Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
09/842321-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Radon. Artikel 11a en 11b van de Opiumwet. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De verdachte was betrokken bij de verkoop van achttien assimilatielampen aan één afnemer in het bedrijf van zijn vader. Deze lampen zijn geschikt voor de illegale hennepteelt en hadden, gelet op het aantal, ook daadwerkelijk de bestemming illegale hennepteelt. Gelet op de omstandigheden waaronder deze verkoop plaatsvond, hadden de verdachte en zijn mededaders dat redelijkerwijze moeten weten. Vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van voorbereidingshandelingen voor de illegale hennepteelt. Inzet pseudokoop-actie door de politie. Overschrijding redelijke termijn. Toepassing 9a van het Wetboek van Strafrecht vanwege o.a. de jeugdige leeftijd van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de lange periode die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842321-16 en 09/807614-17 (gev. ttz)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12, 13, 14, 15 en 19 april 2021 (inhoudelijke behandeling) en 18 mei 2021 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C. Stolk, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. V.T.E. Kuijpers, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 april 2021 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat hij:

in de zaak met parketnummer 09/842321-16

1. zich in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

in de zaak met parketnummer 09/807614-17

1. zich als minderjarige in de periode van 1 juli 2016 tot en met 24 november 2016 als schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) zich als meerderjarige in de periode van 25 november 2016 tot en met 29 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

3) als minderjarige in de periode van 1 juli 2016 tot en met 24 november 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet;

4) als meerderjarige in de periode van 25 november 2016 tot en met 29 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet.

De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat andere benoemde verdachten in deze zaak met een gelijksoortige rol niet zijn vervolgd. Het Openbaar Ministerie had dan ook af moeten zien van vervolging van [verdachte] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het vervolgingsrecht op grond van het opportuniteitsbeginsel bij het Openbaar Ministerie ligt. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt of worden. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat, hoewel niet alle destijds bij [ naam bedrijf 1] werkzame personen zijn vervolgd, geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat het verweer verworpen moet worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden (opportuniteitsbeginsel). De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing.

De rechtbank is van oordeel dat slechts in uitzonderlijke gevallen het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vervolging in strijd is met een goede procesorde, waaronder het door de verdediging aangevoerde gelijkheidsbeginsel.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is pas sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Dat daarvan in de zaak van [verdachte] sprake is, heeft de verdediging niet aangevoerd en is ook overigens niet gebleken, zodat het verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] .

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de ten laste gelegde geldbedragen en offertes die bij [naam bedrijf 2] (09/842321-16, feit 1) en [ naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] (09/807614-17, feit 1 en 2) zijn aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Op specifieke standpunten van de raadsman zal de rechtbank - voor zover relevant - onder 4.3 nader ingaan.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

4.3.1

Ten aanzien van parketnummer 09/842321-16 (Radon 1)1

Inleiding

[medeverdachte 1] was tot eind 2014 eigenaar van een growshop, bekend onder de naam [ naam bedrijf 1] , met als website [website] . De growshop was als eenmanszaak gevestigd aan de [adres bedrijf 1] . Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte 1] [ naam bedrijf 1] opgericht, ingeschreven in het handelsregister als detailhandel via postorder en internet in huis- en tuinartikelen, alsmede het uitoefenen van showroomactiviteiten. [medeverdachte 1] was via [naam bedrijf 4] bevoegd bestuurder van [ naam bedrijf 1] .2 [ naam bedrijf 1] voerde sinds eind 2014 bedrijfsactiviteiten op het adres [2e adres bedrijf 1] .3 [ naam bedrijf 1] stond ook bekend als [2e naam bedrijf 1]4 met als website [website] .5

Binnen [ naam bedrijf 1] was [medeverdachte 1] de baas, de bedrijfsleider.6 [medeverdachte 2] , de toenmalige partner van [medeverdachte 1] , was als werknemer in dienst en deed de backoffice; zij nam telefoontjes aan, hield zich bezig met de webshop, pakte bestellingen in en beantwoordde e-mails. [medeverdachte 3] was in dienst als verkoper. [verdachte] was vanaf het najaar van 2015 werkzaam bij [ naam bedrijf 1] als stagiair in het magazijn.7

