Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5248

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
NL21.5337
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veilig land van herkomst Marokko. Naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:738 heeft op 6 mei 2021 een nieuwe herbeoordeling plaatsgevonden. In die herbeoordeling is de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst voortgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze herbeoordeling niet in overeenstemming is met artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko in zijn specifieke geval niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De asielaanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5337


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Vissers).


Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser

tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene

procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast wordt eiser een vertrektermijn

onthouden en dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten. Het inreisverbod dat is opgelegd

door de Belgische autoriteiten blijft gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.5338,

plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum eiser] .

2. Op 24 januari 2021 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten

grondslag dat hij in Marokko in armoede leefde en daarom zijn leven wilde verbeteren.

Door armoede kreeg hij niet altijd de kans om naar school te gaan en als hij naar school ging

werd hij onderdrukt en mishandeld door racistische docenten. Ook stelt eiser in de periode

1999 - 2004 meerdere malen te zijn mishandeld door de Marokkaanse politie, omdat hij

Marokko illegaal probeerde te verlaten. Daarnaast legt hij aan zijn asielaanvraag ten

grondslag dat Marokko corrupt is. Mede daarom had het geen nut om aangifte te doen in het

land van herkomst.

2. Verweerder onderscheidt de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- bejegening door de Marokkaanse autoriteiten, zoals de mishandelingen;

- bejegening door docenten op school, zoals de mishandelingen.

Eisers nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Zijn identiteit en de gestelde

bejegening door de Marokkaanse autoriteiten en door de docenten op school zijn niet

geloofwaardig bevonden. De sociaal-economische problemen die eiser ten grondslag heeft

gelegd aan zijn asielaanvraag zijn door verweerder niet getoetst op geloofwaardigheid,

omdat deze geen raakvlakken hebben met het vluchtelingschap. Daarnaast stelt verweerder

dat in zijn algemeenheid afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers

asielrelaas, omdat uit informatie van Zweden en Denemarken is gebleken dat hij aldaar

bekend is onder ander personalia en omdat hij inconsistent heeft verklaard over zijn reden

van vertrek. In het politieverhoor en het Dublingehoor verklaart eiser dat hij in Marokko

met de dood is bedreigd. Eiser heeft hier niets over gezegd in het veilig land gehoor (VLG),

terwijl hij voldoende in de gelegenheid is gesteld om toevoegingen aan zijn relaas in te

brengen of om andere redenen van vertrek naar voren te brengen. Daarnaast heeft eiser vaag

en wisselend verklaard ten aanzien van de gestelde mishandelingen door de politie en de

gestelde bejegening door docenten. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als

kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000

(Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder

heeft Marokko aangewezen als veilig land van herkomst en eiser heeft niet aannemelijk

gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is.

3. Eiser verzoekt de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen.

3.1.

De rechtbank overweegt dat de verwijzing naar de zienswijze met het verzoek die als herhaald en ingelast te beschouwen, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser en met dit verzoek geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. De rechtbank gaat daarom aan dit verzoek voorbij.

4. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet medisch is onderzocht terwijl daar wel

aanleiding voor bestond. Hij is op jonge leeftijd gevlucht uit Marokko en zwerft al ruim

achttien jaar rond in Europa. Eiser leidt aan psychische problemen, die zich uiten in

zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Daardoor bestaat de gerede kans dat hetgeen hem

is overkomen invloed heeft op de mate waarin hij in staat is om gedetailleerde verklaringen

af te leggen, aldus eiser. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank,

zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1381, stelt

eiser zich op het standpunt dat verweerder in strijd handelt met artikel 24 van de

Procedurerichtlijn door hem een medisch onderzoek te onthouden.

4.1.

In opdracht van verweerder onderzoekt Medifirst (vervangt sinds 1 maart 2021

FMMU) of er medische factoren zijn die de vreemdeling beperken in het horen en verklaren

en of er medische problemen zijn die gevolgen kunnen hebben voor het gehoor en de

interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling. In artikel 3.109ca, eerste lid, van het

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat welke procedurele waarborgen niet van toepassing

zijn wanneer een aanvraag vermoedelijk kennelijk ongegrond wordt verklaard met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De vreemdeling wordt

in zo een geval ook geen medisch onderzoek geboden (zie artikel 3.109, zesde lid, van het

Vb).

