Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5051

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
09/755048-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Radon. Artikel 11a en 11b van de Opiumwet. De verdachte, een onderneming die assimilatieverlichting en toebehoren verkocht, heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Het assortiment van de verdachte, bestaande uit assimilatielampen en toebehoren, was geschikt voor de illegale hennepteelt. De verkoop van achttien lampen aan één afnemer had ook daadwerkelijk de bestemming illegale hennepteelt. Gelet op de omstandigheden waaronder deze verkoop plaatsvond hadden de verdachte en haar mededaders dat redelijkerwijze moeten weten. Toerekenen van gedragingen van de bestuurder en diens zoon aan de verdachte (rechtspersoon). Vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van voorbereidingshandelingen voor de illegale hennepteelt. Inzet pseudokoop-actie door de politie. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755048-16

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[bedrijfsnaam 1]

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12, 13, 14, 15 en 19 april 2021 (inhoudelijke behandeling) en 18 mei 2021 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C. Stolk, en van hetgeen de verdachte en haar raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 april 2021 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat zij:

1. zich in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

3) zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

4) in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet.

De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Op specifieke standpunten van de raadsvrouw zal de rechtbank - voor zover relevant - onder 3.3 nader ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

Radon 11

Inleiding

[medeverdachte] ) was tot eind 2014 eigenaar van een [bedrijf] , bekend onder de naam [bedrijfsnaam 2] , met als [website 1] . De [bedrijf] was als eenmanszaak gevestigd aan de [adres 2] in Reeuwijk. Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte] [bedrijfsnaam 2] ) opgericht, ingeschreven in het handelsregister als detailhandel via postorder en internet in huis- en tuinartikelen, alsmede het uitoefenen van showroomactiviteiten. [medeverdachte] was via [bedrijfsnaam 3] bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam 2] .2 [bedrijfsnaam 2] voerde sinds eind 2014 bedrijfsactiviteiten op het adres [adres 3] in Reeuwijk.3 [bedrijfsnaam 1] stond ook bekend als [bedrijsnaam]4 met als [website 2] .5

Binnen [bedrijfsnaam 2] was [medeverdachte] de baas, de bedrijfsleider.6 [naam 1] ), de toenmalige partner van [medeverdachte] , was als werknemer in dienst en deed de backoffice; zij nam telefoontjes aan, hield zich bezig met de webshop, pakte bestellingen in en beantwoordde e-mails. [naam 2] ) was in dienst als verkoper. [naam 3] was vanaf het najaar van 2015 werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] als stagiair in het magazijn.7

Na de wetswijziging op 1 maart 2015 wijzigde [bedrijfsnaam 2] haar assortiment. Zij stopte met de productgroepen verlichting en aircosystemen.8 De verkoop van aircosystemen werd ondergebracht bij [bedrijfsnaam 4] ). Dit bedrijf werd op 2 april 2015 ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte] . [bedrijfsnaam 4] werd gevestigd op het adres van de voormalige [bedrijf] aan de [adres 2] in Reeuwijk. [bedrijfsnaam 4] stond ingeschreven als groothandel in machines en apparaten voor warmte-, koel- en vriestechniek. [medeverdachte] was via [bedrijfsnaam 4] bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam 4] .9

Op 13 april 2015 werd het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ) ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 2] . [bedrijfsnaam 1] had als activiteiten winkels en groothandel in verlichtingsartikelen. [bedrijfsnaam 1] was gevestigd aan de [adres] in Reeuwijk. [medeverdachte 2] was via [bedrijfsnaam 5] bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam 1] .10

Tevens richtte [medeverdachte] op 27 augustus 2015 met [bedrijfsnaam 5] op, eveneens gevestigd aan de [adres] in Reeuwijk, met als activiteiten het exploiteren van een groothandel in assimilatieverlichting en luchtbehandeling. [bedrijfsnaam 1] en [medeverdachte 2] waren via respectievelijk [bedrijfsnaam 4] . en [bedrijfsnaam 5] . bevoegde bestuurders van [-] .11 [-] richtte zich op de zakelijke markt.12

Op donderdag 12 mei 2016 in de middag waren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de [adres] in Reeuwijk. De verbalisanten zijn taakaccenthouder verdovende middelen en hadden informatie dat het op [nummer] gevestigde bedrijf, [bedrijfsnaam 2] , fungeerde als [bedrijf] .13

Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten op 12 mei 2016 is het onderzoek Radon 1 gestart. [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 1] .