Na de wetswijziging op 1 maart 2015 wijzigde [ naam bedrijf 1] haar assortiment. Zij stopte met de productgroepen verlichting en aircosystemen.8 De verkoop van aircosystemen werd ondergebracht bij [naam bedrijf 2] . Dit bedrijf werd op 2 april 2015 ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 1] . [naam bedrijf 2] werd gevestigd op het adres van de voormalige growshop aan de [adres bedrijf 1] . [naam bedrijf 2] stond ingeschreven als groothandel in machines en apparaten voor warmte-, koel- en vriestechniek. [medeverdachte 1] was via [naam bedrijf 5] bevoegd bestuurder van [naam bedrijf 2] .9

Op 13 april 2015 werd het bedrijf [naam bedrijf 3] ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 4] . [naam bedrijf 3] had als activiteiten winkels en groothandel in verlichtingsartikelen. [naam bedrijf 3] was gevestigd aan de [adres bedrijf 3] . [medeverdachte 4] was via [naam bedrijf 6] bevoegd bestuurder van [naam bedrijf 3] .10

Tevens richtte [medeverdachte 1] op 27 augustus 2015 met [medeverdachte 4] het bedrijf [naam bedrijf 7] op, eveneens gevestigd aan de [adres bedrijf 3] , met als activiteiten het exploiteren van een groothandel in assimilatieverlichting en luchtbehandeling. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren via respectievelijk [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 6] bevoegde bestuurders van [naam bedrijf 7] .11 [naam bedrijf 7] richtte zich op de zakelijke markt.12

Op donderdag 12 mei 2016 in de middag waren verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant] op de [straatnaam] in [plaatsnaam] . De verbalisanten zijn taakaccenthouder verdovende middelen en hadden informatie dat het op nummer [2e adres bedrijf 1] gevestigde bedrijf, [ naam bedrijf 1] , fungeerde als growshop.13

Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten op 12 mei 2016 is het onderzoek Radon 1 gestart. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [verdachte] zijn aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [ naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] .

Ten aanzien van feit 1

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

De verdachte wordt verdacht van het (in vereniging) overtreden van het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel stelt strafbaar degene die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet wordt in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het Ppenbaar Ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.’ (Kamerstukken TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, p. 2-3.)

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 7 december 2012 over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder nog het volgende aangegeven:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. (…) De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’ (Kamerstukken TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, p. 6)

De wetgever heeft ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt verwezen naar hetgeen hierover is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie.

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Met betrekking tot de bij [ naam bedrijf 1] aangetroffen goederen en gelden overweegt de rechtbank dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode stagiair bij [ naam bedrijf 1] was en hij in die hoedanigheid de rol van magazijnmedewerker vervulde. Alleen deze omstandigheid maakt naar het oordeel van de rechtbank al dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het medeplegen van artikel 11a van de Opiumwet met [ naam bedrijf 1] . [verdachte] heeft door zijn werkzaamheden wel bijgedragen aan mogelijke strafbare activiteiten binnen [ naam bedrijf 1] , maar zijn bijdrage in de hoedanigheid van stagiair is naar het oordeel van de rechtbank niet van voldoende gewicht geweest om van plegen of medeplegen te kunnen spreken.

De rechtbank moet zich vervolgens richten op de in de tenlastelegging genoemde goederen, gegevens en gelden die bij [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] zijn aangetroffen en zal zich in dat kader buigen over de vraag of [verdachte] zich als medepleger met deze vennootschappen schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a Opiumwet.

Ten aanzien van de bij [naam bedrijf 3] aangetroffen goederen en gegevens overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode werkzaamheden voor [naam bedrijf 3] verrichtte. Ook kan uit het dossier niet worden opgemaakt dat [verdachte] in zijn rol van stagiair bij [ naam bedrijf 1] contact heeft gehad met [naam bedrijf 3] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] ook ten aanzien van deze goederen moet worden vrijgesproken. Dat [verdachte] over een sleutel van het pand van [naam bedrijf 3] aan de [adres bedrijf 3] beschikte, maakt dat oordeel niet anders. Immers, op de bovenverdieping van dit pand bevond zich de ruimte waar [verdachte] en zijn vrienden elkaar ontmoetten.

Uit het dossier is evenmin gebleken dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode werkzaamheden voor [naam bedrijf 2] verrichtte, ook niet in zijn rol als stagiair bij [ naam bedrijf 1] . De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [verdachte] ook ten aanzien van deze goederen en gelden moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overtreding van artikel 11b van de Opiumwet zoekt de rechtbank aansluiting bij het juridisch kader dat geldt voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt dat onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Van een dergelijk samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 2] en/of [medeverdachte 1] is, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Van enige vorm van samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] in de ten laste gelegde periode is immers in het geheel niet gebleken. Ten aanzien van de rol die [verdachte] binnen [ naam bedrijf 1] als stagiair vervulde is de rechtbank van oordeel dat deze niet van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van een samenwerkingsverband met [ naam bedrijf 1] en/of [medeverdachte 1] in de zin van artikel 11b van de Opiumwet.