4.2.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser ten onrechte geen medisch

onderzoek is aangeboden en dat hij door het achterwege blijven hiervan is benadeeld.

Zowel voorafgaand als gedurende het aanmeldgehoor zijn geen beperkingen kenbaar

gemaakt die erop duiden dat eiser niet in staat is om een consistente en gerichte verklaring

af te leggen. In het aanmeldgehoor verklaart eiser dat hij zich lichamelijk en geestelijk in

staat voelt om het gehoor plaats te laten vinden. Daar voegt hij aan toe dat hij denkt dat uit

een medisch onderzoek zal blijken dat hij niet gezond is. Hij stelt onder meer last te hebben

van zijn maag, flauw te vallen en te trillen als hij een aanval krijgt. Daarop reageert de

gehoorambtenaar met de opmerking dat hij naar het GZA kan gaan als hij klachten

ontwikkelt. Aan eiser is vervolgens nogmaals gevraagd of hij zich lichamelijk in staat voelt

om dit gesprek te voeren, waarop hij verklaart dat als hij zich niet goed voelt, hij dit gesprek

gaat doen. Naar aanleiding van dit enigszins onduidelijke antwoord is de vervolgvraag

gesteld of eiser zich geestelijk in orde voelt, waarop hij bevestigend antwoordt. Gedurende

het gehoor blijkt meerdere malen dat eiser zijn stem verheft, dat hem moet worden verzocht

om gericht antwoord te geven op de vragen (zie bijvoorbeeld pagina 2, 7, 9, 10) en dat

discussies ontstonden tussen hem en de gehoorambtenaar (zie bijvoorbeeld pagina 2, 7, 8 en

10). Uit het verslag van het gehoor blijkt echter niet dat eiser niet in staat is geweest om een

adequate verklaring af te leggen. Ook uit het verslag van het VLG-gehoor blijkt niet dat

eiser onmiskenbaar niet in staat was om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Naast dat

eiser verklaart dat hij kerngezond is en in staat is om dit gehoor plaats te laten vinden,

verklaart hij dat hij zichzelf verwondt, laat hij een litteken op zijn arm zien en vertelt hij dat

hij paranoia is geworden (pagina 2 en 4). Echter blijkt uit zowel het VLG- als het

aanmeldgehoor niet dat hij onsamenhangend of warrig heeft verklaard. Naar het oordeel van

de rechtbank heeft verweerder zich dan ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld

dat zich in beide gehoren geen indicaties voordeden op basis waarvan medisch advies had

moeten worden gevraagd. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-

Hertogenbosch, ziet de rechtbank in dit geval geen reden voor een andersluidend oordeel.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat verweerder Marokko ten onrechte aanmerkt als veilig land van

herkomst. Primair stelt eiser dat Marokko in zijn algemeenheid niet als veilig land van

herkomst kan worden beschouwd, omdat de herbeoordeling van Marokko als veilig land van

herkomst onzorgvuldig is en onvoldoende is gemotiveerd. Ter onderbouwing verwijst hij

naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling),

van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:738. Volgens eiser heeft verweerder bij de

herbeoordeling niet de juiste bronnen gebruikt. Daarnaast betoogt eiser dat Marokko in zijn

individuele geval niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Hiertoe voert

eiser aan dat verweerder de mishandelingen door de Marokkaanse autoriteiten en de slechte

bejegening ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Onder verwijzing naar een brief

van documentalist [naam] van Vluchtelingenwerk Nederland van 13 april 2021 stelt eiser

dat Marokko corrupt is en onvoldoende bescherming biedt, waardoor het geen zin heeft om

hiertegen in Marokko bescherming in te roepen.

5.1.

In 2016 heeft verweerder Marokko op basis van algemene landeninformatie

aangewezen als veilig land van herkomst. Bij uitspraken van onder meer 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:209 en ECLI:NL:RVS:2017:210) en de uitspraak van 19 maart 2019

(ECLI:NL:RVS:2019:902) heeft de Afdeling geoordeeld dat deze aanwijzing terecht is. Op

30 september 2020 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden en is deze aanwijzing

voortgezet.

5.1.1.

