Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
AWB 20/1287
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit 1/80; Artikel 8 EVRM; Hoorplicht;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. J. Luscuere,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 1], maatschappelijk werker van het gezin van eiseres. [naam 1] heeft ter zitting een getuigenverklaring afgelegd.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] en bezit de Turkse nationaliteit. Zij is vanaf 2013 in Nederland en zij beoogt een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner, thans echtgenoot, [naam 2] (referent) en hun twee minderjarige kinderen [naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2013, en [naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2015. Referent en de kinderen hebben eveneens de Turkse nationaliteit.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor een verblijfsvergunning is aangevraagd en dat eiseres niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Volgens verweerder kan eiseres geen rechten ontlenen aan Besluit 1/801 omdat zij niet de echtgenote of geregistreerd partner van referent is. Ten tijde van het bestreden van bestreden besluit waren eiseres en referent elkaars partners. Eiseres kan daarom niet worden aangemerkt als een familielid in de zin van Besluit 1/80. Afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder ook niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat hij meent dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Het beroep van eiseres op het Turks Associatierecht.

3. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat verweerder het mvv-vereiste niet aan haar kan tegenwerpen, omdat dit in strijd is met de standstill-bepaling neergelegd in artikel 13 van Besluit 1/80. Referent is als Turkse werknemer aan te merken in de zin van Besluit 1/80 en hij kan daarom rechten ontlenen aan artikel 13 van dat besluit. In het verleden werd een aanvraag om gezinshereniging van ongehuwde partners niet afgewezen vanwege het enkele ontbreken van een mvv. Dat het toelatingsbeleid op dit punt is aangescherpt, acht eiseres in strijd met artikel 13 van Besluit 1/80. De rechtbank volgt dit betoog niet.

3.1

Referent ontvangt een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), op grond van de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Volgens een uitkeringsspecificatie van 14 augustus 2019 is hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt.

3.2

In artikel 7 van Besluit 1/80, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), wordt aan Turkse werknemers onder bepaalde voorwaarden het recht op gezinshereniging toegekend. Dit recht geldt voor de in artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG vermelde categorieën gezinsleden en dus niet voor ongehuwde partners zonder geregistreerd partnerschap. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat ongehuwde partners geen gezinsleden zijn in de zin van artikel 7 van Besluit 1/80.

De beperking van het recht op gezinshereniging tot bepaalde categorieën gezinsleden zou feitelijk weinig betekenis meer hebben als over de band van artikel 13 van Besluit 1/80 alsnog gezinshereniging met andere categorieën gezinsleden afgedwongen zou kunnen worden. Uit het door eiseres ingeroepen arrest van 7 augustus 2018 van het Hof inzake Yön (ECLI:EU:C:2018:632) volgt evenmin dat het begrip gezinslid in Besluit 1/80 ruimer moet worden uitgelegd dan voorheen. Het arrest Yön ziet op een verzoek om gezinshereniging van de echtgenote van een Turkse werknemer in Duitsland, zodat er geen discussie over bestond dat die zaak onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 viel.

In het verlengde van haar uitspraak van 26 maart 2019 in een zaak over de afschaffing van het zogenoemde ouderenbeleid (ECLI:NL:RBDHA:2019:9915) komt de rechtbank tot de conclusie dat Besluit 1/80 naar de huidige stand van het recht niet in de weg staat aan het aanscherpen van de materiële of formele toelatingsvoorwaarden van familie- of gezinsleden van Turkse werknemers die niet onder het toepassingsbereik van artikel 7 van dat besluit vallen. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder dit in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd.

3.3

Dat eiseres en referent op 14 april 2020 met elkaar zijn getrouwd, kan de rechtbank niet bij de beoordeling betrekken, omdat zij de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen op grond van de feiten ten tijde van dat besluit.