4.3.2

Ten aanzien van parketnummer 09/807614-17 (Radon 2)14

Inleiding

In juni 2016 werd de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geschorst. Kort na hun vrijlating hebben zij hun bedrijven [ naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] weer geopend. Na de inval op 12 mei 2016 hebben geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsgevonden binnen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 7] .15 Binnen [ naam bedrijf 1] veranderde de taakverdeling niet. [medeverdachte 1] was de baas en [medeverdachte 3] de verkoper.16 [medeverdachte 2] deed tot haar uitdiensttreding begin 2017 de backoffice.17

Op 19 september 2016 is het bedrijf [naam bedrijf 8] opgericht. [naam bedrijf 8] had als activiteiten winkels in overige elektrische huishoudelijke apparatuur en het in- en verkopen van airco-installaties en aanverwante artikelen. Bevoegd bestuurder van [naam bedrijf 8] was [medeverdachte 2] .18 [naam bedrijf 8] huurde een bedrijfsunit aan de [adres bedrijf 8] .19

Vanaf 29 november 2016 zijn [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 9] gezamenlijk bevoegde bestuurders van [naam bedrijf 10] , met als handelsnaam tevens [naam bedrijf 11] en feitelijk handelend onder de naam [naam bedrijf 12] . Als activiteit staat onder andere geregistreerd: groothandel in verlichtingsartikelen. Via hun respectieve beheer BV’s zijn [medeverdachte 4] en [verdachte] de feitelijke bestuurders van [naam bedrijf 12] . Het bedrijf had als bezoekadres [adres bedrijf 12] .20 Het bedrijf had een loods in gebruik aan de [adres van de loods] .21

Voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn in het kader van het onderzoek Radon 2 bevelen observatie en tap afgegeven. Ook voor de bij hen werkzame personeelsleden, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] , zijn bevelen tap afgegeven.22 Daarnaast zijn onder een aantal voertuigen peilbakens geplaatst: één onder de bedrijfsbus van [ naam bedrijf 1] en één onder de [merk] personenauto van [medeverdachte 4] .23 In opdracht van de officier van justitie en in samenwerking met een tactisch onderzoeksteam, heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid vanaf woensdag 25 januari 2017 uitvoering gegeven aan een bevel pseudokoop van goederen bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt.24

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksteam zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [ naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] .

Ten aanzien van feit 1 en 3

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat [verdachte] zich in de onder feiten 1 en 3 van de tenlastelegging met parketnummer 09/807614-17 genoemde periode (van 1 juli 2016 tot en met 24 november 2016) schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Evenmin kan (dus) worden bewezen dat hij in die periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. De rechtbank zal [verdachte] dan ook vrijspreken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 2

De redengevende feiten en omstandigheden

Vanaf 25 januari 2017 heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid uitvoering gegeven het in de inleiding genoemde bevel pseudokoop.25 In dit kader bevonden

pseudokopers 170127A (hierna: pseudokoper A) en 170127B (hierna: pseudokoper B) zich op 7 februari 2017 in het pand van [ naam bedrijf 1] aan de [2e adres bedrijf 1] . Hier schreef [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) op de offerte van [ naam bedrijf 1] die hij zojuist voor de pseudokopers had gemaakt de tekst: “Dimlux Expert 600W complete fix 18x, [adres bedrijf 3] [naam bedrijf 3] .” Hierop vertrokken de pseudokopers naar het pand van [naam bedrijf 3] aan de [adres bedrijf 3] .26