Ten aanzien van feit 1

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

De verdachte wordt verdacht van het (in vereniging) overtreden van het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel stelt strafbaar degene die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet wordt in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het Openbaar Ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht’ (Kamerstukken TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, p. 2-3).

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 7 december 2012 over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder nog het volgende aangegeven:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. (…) De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’ (Kamerstukken TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, p. 6.)

De wetgever heeft ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt verwezen naar hetgeen hierover is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie.

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Op 12 mei 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het pand van [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] . Bij die doorzoeking zijn diverse assimilatielampen en toebehoren aangetroffen, alsmede schakelborden met elektronica en zogenoemde strijkzakken.

Het door [bedrijfsnaam 1] te koop aangeboden assortiment was relatief beperkt; het bestond slechts uit (assimilatie)lampen en de daarbij behorende artikelen. De assimilatielampen die [bedrijfsnaam 1] te koop aanbood hadden verschillende wattages van 400, 600, 800 of 1000 Watt.

Niet ter discussie staat dat assimilatielampen vaak in bedrijfs- of beroepsmatige of grootschalige (hierna ook: illegale) hennepkwekerijen worden aangetroffen. Assimilatielampen zijn daarmee ook geschikt voor de toepassing in de illegale hennepteelt.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de ten laste gelegde assimilatielampen en bijbehorende artikelen uit de voorraad van [bedrijfsnaam 1] ook daadwerkelijk bestemd waren voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Ter terechtzitting van 14 april 2021 is [naam 8] , wetenschappelijk onderzoeker en projectmanager bij Wageningen University & Research, als deskundige gehoord en onder meer bevraagd over de toepassing van assimilatielampen. [naam 8] heeft uitgelegd dat assimilatielampen worden gebruikt om het dag- en nachtritme van planten te beïnvloeden door het licht te reguleren. Het benodigde vermogen van de lampen is afhankelijk van onder meer de grootte van de ruimte en de afstand van de lampen tot de planten. Tegen deze achtergrond heeft [naam 8] uiteengezet dat in de reguliere tuinbouw lampen van 400 of 600 Watt niet of nauwelijks worden gebruikt. In de reguliere tuinbouw wordt vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van assimilatielampen van 1000 Watt. Een vermogen van 1000 Watt is echter te groot voor toepassing in kleinere, afgesloten, ruimtes, omdat de lampen dan te dicht op de planten hangen. Bij dergelijke toepassingen moeten dan ook lampen met een lager vermogen, bijvoorbeeld 400, 600 of 800 Watt, worden gebruikt.

[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting namens [bedrijfsnaam 1] verklaard dat [bedrijfsnaam 1] een divers klantenbestand had. Naast de reguliere tuinbouwbedrijven leverde [bedrijfsnaam 1] ook verlichting aan thuis- en hobbytelers die kleinere wattages gebruiken. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zijn zoon en diens vrienden het pand van [bedrijfsnaam 1] gebruikten als clubhuis en dat een bekende van hem zich in het pand van [bedrijfsnaam 1] bezighield met elektriciteit en schakelborden.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de assimilatielampen van 1000 Watt die bij [bedrijfsnaam 1] zijn aangetroffen in de reguliere tuinbouw gebruikt worden en dat gebruik van lampen met dit wattage voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt wel mogelijk is, maar minder vaak voor zal komen omdat deze teelt vaak in afgesloten ruimtes plaatsvindt. Voor de lampen met een vermogen van 400 en 600 Watt is gebruik in de reguliere tuinbouw juist niet voor de hand liggend. Lampen met deze wattages hebben blijkbaar een andere bestemming, bijvoorbeeld de thuis- en hobbytelers waarover [medeverdachte 2] heeft verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de ten laste gelegde assimilatielampen wel kunnen worden aangewend voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige teelt van hennep, maar niet dat deze lampen daartoe zonder uitzondering bestemd waren. Eén en ander nog daargelaten of [bedrijfsnaam 1] , als van een dergelijke bestemming zou worden uitgegaan, dat heeft geweten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was (intentie).

