Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5299

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AWB 20/4738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, COVID-19, beroep ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/4738

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. E. EL Assrouti),

en

De minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. Eiser is niet ter zitting verschenen. Een waarnemer (mr. S. Benayad) van eisers gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 5 februari 2020 heeft eiser verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat het voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld. Bij de beslissing op bezwaar heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd en aanvullend de grond opgenomen dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een visum, omdat door de COVID-19-pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie, dit ter bescherming van de volksgezondheid.

3. Eiser voert aan dat hij het doel en de omstandigheden van zijn verblijf in Nederland wel degelijk heeft aangetoond. Ook stelt hij zich op het standpunt dat er geen sprake is van vestigingsgevaar, omdat hij als enige de zorg draagt voor zijn ouders en broertjes. Ten aanzien van de COVID-19-pandemie als afwijzingsgrond, stelt eiser dat de travel ban per 1 juli 2020 in Marokko is opgeheven. Hij verwijst hiervoor naar het artikel: “Residents of these countries can regain access to Europe (all EU and Schengen Member States and the UK), regardless of the purpose of travel.”

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Voorop wordt gesteld dat de rechtbank in zaken als deze ex-tunc moet toetsen. Dat betekent dat wordt gekeken naar de situatie zoals die was op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam. Feiten en omstandigheden die daarna zijn opgetreden kunnen dan ook niet bij de beoordeling worden betrokken.

5. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi, van de Visumcode1, voor zover hier van belang, wordt een visum geweigerd indien de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid als omschreven in artikel 2, eenentwintigste lid, van de Schengengrenscode.2

6. Op grond van artikel 2, eenentwintigste lid, van de Schengengrenscode wordt onder “gevaar voor de volksgezondheid” verstaan: elke potentieel epidemische ziekte zoals gedefinieerd in de Internationale Gezondheidsregeling van de Wereldorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voor zover het gastland beschermende regelingen treft ten aanzien van de eigen onderdanen.

7. Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie3, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat COVID-19-pandemie kan worden aangeduid als epidemische ziekte zoals bedoeld in de Schengengrenscode. Ook betwist eiser niet dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een entry ban. Daarbij is gesteld noch gebleken dat eiser behoort tot de uitzonderingscategorieën van reizigers met een essentiële functie of reizigers aan wier aanwezigheid een wezenlijk belang wordt gehecht die daarom wel toegang tot het grondgebied krijgen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook niet ten onrechte afgewezen vanwege een bedreiging van de volksgezondheid. De stelling van eiser dat de travel ban per 1 juli 2020 in Marokko is opgeheven doet hier niet aan af. Zoals onder 4 uiteengezet beoordeelt de rechtbank de situatie zoals die was op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam, in dit geval 14 mei 2020. Niet gesteld of gebleken is dat er op dat moment geen reisbeperkingen waren veroorzaakt door de COVID-19-pandemie.

9. Nu de weigeringsgrond ‘gevaar voor de volksgezondheid’ een zelfstandige en dwingende weigeringsgrond is die de afwijzing van het visum kort verblijf zelfstandig kan dragen, behoeven de overige beroepsgronden gericht tegen de inhoudelijke afwijzing geen bespreking meer. Het betoog van eiser dat er nog belang is bij een inhoudelijke beoordeling van hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de in eerste instantie tegengeworpen weigeringsgronden, omdat de afwijzing gevolgen heeft voor eventuele toekomstige aanvragen, leidt niet tot een ander oordeel. Een toekomstige aanvraag voor een visum kort verblijf zal op de eigen merites en naar de op dat moment geldende feiten en omstandigheden worden beoordeeld.

10. Tot slot is ter zitting namens eiser betoogd dat verweerder, gelet op de nieuwe afwijzingsgrond in de bezwaarfase, hem had moeten horen. Niet valt in te zien waarom deze beroepsgrond pas ter zitting is aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het eerst ter zitting aanvoeren van deze beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde4 en behoeft daarom geen verdere bespreking.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).

2 Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode).

3 Arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.

4 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1343.