De pseudokopers werden bij [naam bedrijf 3] ontvangen door [verdachte] (hierna ook wel: [verdachte] ).27 De pseudokopers zeiden tegen [verdachte] dat zij voor achttien stuks ‘Dimlux’ kwamen, waarop [verdachte] een verpakking met Dimlux-verlichting uit het schap pakte en hier een korte technische uitleg over gaf. De pseudokopers bestelden vervolgens achttien stuks bij [verdachte] . Pseudokoper A zag op het schap een A4’tje hangen met daarop de mededeling dat de wetgeving was veranderd en dat particulieren maximaal twee lampen konden aankopen. Pseudokoper A confronteerde [verdachte] met deze mededeling en vroeg hem of het dan geen probleem was dat zij achttien lampen wilden hebben. [verdachte] antwoordde hierop lachend: “Nu niet, maar als de politie binnenkomt wel.” Afgesproken werd dat de pseudokopers de lampen zaterdag zouden komen ophalen. Pseudokoper B heeft [verdachte] desgevraagd een bedrag van € 500,- als aanbetaling gegeven.28 Vervolgens kwam [medeverdachte 4] (hierna ook wel: [medeverdachte 4] ) uit de aangrenzende ruimte aangelopen.29 Aan hem werd voornoemde offerte met aantekeningen gegeven. Eén van de pseudokopers zei dat hij dit van [medeverdachte 3] van het [2e naam bedrijf 1] had gekregen en dat [medeverdachte 3] ook deze aantekening op de offerte had gemaakt. Hierop heeft [medeverdachte 4] de pseudokoper duidelijk gemaakt dat hij niets met het [2e naam bedrijf 1] te maken had en dat hij op verschillende plaatsen in zijn winkel waarschuwingen had hangen die zagen op het ingaan van de wetswijziging. Vervolgens heeft hij de pseudokopers gevraagd of alles duidelijk was, waarop de pseudokopers antwoordden dat zijn zoon alles al had uitgelegd.30 [verdachte] schreef vervolgens een bon uit, met daarop een telefoonnummer en desgevraagd zijn naam, ‘ [verdachte] ’. [verdachte] vroeg de pseudokopers of zij zaterdag een sms konden sturen naar het genoteerde telefoonnummer voordat zij de lampen op kwamen halen, zonder in die sms te vermelden dat het om achttien lampen ging. Hierna hebben de pseudokopers het pand verlaten.31

Op 14 februari 2017 kwamen de pseudokopers terug bij het pand van [ naam bedrijf 1] om een deel van de daar gedane bestelling op te halen. [verdachte] was op dat moment aanwezig in de loods van [ naam bedrijf 1] , waarop pseudokoper A hem vroeg of zij de lampen nu meteen op konden halen. [verdachte] antwoordde hierop dat hij op dit moment maar acht lampen op voorraad had, omdat de pseudokopers de lampen eigenlijk zaterdag zouden moeten hebben opgehaald. Pseudokoper A gaf aan dat hij vrijdag had gebeld om de afspraak te verzetten en dat hij ervan uit was gegaan dat dit was doorgegeven. [verdachte] zei dat dit niet het geval was. Hierop maakte pseudokoper A de afspraak met [verdachte] om de lampen over een uur op te komen halen.32

Op 21 februari 2017 heeft pseudokoper A telefonisch contact opgenomen met [naam bedrijf 3] en met [verdachte] afgesproken dat hij de eerder gedane bestelling vandaag zou komen ophalen.33 Aangekomen bij het pand van [naam bedrijf 3] troffen de pseudokopers [verdachte] aan, evenals de man die zij herkenden van hun eerdere bezoek aan [naam bedrijf 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ). [medeverdachte 4] was in gesprek met een klant over het telen van wiet en adviseerde deze klant welke lampen hij daar het beste voor kon gebruiken. Nadat pseudokoper B het resterende bedrag van € 5.080,- had afgerekend, hebben de pseudokopers samen met [verdachte] en [medeverdachte 4] de lampen in hun voertuig geladen.34

Na afronding van het pseudokooptraject zijn de aangekochte goederen in beslag genomen, waaronder 18 dozen lampen van het merk Dimlux van 600 Watt.35

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Voor het juridisch kader van artikel 11a van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven bij feit 1 van de zaak met parketnummer 09/842321-16 uiteen heeft gezet.

[naam bedrijf 3] bood ten tijde van het ten laste gelegde een relatief beperkt assortiment goederen aan, te weten (assimilatie)lampen en de daarbij behorende artikelen. De assimilatielampen die [naam bedrijf 3] te koop aanbood, hadden verschillende wattages van 400, 600, 800 of 1000 Watt. Niet ter discussie staat dat assimilatielampen vaak in professionele bedrijfs- of beroepsmatige of grootschalige (hierna ook: illegale) hennepkwekerijen worden aangetroffen.

De door [naam bedrijf 3] te koop aangeboden (onderdelen van) assimilatielampen kúnnen dus worden aangewend voor illegale teelt van hennep, maar dat betekent niet zonder meer dat deze lampen daar zonder uitzondering ook daadwerkelijk voor bestemd waren. Nog daargelaten of [verdachte] , als van een dergelijke bestemming zou worden uitgegaan, dat heeft geweten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was (intentie).

