het oog op langdurig verblijf en hij in Nederland daartoe een aanvraag indiende. [eiser] had, aldus de Staat, geen inreisvisum nodig, want hij was, kort gezegd, gezien zijn Braziliaanse geboorteakte als kind van zijn juridische ouders geen vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet en had de Nederlandse nationaliteit. Verder had hij een Braziliaans paspoort, waarmee hij Nederland kon inreizen en volgens het stempel in zijn paspoort van de Marechaussee ook Nederland is ingereisd. De Staat bestrijdt te beschikken over documenten die zien op de inreis van [eiser] in Nederland. In het licht van het verweer van de Staat op grond van de destijds geldende Nederlandse wet- en regelgeving heeft [eiser] onvoldoende feiten gesteld die aannemelijk maken dat er een document is waaruit blijkt dat ten behoeve van zijn inreis in 1980 een visum of machtiging voorlopig verblijf is afgegeven, althans dat zo’n document zich onder de Staat moet bevinden. Voor zover de vordering van [eiser] op dit onderdeel (mede) hierop ziet, is zij niet vatbaar voor toewijzing.

4.26.

Voor zover de vordering van [eiser] op dit onderdeel ziet op de verstrekking van een afschrift van de Nederlandse vertaling van de Braziliaanse geboorteakte van [eiser] is zij evenmin vatbaar voor toewijzing. Op zichzelf acht de rechtbank, met [eiser] , moeilijk voorstelbaar dat de juridische ouders bij de Burgerlijke Stand van de gemeente Den Haag de aangifte van de geboorte van [eiser] hebben kunnen laten inschrijven zonder te beschikken over een door de Nederlandse autoriteiten gelegaliseerde vertaling van de Braziliaanse geboorteakte. Voor zover er echter een gelegaliseerde vertaling is, zou die zich bij de gemeente Den Haag moeten bevinden. Gelet hierop en bij gebreke van nadere feitelijke aanknopingspunten aan de zijde van [eiser] in het licht van het verweer van de Staat dat hij niet over een dergelijke gelegaliseerde vertaling beschikt, strandt hierop de vordering van [eiser] op dit punt.

4.27.

Met betrekking tot de paspoorten van de juridische ouders van [eiser] overweegt de rechtbank als volgt. Onduidelijk is of [eiser] ten tijde van zijn inreis bijgeschreven was in het paspoort van één van zijn juridische ouders. De Staat heeft aangevoerd dat de aantekening waarmee [eiser] is opgenomen in het (collectieve) paspoort van zijn juridische vader op zijn vroegst op 4 maart 1987 kan zijn aangebracht, omdat dit paspoort geldig was tot 4 maart 1992 en destijds (tot januari 2014) een paspoort maximaal vier jaar geldig was. [eiser] heeft met een beroep op de, door hem zo genoemde, Handleiding uiteengezet dat dit niet zo is, althans niet zo hoeft te zijn omdat bij een latere aantekening in het paspoort, de vermelding van een eerdere aantekening moest worden uitgegumd (p. 7). Die uitleg van de Handleiding door [eiser] acht de rechtbank op zichzelf plausibel. Hier staat tegenover dat evenzeer plausibel is dat van een bijschrijving van [eiser] in het paspoort van één van zijn juridische ouders ten tijde van zijn inreis in Nederland geen sprake is geweest, omdat dit voor die inreis niet nodig was, zoals de Staat heeft betoogd. De Staat heeft ter zitting meegedeeld dat hij niet beschikt over de onder f) gevorderde stukken en dat hij niet het strafdossier van de juridische ouders van [eiser] is ingedoken, voor zover dat dossier er nog zou zijn. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank onvoldoende grond voor verstrekking van een afschrift van de paspoorten van de juridische ouders van [eiser] . Daarbij weegt de rechtbank mee dat voor zover een afschrift van die paspoorten zich onder de Staat bevindt, partijen ervan uitgaan dat die stukken onderdeel zijn van het strafdossier van de juridische ouders van [eiser] . In dat kader geldt in het algemeen de Wvsjg als bijzondere wet ten opzichte van artikel 843a Rv en is het in beginsel aan het College van procureurs-generaal om te beoordelen of er gronden bestaan voor verstrekking hiervan, terwijl [eiser] niet een daartoe strekkend verzoek op grond van de Wvsjg heeft gedaan.

4.28.

Nu het ook hier om informatie met persoonsgegevens van derden gaat, verbindt de rechtbank ook op dit onderdeel meergenoemde beperkende voorwaarden (zie 4.6).

Kosten incident

4.29.

De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Staat om binnen twee weken na heden een afschrift van de navolgende bescheiden te verstrekken:

(1) de brief van de Consul-Generaal van het Nederlandse Consulaat te São Paulo van 24 april 1978;

(2) de brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Ambassadeur van 2 juni 1978, met behoud van de weggelakte passage achter “de zaak”;

(3) document 26: 07.12.81 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam;

(4) document 33: 05.04.82 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam;

(5) document 42: 03.01.83 ambtsbericht OvJ-PG Amsterdam;

(6) document 28: 09.12.81 Notulen PG-vergadering;

(7) document 29: 09.12.81 Weergave PG-vergadering;

(8) document 30: 10.12.81 Nota aan SG n.a.v. PG-vergadering;
(9) document 31: 13.01.82 Notulen PG-vergadering;
(10) document 32: 27.01.82 Notulen PG-vergadering;
(11) document 39: 12.05.81 Notulen PG-vergadering;
(12) document 46: 16.01.84 Nota aan SG voor PG-vergadering;

(13) document 49: 10.02.84 Nota aan SG n.a.v. PG-vergadering;

(14) document 50: Gedeelte notulen PG-vergadering;
(15) document 51: 15.02.84 Notulen PG-vergadering,
met dien verstande dat in de achter (3) tot en met (15) genoemde
documenten passages die geen betrekking kunnen hebben op het BBA
onderzoek en/of illegale adoptie weggelakt mogen blijven;

  • -

    bijlage C bij het BBA-rapport met daarin alleen de geboortejaren van de desbetreffende kinderen vermeld;

  • -

    bijlage D bij het BBA-rapport;

onder de beperkende voorwaarden dat [eiser] de stukken waarvan hij een afschrift verkrijgt niet aan derden mag verschaffen en daarover aan derden ook geen mededelingen mag doen;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan tot de mondelinge behandeling in de hoofdzaak die eerder (al) bepaald is op 5 juli 2021 om 09.30 uur in de rechtbank Den Haag.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. J. Brandt en mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.

1 ECLI:NL:RBDHA:2017:6711

2 ECLI:NL:GHDHA:2018:3107