Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB – 20 _ 3394
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot wijziging arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de WIA-uitkering die eiser ontvangt. Eiser heeft medische en arbeidskundige gronden aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig of onjuist te achten. Ook zijn de geduide functies op goede gronden gebruikt voor de schatting. Verweerder heeft de mate van arbeidsongeschiktheid dan ook juist vastgesteld. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3394


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.M. Snijders).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser gewijzigd per 6 september 2019. De hoogte van de uitkering die eiser ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), wijzigt niet.

In het besluit van 15 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via skype plaatsgevonden op 31 maart 2021. Daaraan hebben deelgenomen eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als senior begeleider/groepsleider activiteitencentrum. Hij is op 15 mei 2007 uitgevallen wegens psychische klachten en rug- en oorklachten. Eiser ontving met ingang van 24 juni 2009 een loongerelateerde uitkering op grond van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 24 januari 2012 ontvangt eiser een WGA‑loonaanvullingsuitkering.

1.2

Eiser heeft zich op 27 oktober 2017 met toegenomen klachten gemeld, nadat hij in september 2016 een herseninfarct heeft doorgemaakt en ook een hartritmestoornis bij hem is vastgesteld. Bij besluit van 6 februari 2018 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de WIA-uitkering per 1 februari 2018 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65,90% en dat deze loonaanvullingsuitkering wordt uitbetaald tot en met 29 februari 2020. Bij besluit van 20 september 2018 heeft verweerder dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Het beroep tegen dit besluit op bezwaar heeft deze rechtbank bij uitspraak van 3 juni 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 augustus 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

1.3

Eiser heeft op 30 juni 2019 opnieuw gemeld dat sprake was van toegenomen klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Dit berust op het standpunt dat eiser met ingang van 6 september 2019 67,78% arbeidsongeschikt is.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en met vooringenomenheid heeft gehandeld. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft het gesprek met de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) als onprettig ervaren. De verzekeringsarts b&b heeft eisers klachten en de informatie van eisers psycholoog niet bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport van de verzekeringsarts b&b is vermeld dat het spreekuur 40 minuten duurde, terwijl eiser na een half uur weer buiten stond. Eiser kan zich niet vinden in het oordeel van de verzekeringsarts b&b dat eiser 67,5% arbeidsongeschikt is, na tien jaar 80 tot 100% arbeidsongeschikt te zijn geweest. Volgens eiser zijn de klachten juist verergerd en heeft hij bovendien een herseninfarct doorgemaakt. Eiser is het evenmin eens met de vanwege vermoeidheidsklachten aangenomen urenbeperking (voor vier uur per dag, maximaal 20 uur per week) terwijl zijn huisarts heeft geschreven dat eiser slechts zeer beperkt belastbaar is. Eiser verwijst in beroep ter onderbouwing van zijn standpunt naar medische informatie van neuroloog P.M. Doorlag-de Vries van 7 maart 2018, GZ-psycholoog M. Schaminee van 26 maart 2020 en huisarts A.J.M. van der Schuit-Janssen van 26 augustus 2019 en 27 april 2020. Tevens stelt eiser zich op het standpunt dat de geschiktheid van de functies door de arbeidsdeskundige op een aantal punten niet (voldoende) dragend is onderbouwd. Deze beroepsgronden zal de rechtbank hieronder, bij de arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit, nader weergeven.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

6. De rechtbank merkt op dat eisers beroepsgrond dat hij ten onrechte, na tien jaar 80 tot 100% arbeidsongeschikt te zijn geweest, minder arbeidsongeschikt wordt geacht, tijdens de vorige beroepsprocedure van deze rechtbank reeds aan de orde is gekomen. Hetzelfde geldt voor het door eiser ter zitting aangevoerde standpunt dat de verzekeringsarts b&b het advies van de neuroloog een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten niet heeft meegewogen. Het besluit van 20 september 2018 is met de onder 1.2 bedoelde uitspraak van de Centrale Raad in Beroep in rechte vast komen te staan. De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing.

7.1

Op 23 juli 2019 heeft de primaire verzekeringsarts eiser op het spreekuur gezien, waarbij een psychisch en oriënterend lichamelijk onderzoek is verricht. Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts dossieronderzoek verricht en informatie bij de huisarts opgevraagd. Aan de hand van haar bevindingen heeft de primaire verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Er zijn beperkingen opgenomen voor eisers psychische en lichamelijke klachten. De verwachting is dat de psychische klachten kunnen verbeteren nu eiser hier nog voor behandeld zal worden, aldus de primaire verzekeringsarts.

7.2

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b op 7 april 2020 een rapport uitgebracht, gebaseerd op dossieronderzoek, de hoorzitting/het spreekuur op 10 maart 2020 en de medische informatie van huisarts A.J.M. van der Schuit-Janssen van 26 augustus 2019 en GZ-psycholoog M. Schaminee van 26 maart 2020. In zijn rapport heeft de verzekeringsarts b&b opgenomen dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de primaire verzekeringsarts te herzien. Uit de in bezwaar ingebrachte medische informatie komen geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren.