Met betrekking tot de lampen die zijn verkocht aan de pseudokopers geldt het volgende.

Assimilatielampen van 600 Watt zijn geschikt voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Blijkens bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet betreft deze bij de hennepteelt gebruikte verlichting ook een indicator voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat illegale hennepteelt ook daadwerkelijk de bestemming was van de assimilatielampen die door de pseudokopers bij [naam bedrijf 3] zijn gekocht en dat [verdachte] ook ernstige reden had dit te vermoeden, leidt de rechtbank uit het volgende af.

De rechtbank stelt voorop dat het pseudokooptraject was opgezet om te zien of men alle benodigde goederen voor het opzetten van een grootschalige hennepkwekerij bij de betrokken bedrijven kon kopen. Daarmee staat vast dat de aan te kopen goederen bestemd waren voor de grootschalige hennepteelt.

De pseudokopers hebben hun offerte van [ naam bedrijf 1] , met daarop de aantekening van [medeverdachte 3] dat zij achttien Dimlux-lampen van 600 Watt nodig hadden, aan [verdachte] overhandigd. De pseudokopers hebben daarbij tevens in de aanwezigheid van [medeverdachte 4] en [verdachte] genoemd dat zij de offerte van [medeverdachte 3] van het [2e naam bedrijf 1] hadden gekregen en dat [medeverdachte 3] daarop voornoemde aantekening had gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het [medeverdachte 4] en [verdachte] te verwijten valt dat zij onder deze omstandigheden geen nadere vragen hebben gesteld aan de pseudokopers over de bestemming van deze achttien lampen, terwijl zij ernstige reden hadden te vermoeden dat dit aantal lampen bestemd was voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Uit de omstandigheid dat de verkoop op 7 februari 2017, na uitleg te hebben gegeven over de lampen, door [verdachte] is gesloten, dat [medeverdachte 4] aanwezig was bij het plaatsen van de bestelling en hierover ook in gesprek is gegaan met de pseudokopers en de omstandigheid dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] op 21 februari 2017 hebben geholpen met het inladen van de lampen tijdens de levering, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam bedrijf 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .

Het door de raadsman gevoerde verweer dat [verdachte] niet werkzaam was bij [naam bedrijf 3] , slechts hand- en spandiensten heeft verricht ter ondersteuning van zijn vader en niet op de hoogte was van de bedrijfsvoering van [naam bedrijf 3] , wordt door de rechtbank verworpen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt immers dat [verdachte] de lampen feitelijk heeft verkocht, dat hij de telefoon opnam op het moment dat één van de pseudokopers belde en dat hij zowel de aanbetaling als het resterende geldbedrag van de pseudokopers in ontvangst heeft genomen. Daarnaast blijkt uit het antwoord van [verdachte] op de vraag of het een probleem was dat men achttien assimilatielampen wilde kopen, namelijk dat dit pas een probleem was als de politie binnen zou komen, dat [verdachte] wel degelijk wist dat het strafbaar was om een dergelijke hoeveelheid assimilatieverlichting aan particulieren te verkopen.

Het voorgaande, in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank bewezen acht dat [verdachte] zich samen met [naam bedrijf 3] en [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet bij de verkoop van de achttien assimilatielampen aan de pseudokopers.

Voor een nauwe en bewuste samenwerking met [ naam bedrijf 1] en de bij dit bedrijf betrokken natuurlijke personen bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Allereerst liep [verdachte] in de ten laste gelegde periode geen stage meer bij [ naam bedrijf 1] en is ook niet gebleken dat hij de beschikking had over het assortiment dan wel de voorraad van [ naam bedrijf 1] . Daarnaast zijn in de maanden voorafgaand aan het pseudokooptraject verschillende BOB-middelen ingezet, waaronder het tappen van telefoongesprekken. Uit de resultaten van de inzet van deze BOB-middelen is niet gebleken dat (de betrokken personen bij) [naam bedrijf 3] en [ naam bedrijf 1] gedurende deze maanden contact met elkaars bedrijf hebben gehad.

