Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5271

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
AWB 19/9838
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Turkse. mvv. 8 EVRM. Kind uit niet huwelijkse relatie. Niet gebleken van beschermingswaardig gezinsleven. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/9838


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Arslan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Griffioen).

Procesverloop

In het besluit van 2 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.

In het besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

In het besluit van 16 juni 2020 (het aanvullend besluit) is verweerder ingegaan op de inhoudelijke gronden en heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brieven van 23 juni 2020 en 16 december 2020 op het aanvullend besluit gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden per Skypeverbinding op 16 maart 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vader van eiser,
dhr. [vader] , is verschenen. Als tolk is verschenen mevrouw L. Demir. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 19 juni 2019 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn vader, [vader] (referent).

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser feitelijk tot het gezin van zijn vader behoort. Niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn vader waardoor geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is niet gebleken dat zijn vader het gezag heeft over hem en is niet aangetoond dat zijn vader aan het middelenvereiste voldoet.

3. Eiser voert aan dat hij familieleven heeft met zijn vader. Zijn vader was direct betrokken bij zijn opvoeding en heeft hem altijd financieel ondersteund. Dagelijks heeft eiser contact met zijn vader via de telefoon en andere media. Inmiddels is eiser meerderjarig geworden waardoor het niet mogelijk is om een officieel document met betrekking tot het gezag te verkrijgen. Het juridisch vaderschap is echter middels de overgelegde documenten aangetoond. Voorts voldoet de vader van eiser aan het middelenvereiste. Hij is in loondienst voor onbepaalde tijd bij Loonbedrijf Capitol v.o.f. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM en op het Associatiebesluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet gehoord in bezwaar.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Uit het arrest L. tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 1 juni 2004 (ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299) volgt dat als sprake is van een kind dat niet is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie - enkel biologisch verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Het al dan niet bestaan van beschermenswaardig gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Om het bestaan van hechte persoonlijke banden aan te nemen, mag in beginsel worden vereist dat al in gezinsverband is samengeleefd, maar kunnen in uitzonderlijke gevallen ook andere factoren een rol spelen.1

4.2.

Ingevolge artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Vb verleend aan:

“[…];

c. het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel

van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot

het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon

staat.”

4.3.

Ingevolgde paragraaf B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neemt verweerder aan dat het kind feitelijk tot het gezin van de referent behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

5. Niet in geschil is dat eiser is geboren uit een niet-huwelijkse relatie tussen zijn moeder en referent. Middels een DNA test heeft eiser aangetoond dat referent zijn biologische vader is. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag of er sprake is van familieleven tussen eiser en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken dat eiser feitelijk tot het gezin behoort van zijn vader. Eiser woont al zijn hele leven in Turkije. Hij heeft nooit met zijn vader in gezinsverband samengewoond, zodat slechts onder bijzondere omstandigheden sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Het enkele feit dat eiser het biologische kind van zijn vader is, is onvoldoende. De omstandigheden die door eiser zijn aangevoerd, dat hij dagelijks contact heeft met zijn vader, dat zijn vader hem altijd financieel heeft ondersteund en dat zijn vader instructies heeft gegeven voor zijn opvoeding, opleiding, zijn niet met stukken onderbouwd. Voorts is de omstandigheid dat zijn vader bij hem verbleef als hij naar Turkije ging, niet met stukken onderbouwd en tevens onvoldoende om beschermenswaardig gezinsleven aan te nemen.

5.2.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat de vader van eiser zijn zoon graag bij zich in Nederland wil hebben, is niet gebleken dat er sprake is van beschemenswaardig gezinsleven. Immers niet is aangetoond dat eiser feitelijk deel uitmaakt van het gezin van zijn vader, als bedoeld in artikel 3.14, onder c, van het Vb. De voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.13 van het Vb zijn cumulatief, zodat verweerder reeds hierom de afwijzing van de aanvraag terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de bespreking van de andere door eiser aangevoerde beroepsgronden.

6. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021.

De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie het arrest Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van het EHRM van 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806.