De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM 4. Eiseres voert aan dat verweerder de vele bijzondere omstandigheden die haar gezin raken onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. Volgens eiseres is niet in geschil dat dat zij aan alle verdere voorwaarden kan voldoen, behalve dat referent weliswaar over zelfstandige en duurzame middelen van bestaan beschikt, maar niet over voldoende middelen. Zijn WIA/WGA-uitkering bedraagt momenteel € 1046,83 bruto. Dat is ongeveer € 600,- onder de gehuwdennorm die verweerder hanteert. Eiseres heeft verweerder ook gewezen op de vele bijzondere omstandigheden die dit gezin raken. Referent kampt met een ptss, dat zijn functioneren ernstig belemmert, maar gelet op zijn leeftijd nog niet heeft geleid tot een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering (IVA). Referent is in de schulden geraakt, onder andere omdat zijn kinderen nog geen rechtmatig verblijf hadden gekregen nadat het gemeenteloket ten onrechte had geweigerd de geboorteakte in te schrijven omdat de moeder illegaal in Nederland verbleef. Dit is eerst na bemiddeling van diverse instanties zes jaar na de geboorte van het eerste kind recht gezet. Vervolgens konden de kinderen pas een verblijfsvergunning krijgen. Eiseres wijst hierbij tevens op verweerders Werkinstructie 2019/15 (WI 2019/15), waaruit volgt dat verweerder ‘a certain degree of hardship’ en de belangen van de kinderen en hun bijzondere binding met Nederland expliciet in de beoordeling moet betrekken. Daarbij komt dat referent door zijn ziekte niet in Turkije voor zijn kinderen kan zorgen, en zelf ook een sterke band heeft opgebouwd met Nederland waar hij al vanaf zijn tienerjaren woont. Dit betoog slaagt.

4.1

Uit de jurisprudentie van het EHRM en Afdeling volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3200). Bij deze belangenafweging is de vraag relevant of sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. Uit jurisprudentie van het EHRM (onder andere het arrest van 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland (ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810) en het arrest van 8 november 2016, El Ghatet t. Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110)) volgt voorts dat niet alleen van belang is of objectieve belemmeringen aan vestiging in het land van herkomst in de weg staan, maar ook of vestiging in dat land een "certain degree of hardship" oftewel een subjectieve belemmering met zich brengt. Uit de genoemde uitspraken volgt verder dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging moeten vormen.

Uit jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1044) volgt dat de rechter moet beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn.

4.2

De rechtbank stelt met eiseres vast dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar alle aspecten die relevant zijn voor de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM heeft betrokken en in onderlinge samenhang gewogen. Eiseres heeft in bezwaar gewezen op een verklaring van klinisch psycholoog [naam 3] van GGZ Delfland van 28 mei 2019. Hieruit volgt dat ten aanzien van referent sprake is van PTSS/angstklachten en een belaste jeugd en gezinsgeschiedenis. Ook volgt hieruit dat referent getraumatiseerd te zijn door mishandeling en affectieve verwaarlozing. Eiseres heeft hierbij ook gewezen op een verklaring van [naam 1], de maatschappelijk werker van het gezin, van 18 september 2019, waaruit volgt dat een vertrek van referent naar Turkije geen optie is. [naam 1] heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven van de medische situatie van referent. Eiseres heeft in beroep ook nadere medische stukken ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken wat het, gezien de medische situatie van referent, voor referent zou betekenen als hij gedwongen zou zijn om zijn gezinsleven met eiseres en de kinderen in Turkije uit te oefenen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat de minderjarige kinderen van eiseres en referent in Nederland zijn geboren en in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning. De oudste ([naam kind 1]) gaat inmiddels naar school. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder ook kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken wat het in dit concrete geval voor de kinderen zou betekenen als eiseres gedwongen zou zijn om terug te keren naar Turkije. Door deze omstandigheden en belangen niet kenbaar in de beoordeling te betrekken, kan niet worden geoordeeld dat de afweging van verweerder heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.1

Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Gelet op wat eiseres in de bezwaarfase heeft aangevoerd over de specifieke omstandigheden van haar en haar gezin, kan niet op voorhand worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander oordeel dan vervat in het besluit van 28 oktober 2019. De beroepsgrond slaagt dus.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het is genomen in strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb. Hetgeen meer of anders is aangevoerd behoeft thans geen bespreking.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 178,00,- aan haar vergoeden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 178,00,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J. Eertink, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Besluit 1/80).