Daarnaast zijn met betrekking tot de pseudokoop verschillende contra-indicaties voor samenwerking tussen [verdachte] dan wel [naam bedrijf 3] en [ naam bedrijf 1] aanwezig. Zo heeft kennelijk geen van de bij [ naam bedrijf 1] betrokken personen door middel van [medeverdachte 4] of [verdachte] aan [naam bedrijf 3] doorgegeven dat de pseudokopers hun afspraak wilden verzetten, hetgeen de pseudokoper wel aan [medeverdachte 3] had gevraagd . Ook bevindt zich een tapgesprek in het dossier waarin één van de pseudokopers [medeverdachte 1] belt met de vraag of hij ook gelijk de lampen kan ophalen op 21 februari 2017, waarop [medeverdachte 1] zegt dat de pseudokoper dat zelf moet regelen en dat zij daar niets mee te maken hebben. Wanneer de pseudokoper hierop vraagt om een telefoonnummer, antwoordt [medeverdachte 1] dat hij zowel geen telefoonnummer als andere contactgegevens heeft en dat de pseudokoper dat zelf op internet moet opzoeken.

Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [ naam bedrijf 1] is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. Het gegeven dat [verdachte] wel meerdere malen in het pand van [ naam bedrijf 1] aanwezig was, maakt dat oordeel niet anders. Immers, [verdachte] was bevriend met [medeverdachte 3] en [naam] , die beiden werkzaam waren bij [ naam bedrijf 1] . Dat [verdachte] om andere redenen bij [ naam bedrijf 1] aanwezig was, is uit het dossier niet gebleken.

Voorts is de rechtbank ook niet gebleken van enige handelingen die duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [naam bedrijf 8] . Uit het dossier is, ook na de inzet van BOB-middelen, niet gebleken dat [verdachte] op enige wijze contact heeft gehad met [naam bedrijf 8] , al dan niet in het kader van de aankoop door de pseudokopers.

Voor zover het de overige op de tenlastelegging genoemde goederen betreft, overweegt de rechtbank dat van deze goederen weliswaar kan worden gezegd dat zij geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat zij daar ook daadwerkelijk toe bestemd waren en/of dat er aanknopingspunten zijn dat [verdachte] de intentie had om die goederen voor de illegale hennepteelt aan te wenden.

Ten aanzien van feit 4

Voor het juridisch kader van artikel 11b van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover in de zaak met parketnummer 09/842321-16 bij feit 2 uiteen heeft gezet.

Uit het onder feit 2 overwogene blijkt dat de rechtbank niet is gebleken van enige samenwerking tussen [verdachte] en [ naam bedrijf 1] dan wel tussen [verdachte] en [naam bedrijf 8] gericht op het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet. Van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband tussen [verdachte] en deze bedrijven met dat doel kan dan ook niet worden gesproken. Van enige vorm van verboden samenwerking tussen [verdachte] en [naam bedrijf 13] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 7] is de rechtbank evenmin gebleken.

Met betrekking tot de samenwerking tussen [naam bedrijf 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] overweegt de rechtbank dat uit de omstandigheid dat zij tezamen éénmalig artikel 11a van de Opiumwet hebben overtreden nog niet blijkt dat zij als organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk had. Van een dergelijk oogmerk is de rechtbank ook niet gebleken binnen het samenwerkingsverband tussen [naam bedrijf 12] , [medeverdachte 4] en [verdachte] .

[verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

ten aanzien van parketnummer 09/807614-17

2.

in de periode van 7 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te Reeuwijk, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen heeft verkocht, te weten:

een aantal assimilatielampen van Dimlux

waarvan hij en zijn mededaders ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 Geen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie te volgen en, in geval van een veroordeling, een voorwaardelijke geldboete op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden afdoening van de zaak is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft samen met zijn mededaders goederen verkocht waarvan zij hadden moeten vermoeden dat deze bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en is daarom door de wetgever op de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige en ondermijnende) criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. De verdachte heeft met zijn bijdrage aan de verkoop van bepaalde goederen indirect een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het met de illegale hennepteelt verband houdende criminele milieu.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 1 maart 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 juli 2017. Uit dit advies volgt dat de reclassering geen aanwijzingen ziet voor delictgerelateerde problemen of risicofactoren waarop moet worden ingezet om recidive te voorkomen. Omdat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten en hij daarnaast geen hulpvraag heeft, acht de reclassering het opleggen van reclasseringstoezicht niet geïndiceerd.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat de verdachte tijdens een gedeelte van de tenlastegelegde pleegperiode minderjarig was, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en actief deel uitmaakt van een gezin waarbij sprake is van pedagogische beïnvloedbaarheid.