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde goederen die bij [bedrijfsnaam 1] zijn aangetroffen (onder meer schakelborden met elektronica en zogenoemde strijkzakken), overweegt de rechtbank dat deze goederen - met name in combinatie met de assimilatielampen - te denken geven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan echter niet worden opgemaakt dat deze goederen tot het assortiment en/of de voorraad van [bedrijfsnaam 1] behoorden. Het pand werd immers ook door andere dan bij [bedrijfsnaam 1] berokken personen gebruikt. Nu de rechtbank de aanwezigheid van deze goederen in het pand van [bedrijfsnaam 1] niet nader kan duiden, kan de rechtbank niet vaststellen dat, als deze al bestemd waren voor de illegale hennepteelt, [bedrijfsnaam 1] dit had moeten weten of ernstige reden had om te vermoeden dat dit het geval was.

Ten aanzien van de ten laste gelegde offerte O900, die is aangetroffen op het kantoor van [bedrijfsnaam 1] aan de [adres 3] , overweegt de rechtbank als volgt.

Op deze locatie waren de winkel, de kantoorruimten en een deel van de voorraad van [bedrijfsnaam 2] gevestigd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [medeverdachte 2] hier ook tijdelijk kantoor hield voor [bedrijfsnaam 1] . In voornoemd pand van [bedrijfsnaam 2] zijn verschillende offertes aangetroffen met dezelfde lay-out. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 1252 en 1253 blijkt dat [bedrijfsnaam 2] beschikte over een softwarepakket waarmee zij offertes kon opmaken en dat de lay-out van deze offertes altijd gelijk was en werd bepaald door het softwarepakket. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting, ook namens [bedrijfsnaam 1] , verklaard dat [bedrijfsnaam 1] niet over een dergelijk offerteprogramma beschikte en dus ook niet zulke offertes kon opmaken. Deze verklaring wordt niet weersproken door het dossier. Hieruit maakt de rechtbank op dat de offerte die is aangetroffen op het kantoor van [bedrijfsnaam 1] van [bedrijfsnaam 2] moet zijn. Waarom deze offerte op het kantoor van [bedrijfsnaam 1] lag, is niet uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting naar voren gekomen. Nu de rechtbank de aanwezigheid van deze offerte op het kantoor van [bedrijfsnaam 1] niet nader kan duiden, kan de rechtbank niet vaststellen dat, als deze al bestemd was voor de illegale hennepteelt, [bedrijfsnaam 1] dit had moeten weten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was.

De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie komt dat [bedrijfsnaam 1] zich niet als pleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

De rechtbank moet zich vervolgens richten op de in de tenlastelegging genoemde goederen die bij [bedrijfsnaam 2] zijn aangetroffen en zal zich in dat kader buigen over de vraag of [bedrijfsnaam 1] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. De relevante criteria in dit verband zijn of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen die personen en of sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Hierbij is van belang dat de bijdrage van intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn geweest. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

In het dossier bevinden zich verschillende voorbeelden die volgens de officier van justitie wijzen op een samenwerking tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] . Zo is een verslag van een werkoverleg van 2 mei 2016 aangetroffen (p. 688), waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte] , [medeverdachte 3] , [naam 1] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 3] en [naam 6] bij dat overleg aanwezig waren. Voorts blijkt uit het verslag dat een bepaalde taakverdeling is besproken en dat ieder verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen afdeling. Tevens bevindt zich in het dossier een document genaamd “ [organogram] ”, waarin onder meer uiteen wordt gezet dat verschillende beheer B.V.’s en holdings zullen participeren, dat de goederen die in verband met de wetswijziging niet bij [bedrijfsnaam 2] mogen worden opgeslagen, bij respectievelijk [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 4] zullen worden opgeslagen. De raadsvrouw heeft bestreden dat deze documenten op samenwerking duiden en heeft daartoe aangevoerd dat deze documenten ook kunnen duiden op afstemming tussen bedrijven, zodat zij na de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet binnen de grenzen van de wet zouden handelen.

