Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
NL21.4466
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA - Suriname, LHBTI, ondervonden discriminatie onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Niet aannemelijk dat eiser niet meer wordt behandeld voor zijn hiv-infectie bij terugkeer naar Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4466


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.M. Pot),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1993. Eiser is homoseksueel en heeft verklaard dat hij in Suriname niet werd geaccepteerd door zijn familie en omgeving. Eiser heeft verklaard dat hij regelmatig werd beledigd en vernederd en dat hij een keer op straat is bekogeld met stenen door een jongen uit de buurt. Hij is toen naar de politie gegaan om bescherming te vragen maar de agenten hebben niets gedaan. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2014 hiv-positief is getest. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij met de dood is bedreigd door zijn ex-vriend via telefoon en berichten op WhatsApp.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. homoseksuele gerichtheid; 3. discriminatie en mishandeling vanwege homoseksuele gerichtheid; 4. doodsbedreiging door ex-partner.

Verweerder heeft alle elementen geloofwaardig geacht, maar de asielaanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat eiser persoonlijk heeft te vrezen van de autoriteiten van Suriname of van anderen binnen Suriname. Homoseksualiteit is niet strafbaar in Suriname en LHBTI’s kunnen over het algemeen rekenen op bescherming van de autoriteiten. Eiser woont zijn hele leven in Suriname en heeft betekenisvol inhoud kunnen geven aan zijn geaardheid. Van hem mag worden verwacht zich bij problemen naar de autoriteiten te wenden. Hierdoor is het niet aannemelijk dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM1 of het Vluchtelingenverdrag2.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betoogt dat hij als LHBTI’er bescherming nodig heeft als vluchteling. Openbare bronnen tonen een ander beeld over de samenleving en onderdrukking van LHBTI’s dan het beeld dat verweerder schept. Eiser verwijst in dit verband naar een rapport van Freedom House3, een rapport van de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association4 en een rapport van de US Department of State5. Verweerder heeft daarbij onvoldoende betrokken dat Suriname als een groot dorp moet worden gezien. Eiser kon geen openlijk leven leiden of een zinvolle invulling geven aan zijn geaardheid, wat blijkt uit de verklaringen over zijn terughoudende opstelling. Eiser is verder van mening dat de coronacrisis een negatieve invloed zal hebben op het kunnen krijgen van zijn hiv-behandeling in Suriname. Eiser verwijst in dit verband naar drie berichten van het Aidsfonds6 en een bericht van Nationale Zorggids7. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar de zienswijze betrokken. Verder stelt eiser dat hij een plausibele verklaring heeft gegeven voor het laat indienen van zijn asielaanvraag. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte de aanvraag kennelijk ongegrond heeft geacht, een inreisverbod heeft opgelegd en een vertrektermijn heeft gegeven.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Uit de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde informatie blijkt dat homoseksualiteit in Suriname niet strafbaar is en LHBTI’s in het algemeen kunnen rekenen op bescherming van de autoriteiten. Ook discriminatie op basis van seksuele gerichtheid is strafbaar gesteld. Uit de informatie waar eiser naar verwijst, komt naar voren dat homoseksuelen in Suriname niet altijd worden geaccepteerd en zij makkelijk doelwit zijn van discriminatie en misbruik door de politie en de maatschappij. Verder staat hierin dat meldingen bij de politie niet altijd serieus worden genomen en dat er meldingen zijn van misbruik door de politie. Hoewel uit de informatie van eiser volgt dat de situatie van LHBTI’s in Suriname zorgelijk is, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie niet zo ernstig dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren.

5.2.

Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat de problemen die hij heeft ondervonden verder gaan dan de problemen van LHBTI’s in Suriname in het algemeen. De manier waarop eiser door medeburgers is behandeld geeft – hoe vervelend dit ook voor eiser moet zijn geweest – onvoldoende reden om te concluderen dat van een zodanige beperking van de bestaansmogelijkheden sprake was, dat het functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied objectief bezien voor hem onmogelijk was. Eiser heeft immers een opleiding kunnen volgen tot leraar, gewerkt in een copycenter en voor de stichting Suriname Men United en hij is behandeld voor zijn hiv-infectie. De door eiser ondervonden discriminatie en vernederingen en de omstandigheid dat hij zich als gevolg daarvan terughoudend heeft opgesteld bij het uiten van zijn seksualiteit, betekenen niet dat hij zo ernstig wordt beperkt in zijn functioneren dat moet worden geoordeeld dat hij wordt vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag of behandeld in strijd met artikel 3 EVRM.

5.3.

De stelling van eiser dat hij ten gevolge van de coronacrisis mogelijk geen behandeling meer kan krijgen in Suriname voor zijn hiv-infectie, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling algemene stukken overgelegd die niets zeggen over zijn eigen situatie. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf niet meer zou worden behandeld voor zijn hiv-infectie bij terugkeer naar Suriname.

6. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. Dat verweerder niet kenbaar op alle punten uit de zienswijze is ingegaan, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft de bescherming van LHBTI’s als vluchteling en artikel 3 van het EVRM getoetst en daarbij de individuele omstandigheden van eiser betrokken. De rechtbank ziet niet in dat de ingediende zienswijze daarbij onvoldoende of onjuist is betrokken. Het leeftijdsverschil voor het toestaan van seksuele relaties bij LHBTI’s of het niet mogen trouwen, maakt niet dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

7. Ook heeft verweerder gemotiveerd waarom hij de aanvraag afwijst als kennelijk ongegrond. Het visum van eiser is op 1 februari 2018 verlopen en hij heeft pas op 29 juli 2020 een asielaanvraag ingediend. De verklaring hiervoor heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Vervolgens heeft verweerder met toepassing van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht geen vertrektermijn of inreisverbod geboden.

8. Gelet op wat hierboven is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte ondervonden problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om vluchtelingrechtelijke vervolging aan te nemen en ook dat eisers specifieke omstandigheden niet maken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. D.M. Biermann, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.

3 ‘Freedom in the world 2020 – Suriname’, 4 maart 2020.

4 ‘State sponsored homophobia 2019’, maart 2019.

5 ‘Country Report on Human Rights practices 2019 – Suriname’, 11 maart 2020.

6 ‘Aidsepidemie rukt opnieuw op’, 30 november 2016; ‘Aids en corona, een levensgevaarlijke combinatie’, uitgesproken op 1 december 2020; ‘Driekwart van hiv-testen en helft van hiv-behandelingen wereldwijd ernstig verstoord’, 30 november 2020.

7 ‘Testen en behandelen van hiv-patiënten ernstig verstoord door corona’, 30 november 2020.