De rechtbank zal, gelet op de in het reclasseringsadvies genoemde factoren, het jeugdstrafrecht toepassen.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de verdachte is deze termijn aangevangen op de dag dat hij is aangehouden in het kader van het onderzoek Radon 1, te weten op 12 mei 2016. Ook in aanmerking genomen dat het onderzoek langer heeft geduurd als gevolg van uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, zijn er geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

Geen straf of maatregel

Kijkend naar de ernst van het feit, de ondergeschikte rol die de verdachte daarin had, zijn jeugdige leeftijd, de omstandigheid dat de verdachte sinds het plegen van het feit in 2017 niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, de forse overschrijding van de redelijke termijn en omdat de verdachte door zijn voorlopige hechtenis en de inbeslagname van goederen en geld van zijn vader stevig is getroffen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte nog een straf of maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat niet langer enig strafdoel bij de oplegging van een straf of maatregel is gediend. De rechtbank zal de verdachte dan ook op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (hierna: de beslaglijst, welke als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 3 en 7 genummerde goederen zullen worden teruggeven aan de verdachte. Ten aanzien van alle overige goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de op de bijgevoegde beslaglijst genoemde goederen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van alle op de beslaglijst genoemde goederen, behalve het onder 8 genoemde goed. Met betrekking tot dit goed is de rechtbank van oordeel dat dit moet worden onttrokken aan het verkeer, omdat dit goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 09/842321-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de in de zaak met parketnummer 09/807614-17 onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09/807614-17 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van 09/807614-17, feit 1:

medeplegen van stoffen en voorwerpen bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat voor het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 8 genummerde goed;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Steen, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 09/842321-16

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

bij de firma [naam bedrijf 3] , althans op de locatie [adres bedrijf 3] onder meer:

- een OptiClimate (p. 255) en/of

- 110, althans één of meer assimilatiekappen (p. 256) en/of

- 112, althans één of meer dozen inhoudende elk 12 stuks LucaLOX 97237 en/of

LU600/HO/T/E40 GL(=lampen) (P. 258) en/of

- 157, althans één of meer dozen met elk 2 stuks 6212826 600W (P. 258) en/of

- 9 dozen met elk 54 stuks Phillips Master Green Power lamp(en) (p. 258) en/of

- 39 dozen met elk 12 stuks MST SON-T PIA Plus 400W (=lampen) (P. 259) en/of

- vier Led-Units (p. 259) en/of

- 14 schakelborden met electronica (p. 262) en/of

- 93 dozen met elk 2 stuks Mari 1/a Gearbox 600W HPS (p. 256) en/of

- (groot) aantal Dimlux lampen en/of assimilatielampen en/of Reflectoren en/of

transformatoren en/of een defensor (luchtbevochtiger) en/of strijkzakken en/of voedingsmiddelen (longflower Supermix)

en/of bij [ naam bedrijf 1] , althans op [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

- 57 slakkenhuizen (p. 326) en/of

- 7 x OptiClimate (p. 326) en/of

- 34 koolstoffilters in doos (p. 326) en/of

- 19 dozen met assimilatiekappen (2 st per doos)( p. 328)

- 40 x Fan controller met thermostaat (328)

- 34 schakelkasten (p. 328)

- 7 x schakelborden (P. 330)

- een groot aantal diverse groei- en voedingsmiddelen (o.a. de merken Canna, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami (p. 331 t/m p. 332 ) en/of

- transformatoren, en/of geldtelmachines en/of (60) eenheden kokos substraat en/of (4) cannacutters en/of diverse meetapparatuur (merk Hanna en/of Bluelab) en/of eenheden CO2 poeder en/of een (groot) aantal lampen en/of schakelborden en/of kweekaarde (merk Canna) en/of flexslagen en/of buizen

En/of bij [ naam bedrijf 1] , althans locatie [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

- een groot aantal koostoffilters en/of

- een groot aantal slakkenhuizen/horecakisten en/of

- een aantal (7) OptiClimates en/of

- (pallets) Supreme Lightmix met perliet en/of

- (pallets) substraat en/of

- een (groot) aantal eenheden canna coco

en/of bij [naam bedrijf 2] ,

- althans op lokatie [adres bedrijf 2] , onder meer: negentien, althans één of meer Climate Controls (opticlimats) (p. 1672) en/of

- althans op lokatie [adres bedrijf 1] , tien, althans één of meer Climate Controls (opticlimats) (p. 1672),

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

bij [ naam bedrijf 1] , althans, locatie [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