In de Afdelingsuitspraak van 7 april 2021 was de vraag aan de orde of de manier

waarop verweerder de situatie van als veilige landen van herkomst aangewezen landen

herbeoordeelt, in overeenstemming is met artikel 37 van de Procedurerichtlijn en artikel

3.105ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft

inmiddels een herbeoordeling plaatsgevonden op 6 mei 2021. In die herbeoordeling is de

aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst wederom voorgezet, met de

toevoeging van enkele nieuwe uitzonderingsgroepen. Bij de herbeoordeling heeft

verweerder geen gebruik gemaakt van de in artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn

genoemde bronnen. Verweerder heeft toegelicht dat er geen actuele rapportages zijn

gevonden van het EASO, de UNHCR of de Raad van Europa die bruikbaar zijn voor de

herbeoordeling. Uit de toelichting die als bijlage is toegevoegd aan de brief Herbeoordeling

veilige landen van herkomst Georgië, Marokko en Tunesië, blijkt dat de herbeoordeling is

gebaseerd op relevante, actuele bronnen van andere gezaghebbende instanties, waaronder

Amnesty International, Freedom House, Human Rights Watch en US State Department.

Verweerder motiveert onder verwijzing naar deze bronnen dat niet is gebleken dat er een

achteruitgang is in Marokko op gebied van democratisch bestuur en bescherming van het

recht op vrijheid en veiligheid van de persoon. Hoewel qua vrijheid van meningsuiting en

vrijheid van vereniging restricties zijn als gevolg van de coronamaatregelen, zijn deze

restricties niet aanmerkelijk. Ook verder is niet gebleken van aanzienlijke achteruitgang.

5.2.

Eiser heeft de herbeoordeling van 6 mei 2021 niet inhoudelijk betwist. De

rechtbank constateert dat de door hem bedoelde bronnen, in ieder geval gedeeltelijk, zijn

betrokken bij de beoordeling. In hetgeen eiser stelt ziet de rechtbank dan ook geen

aanleiding voor het oordeel dat de herbeoordeling van Marokko als veilig land van

herkomst, van 6 mei 2021 niet in overeenstemming is met artikel 37, derde lid, van de

Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op het voorgaande op het

standpunt heeft kunnen stellen dat Marokko in zijn algemeenheid als veilig land van

herkomst is aan te merken. Dit betekent dat er een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat

vreemdelingen uit Marokko geen bescherming nodig hebben. Het is aan eiser om

aannemelijk te maken dat Marokko voor hem geen veilig land van herkomst is en dat de

Marokkaanse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden.

5.4.

Verweerder acht de negatieve bejegening en mishandeling door de docenten en de

Marokkaanse autoriteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig. Ten aanzien van de docenten

maakt eiser in zijn verklaringen niet inzichtelijk op welke wijze en hoe vaak hij slecht is

bejegend of mishandeld. Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij is mishandeld

door de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder werpt eiser niet ten onrechte tegen dat

afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring, omdat hij op de vraag

hoe vaak hij is mishandeld aanvankelijk verklaart dat hij niet kan zeggen hoe vaak hij is

mishandeld terwijl hij op de vervolgvraag of hij een indicatie kan geven, verklaart dat hij

dagelijks werd mishandeld. Een dergelijke verklaring bevreemdt omdat niet valt in te zien waarom eiser dit niet eerste instantie heeft verklaard. Een dagelijkse mishandeling kan hem

immers niet zijn ontgaan. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de

autoriteiten onvoldoende bescherming bieden, omdat zij corrupt zijn. Uit de overgelegde

brief van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat zich situaties hebben voorgedaan waarbij

martelingen door veiligheidsdiensten hebben plaatsgevonden of waarbij excessief geweld is

gebruikt door de autoriteiten. Hieruit volgt echter niet dat het voor hem niet mogelijk is om,

daar waar misstanden zich voordoen, aangifte te doen of dat het niet mogelijk is om de

bescherming van de Marokkaanse autoriteiten in te roepen. Niet is gebleken dat eiser

tevergeefs aangifte heeft gedaan of dat hij dit niet heeft kunnen doen. De verklaring dat hij

met aangifte bij de politie niets zal bereiken, is gebaseerd op een aanname en blijkt verder

ook niet uit voornoemde brief. De beroepsgrond slaagt niet.

6. De slotsom is dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.R. de Man, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.