8.1

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om het - hiervoor beschreven - verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kan de enkele omstandigheid dat een zelfstandig medisch onderzoek door een verzekeringsarts b&b achterwege is gebleven niet leiden tot de conclusie dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar.1 Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat alle klachten van eiser in de beoordeling zijn betrokken. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien en alle beschikbare informatie is meegenomen in de beoordeling. Dat eiser het gesprek met de verzekeringsarts b&b als onprettig heeft ervaren en dat het gesprek volgens eiser korter duurde dan in het rapport vermeld staat, leidt niet tot een ander oordeel.

8.2

De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser evenmin aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De verzekeringsartsen hebben afdoende gemotiveerd dat de klachten van eiser op de datum in geding niet dusdanig zijn dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Eiser valt niet in één van de uitzonderingscategorieën van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Er is immers geen sprake van een opname in het ziekenhuis of instelling, bedlegerigheid, ontbrekende lichamelijke zelfredzaamheid, of een volledig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. Het feit dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid betekent dat benutbare mogelijkheden moeten worden aangenomen. Wel is volgens de verzekeringsartsen sprake van verminderde benutbare mogelijkheden. De voor eiser geldende beperkingen zijn vermeld in de FML. Daarin zijn voor zowel de psychische als de lichamelijke klachten diverse beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen deze beperkingen van eiser niet juist hebben vastgesteld. Voor verdergaande of aanvullende beperkingen is medisch objectief geen aanleiding. Uit de medische informatie blijkt dat eiser nog behandeld wordt voor zijn psychische klachten. De medische informatie van de huisarts van 27 april 2020 – voor zover de huisarts de (arbeids)beperkingen van eiser vast kan stellen – dateert van na de datum in geding. De overige in beroep ingebrachte medische informatie is bij de beoordeling van de verzekeringsartsen betrokken. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts b&b over de beperkingen van eiser. De rechtbank tekent daarbij aan dat verzekeringsartsen bij uitstek deskundig zijn te achten om aan de hand van de door een betrokkene aangegeven klachten en de beschikbare medische informatie de belastbaarheid van de betrokkene vast te stellen. Anders dan van de behandelaar is het de taak, bevoegdheid en specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om de (arbeids)beperkingen vast te stellen.

8.3

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onjuist is.

9.1

Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige functies geduid. Het gaat om de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), gezinshulp, bejaardenverzorger (SBC-code 372080) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) en de reservefuncties medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334).

9.2

Eiser is het niet eens met de arbeidskundige beoordeling. Hij acht de voor hem geduide functies niet geschikt. Eiser voert aan dat hij niet in staat is tot het volgen van een praktijkgerichte opleiding en cursus gelet op zijn cognitieve beperkingen ten gevolge van het herseninfarct. Omdat eiser rechtshandig is, kan hij niet uren achter elkaar linkshandig werken met een schroevendraaier. Eiser kan niet vaak reiken vanwege zijn lage rugklachten en het krachtverlies in zijn arm en been. Eiser kan ook niet op een huishoudtrapje staan en werken gelet op zijn duizeligheids- en evenwichtsklachten. Gelet op zijn autisme en psychische klachten is de functie gezinshulp, bejaardenverzorger niet geschikt.

9.3

Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht voor eiser in medisch opzicht geschikt zijn geacht. Nu in de FML geen cognitieve beperkingen zijn aangenomen, kan eiser in staat worden geacht een praktijkgerichte opleiding en cursus te volgen. Ook zijn in de FML geen beperkingen aangenomen voor de geclaimde duizeligheids- en evenwichtsklachten. Eiser wordt daarom ook in staat geacht op een huishoudtrap te staan en werken. De arbeidsdeskundige heeft met betrekking tot de signaleringen die in de geduide functies vermeld staan een aanvullende motivering in haar rapport van 4 februari 2020 gegeven. Ten aanzien van eisers stelling dat de functies niet geschikt zijn gelet op zijn beperking op beoordelingspunt 4.7 (schroefbewegingen met hand en arm), is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b afdoende heeft gemotiveerd dat er geen overschrijding van de belastbaarheid op dit punt plaatsvindt. In geen van de functies is sprake van langdurig grote kracht zetten. Over eisers beperking op reiken heeft de arbeidsdeskundige overleg gehad met de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat de overschrijding van de belastbaarheid in de functies productiemedewerker industrie en huishoudelijk medewerker akkoord is aangezien sprake is van een kortere reikafstand. De arbeidsdeskundige heeft in haar rapport van 4 februari 2020 nog nader gemotiveerd waarom in de functies geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiser ten aanzien van reiken. Ook is in dit rapport nader gemotiveerd waarom in de functies geen sprake is van een overschrijding van eisers belastbaarheid in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Er is geen grond voor het oordeel dat de functie gezinshulp, bejaardenverzorger niet geschikt voor eiser is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel over de motivering van de arbeidsdeskundige b&b. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de functies dan ook op goede gronden gebruikt voor de schatting.

10. Het voorgaande betekent dat verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 6 september 2019 terecht op 67,78% heeft vastgesteld.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

de griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraak van 18 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4633.