- Offerte 0908, d.d. 29 december 2015, totaalbedrag a 72.332,74 euro:

een prijsopgave met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: een alarminstallatie en/of CO2 generator en/of schakelpanelen en/of vijverfolie en/of ophangsysteem opti en/of horeacakisten en/of een post arbeid en/of een watervat op pallet 1000 ltr en/of diverse buizen en/of slangen en/of diverse meters, althans (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 439) en/of

- Offerte 1338, d.d. 7 maart 2016, totaalbedrag 11.475,66 euro:

een prijsopgaaf met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 80 ltr Mapito en/of 110 vierkante pot en/of een schakelpaneel en/of tijdschakelaar en/of wandventilator en/of vijverfolie en of horecakist en/of canna ph bloei en/of cannazuym en/of diverse voedingsmiddelen en/of buisentilator en/of een tuble trimmer, althans een (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p.443)

- factuur 13613 van [ naam bedrijf 1] d.d. 16 mei 2015 verkoop met daarop o.a. Dimlux Maxi Controller en/of Co2 sensor en/of een 23 weg klep voor OptiClimate en/of apparatuur voor een bedrag van 4000,01 euro (p. 452) en/of

- contante stortingen op rekeningnummer [(--)] t.n.v. [ naam bedrijf 1] :

periode 5 januari 2015 t/m 31 december 2015: 2.042.050,00 euro (p. 437) en/of

periode 16 januari 2016 t/m 23 april 2016: 557.995,00 euro (p. 437) en/of

- een werkinstructie "Bouwhandleiding voor de DOE HET ZELVER" (p. 453) en/of

- een geldbedrag van ruim 120.00,00 euro (P. 7) en/of

bij [naam bedrijf 3] , althans locatie [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

- Offerte 0900 d.d. 28 december 2015 totaalbedrag 8.500,00 euro, met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 3 stuks top schaar perfection en/of Bac Plant Vitality plus 500 ml, en/of diverse groei-/bloeimiddelen en/of een horecakist en/of vijvervolie en/of supreme lightmix 50 ltr en/of diverse slangen en/of 325 vierkante pot 18 ltr, althans (alle) (bouw) materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 447)

En/of bij [naam bedrijf 2] onder meer:

een (groot) geldbedrag (131.050,44 euro), althans enig geldbedrag,

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en/of rechtspersonen, te weten o.a. [ naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420 bis Wetboek van strafrecht;

Onder parketnummer 09/807614-17

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 24 november 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de firma [naam bedrijf 3] , althans [adres bedrijf 3] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [ naam bedrijf 1] , althans locatie [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres bedrijf 1] , (verblijfadres van [verdachte] en/of [medeverdachte 4] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [naam bedrijf 8] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, [adres van de loods] onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [ naam bedrijf 1] onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [naam bedrijf 3] onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de firma [naam bedrijf 3] , althans [adres bedrijf 3] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [ naam bedrijf 1] , althans locatie [2e adres bedrijf 1] , onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres bedrijf 1] , (verblijfadres van [verdachte] en/of [medeverdachte 4] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [naam bedrijf 8] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, [adres van de loods] onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [ naam bedrijf 1] onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [naam bedrijf 3] onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 24 november 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [ naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 4] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 5] en/of [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 12], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [ naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 4] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 5] en/of [naam bedrijf 7] en/of [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 12], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Bijlage II

Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 1), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1762).

2 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

3 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 28.

4 Radon 1, proces-verbaal p. 6.

5 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p.606.

6 Verhoor van getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d.16 april 2019, onder punt 7.

7 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 6 en 7.

8 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 11.

9 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

10 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

11 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

12 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 9.

13 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 193.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 2), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 100 t/m 1306 en 1307 t/m 2835).

15 Radon 2, proces-verbaal p. 950.

16 Verhoor van getuige [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 24.

17 Verhoor van getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris d.d. 19 februari 2019, onder punt 6.

18 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en verder.

19 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen p. 156 en verder.

20 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en verder.

21 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 288 en verder.

22 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 2.

23 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 4

24 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

25 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

26 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538, met bijlage op p. 542-543.

27 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2021.

28 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538.

29 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 13 april 2021.

30 Verhoor van getuige [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 18.

31 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 539, met bijlage op p. 544.

32 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546-547.

33 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [naam 2] en [verdachte] d.d. 21 februari 2017, p. 585.

34 Radon 2, een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen zonder dagtekening, p. 553.

35 Radon 2, proces-verbaal van inbeslagname van de op 21 februari 2017 door [ naam bedrijf 1] / [naam bedrijf 3] geleverde goederen, p. 613, met fotobijlagen op p. 614-615.