Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5266

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AWB 20/7761
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 21 VWEU, daadwerkelijk verblijf, onvoldoende bewijs van administratieve en feitelijke aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/7761

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 september 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [referent]referent) en [naam] (tolk).

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum], heeft de Russische nationaliteit en is op [datum] gehuwd met referent. Zij beoogt verblijf bij referent, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op 29 januari 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw1 (EU2-verblijfsdocument).

2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit van 12 juni 2020 afgewezen en die afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en referent daadwerkelijk drie maanden aaneengesloten samen in België hebben verbleven en aldaar gezinsleven hebben opgebouwd en bestendigd. Dit daadwerkelijke verblijf dient te worden onderbouwd met bewijs van zowel feitelijke als administratieve aard. Met het door haar overgelegde bewijs heeft eiseres niet aangetoond dat in haar geval een afgeleid verblijfsrecht bestaat in de zin van artikel 21, eerste lid, van het VWEU.3

3. Eiseres stelt dat zij weldegelijk voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk ten minste drie maanden met referent in België heeft samengewoond en hun gezinsleven daar heeft bestendigd. Eiseres verwijst daarbij naar de richtsnoeren bij de Verblijfsrichtlijn4 en stelt aan twee van de drie daarin genoemde vereisten (het voldoen aan nationale inschrijvingsformaliteiten en het zorgen voor huisvesting) te hebben voldaan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op de door haar overgelegde bewijzen van administratieve aard. Voor het ontbreken van verdere bewijzen van administratieve en/of feitelijke aard is volgens haar een plausibele verklaring gegeven. Verweerder heeft ten onrechte geen gewicht toegekend aan de overgelegde getuigenverklaringen en hij heeft onvoldoende rekening gehouden met de ziekte van referent als bijzondere omstandigheid. Het ligt op de weg van verweerder om nader onderzoek uit te voeren, indien hij twijfelt aan het daadwerkelijk verblijf.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft een derdelander een (afgeleid) verblijfsrecht in het geval dat een Unieburger met die derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf overeenkomstig de voorwaarden van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn in een andere lidstaat dan die waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit, wanneer die Unieburger met die derdelander terugkeert naar zijn eigen lidstaat.5 Om te spreken van een daadwerkelijk verblijf moet sprake zijn geweest van een aaneengesloten verblijf in een gastland van ten minste drie maanden. Dit dient de vreemdeling aannemelijk te maken met bewijs van zowel administratieve als feitelijke aard.6

5. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag kopieën van diverse documenten overgelegd die hoofdzakelijk zien op referent. Voor de administratieve en feitelijke onderbouwing van haar eigen verblijf in België heeft eiseres uitsluitend een aankomstverklaring van de Belgische gemeente Boortmeerbeek, gedateerd 23 september 2019, overgelegd en verder twee foto’s en schriftelijke verklaringen van verschillende familieleden, onder wie de oom van referent. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk gedurende drie maanden samen met referent in België heeft verbleven. In het bestreden besluit is hierover terecht overwogen dat de overgelegde foto’s slechts momentopnames zijn en dat de verklaringen van de familieleden onvoldoende betekenis hebben omdat zij niet objectief verifieerbaar zijn. Objectief bewijs van daadwerkelijk verblijf van eiseres in België ontbreekt. Eiseres meent dat zij een plausibele verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van nader bewijs. Zij stelt in dat verband dat er geen huurcontract was of afschrijvingen van vaste lasten, omdat eiseres en referent gratis inwoonden bij een oom. Omdat ze geen inkomen hadden en nauwelijks uitgaven, hebben zij in België geen bankrekening geopend. Eiseres mocht in België niet werken en referent kan vanwege zijn ziekte niet werken. Vanwege zijn instabiele gezondheidssituatie kon referent ook niet wisselen van behandelaar.

Dit alles neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat eiseres geen enkel objectief bewijs van feitelijke aard heeft overgelegd dat duidt op haar daadwerkelijke verblijf met referent in België gedurende ten minste drie maanden. Anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, moet uit de voorwaarde van ‘daadwerkelijk verblijf’ zoals geformuleerd in het arrest O. en B.7 weldegelijk worden afgeleid dat bewijs van feitelijke aard wordt gevraagd.

6. Onder deze omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om zelfstandig nader onderzoek te verrichten of om eiseres te horen. Het ligt niet zozeer op de weg van verweerder als wel op die van eiseres om desnoods bij de Belgische autoriteiten bewijs te vergaren van haar daadwerkelijke verblijf. Het beroep van eiseres op de richtsnoeren slaagt daarom ook niet. Niet is gebleken dat verweerder niet alle hem bekende feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestaan van een afgeleid verblijfsrecht in de zin van artikel 21, eerste lid, van het VWEU niet is aangetoond.

8. Het beroep is ongegrond.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Europese Unie.

3 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

4 Richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn), (COM(2009) 313).

5 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 12 maart 2014, zaak C-456/12, O. en B (ECLI:EU:C:2014:135).

6 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:517).

7 HvJ EU 12 maart 2014, C-456/12 (ECLI:EU:C:2014:135).