Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AWB 20/3346
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis, geen officiële documenten tav de identiteit, geen bewijsnood, UNHCR registratie en ARRA verlofkaart geen substantieel indicatief bewijs, beroep ogg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/3346

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiser heeft op 22 april 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 maart 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Eiser beoogt verblijf bij zijn gestelde biologische vader, [referent] (referent). Bij besluit van [datum] is aan referent een asielvergunning verleend. Op 13 september 2017 heeft referent voor eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis in asielzaken.1

2. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 26 maart 2020 afgewezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond met officiële documenten, terwijl daarvoor geen bewijsnood wordt aangenomen. De overgelegde kopie-documenten2 kunnen volgens verweerder niet worden aangemerkt als substantieel indicatief bewijs ten aanzien van de gestelde identiteit.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij beroept zich op bewijsnood voor het overleggen van officiële identificerende documenten. Hij stelt daarbij dat hij nu niet meer in Eritrea verblijft en dat het te risicovol was om documenten tijdens zijn vlucht mee te nemen. Verweerder dient de overgelegde kopieën als substantieel indicatief bewijs aan te merken. Eiser meent dat het in de rede ligt voor verweerder om nader onderzoek aan te bieden in de vorm een hoorzitting of DNA-afname. Ten onrechte is referent in de bezwaarfase niet gehoord.

De rechtbank oordeelt als volgt

4. Bij de beoordeling van nareiszaken hanteert verweerder een vaste gedragslijn.3 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.4

5. Ten tijde van het bestreden besluit was de vaste gedragslijn neergelegd in de paragrafen C1/4.4.6 en C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) en werkinstructie 2018/20. Hieruit volgt dat de nareiziger in beginsel zijn identiteit en familierechtelijke relatie met de referent moet aantonen door middel van officiële documenten. Als de nareiziger geen officieel document kan overleggen, moet hij de reden daarvan kenbaar maken. Tevens moet de nareiziger dan zoveel mogelijk (niet-officiële) indicatieve documenten overleggen. Bij het ontbreken van officiële documenten beoordeelt verweerder of er sprake is van bewijsnood. Hiervoor is een op de persoon toegespitste, consistente en plausibele verklaring nodig waarom het ontbreken van officiële documenten hem niet toe is te rekenen. Als de nareiziger in bewijsnood verkeert of als de nareiziger substantieel indicatief bewijs betreffende zijn identiteit of familierechtelijke relatie inbrengt, biedt verweerder in beginsel nader onderzoek aan. Zolang de identiteit niet aannemelijk is wordt niet toegekomen aan de vraag naar de familierechtelijke relatie of feitelijke gezinsband met referent.

6. Niet in geschil is dat eiser geen officiële documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit informatie uit het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea uit 2018 blijkt dat alle burgers in beginsel over één of meerdere identiteitsdocumenten beschikken. Bovendien kan iedereen die 18 jaar of ouders is een nationale identiteitskaart aanvragen.5 Hierbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser ten tijde van de aanvraag 22 jaar oud was. Eiser heeft geen officieel identificerend document overgelegd, en ook geen op zijn persoon toegespitste verklaring gegeven voor het ontbreken van dit document. Eisers stelling dat hij inmiddels niet meer in Eritrea verblijft, hij zich daardoor niet meer kan wenden tot de Eritrese autoriteiten, leidt niet tot een geslaagd beroep. Allereerst verlangt verweerder niet van eiser dat hij zich alsnog tot de Eritrese autoriteiten wendt. Bovendien levert dit geen plausibele verklaring op voor de stelling dat hij niet in het bezit is geweest van identiteitsdocumenten. Eisers verklaring dat het te risicovol zou zijn geweest om bij zijn vertrek uit Eritrea documenten mee te nemen indien en voor zover hij die al in zijn bezit had, is geen voldoende concrete en daarmee geen plausibele verklaring voor het ontbreken van officiële identificerende documenten. Verweerder heeft in dit verband dan ook terecht geen bewijsnood aangenomen.

7. Verweerder heeft de kopieën van eisers registratie bij het UNHCR en van een verlofkaart van de ARRA niet hoeven aanmerken als substantieel indicatief bewijs. Eiser heeft geen ander (onofficieel) document overgelegd dat de gegevens op de kopieën onderbouwen en hij heeft evenmin aangetoond op basis van welke informatie de beide documenten zijn opgemaakt.6

8. Nu er geen officiële of substantiële indicatieve documenten zijn overgelegd ter onderbouwing van eisers identiteit, was verweerder niet gehouden om eisers identiteit nader te onderzoeken. Verweerder is daardoor niet toegekomen aan de beoordeling van de familierechtelijke relatie.7 Eiser is terecht niet in aanmerking gebracht voor nareis.

9. Tot slot kan verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb8 afzien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op wat eiser hiertegen in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder terecht gesteld dat aan deze maatstaf is voldaan. Verweerder heeft daarom van het horen van referent kunnen afzien. Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 2p, eerste lid, in samenhang met artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Kopie registratie van The office of the United Nations High Commissioner for refugees (UNHCR) en een kopie van een verlofkaart van Administration for Refugee and Returnee Affairs in Ethiopië (ARRA).

3 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2018: ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640.

4 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

5 Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2018, p.21.

6 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:756.

7 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2019, ECLI:NL:RVS:2020:3884.

8 Algemene wet bestuursrecht.