De officier van justitie heeft ook gewezen op verschillende e-mailwisselingen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte] over de inkoop van goederen, de voorraad en het geven van kortingen. De raadsvrouw heeft met betrekking tot deze e-mails aangevoerd dat dit niet op samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] duidt, maar dat deze e-mails kunnen worden verklaard door de samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte] in hun bedrijf [-] .

Een ander belangrijk aspect dat volgens de officier van justitie op medeplegen duidt, is de omstandigheid dat [bedrijfsnaam 1] tijdelijk kantoor hield in het pand van [bedrijfsnaam 2] op de [adres 3] . De raadsvrouw heeft op dit punt aangevoerd dat het pand van [bedrijfsnaam 1] op de [adres] moest worden verbouwd en dat dat pand nog niet beschikte over een internetaansluiting. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank door de raadsvrouw voldoende onderbouwd met onder meer een afschrift van de huurovereenkomst, foto’s van de binnenkant van het pand en het contract met de internetaanbieder.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat uit voornoemde door de officier van justitie aangehaalde voorbeelden niet ondubbelzinnig volgt dat sprake was van medeplegen van de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen door [bedrijfsnaam 1] met [bedrijfsnaam 2] . Ook voor het overige bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] met betrekking tot het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet. Dit maakt dat ook niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [bedrijfsnaam 1] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Concluderend zal [bedrijfsnaam 1] worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overtreding van artikel 11b van de Opiumwet zoekt de rechtbank aansluiting bij het juridisch kader dat geldt voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt dat onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Van een dergelijk samenwerkingsverband tussen [bedrijfsnaam 1] , [medeverdachte 2] , [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 4] en/of [medeverdachte] is, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Voor zover het om het samenwerkingsverband tussen louter [bedrijfsnaam 1] en [medeverdachte 2] gaat, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, niet bewezen kan worden verklaard dat deze organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk had.

[bedrijfsnaam 1] zal daarom ook worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.3.2

Radon 214

Inleiding

In juni 2016 werd de voorlopige hechtenis van [medeverdachte] en [medeverdachte 2] geschorst. Kort na hun vrijlating hebben zij hun bedrijven [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] weer geopend. Na de inval op 12 mei 2016 hebben geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsgevonden binnen [bedrijfsnaam 4] en [-] .15 Binnen [bedrijfsnaam 2] veranderde de taakverdeling niet. [medeverdachte] was de baas en [naam 2] de verkoper.16 [naam 1] deed tot haar uitdiensttreding begin 2017 de backoffice.17

Op 19 september 2016 is het bedrijf [bedrijfsnaam 6] ) opgericht. [bedrijfsnaam 6] had als activiteiten winkels in overige elektrische huishoudelijke apparatuur en het in- en verkopen van airco-installaties en aanverwante artikelen. Bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam 6] was [naam 1] .18 [bedrijfsnaam 6] huurde een bedrijfsunit aan de [adres 4] in Woerden.19

Vanaf 29 november 2016 zijn [medeverdachte 2] . en [bedrijfsnaam 7] . gezamenlijk bevoegde bestuurders van [bedrijfsnaam 7] ., met als handelsnaam tevens [bedrijfsnaam 7] en feitelijk handelend onder de naam [bedrijfsnaam 6] . Als activiteit staat onder andere geregistreerd: groothandel in verlichtingsartikelen. Via hun respectieve beheer BV’s zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de feitelijke bestuurders van [bedrijfsnaam 6] . Het bedrijf had als bezoekadres [adres 5] in Gouda.20 Het bedrijf had een loods in gebruik aan de [adres 6] in Berkenwoude.21

Voor [medeverdachte] en [medeverdachte 2] zijn in het kader van het onderzoek Radon 2 bevelen observatie en tap afgegeven. Ook voor de bij hen werkzame personeelsleden, waaronder [naam 1] , [naam 2] en [medeverdachte 3] , zijn bevelen tap afgegeven.22 Daarnaast zijn onder een aantal voertuigen peilbakens geplaatst: één onder de bedrijfsbus van [bedrijfsnaam 2] en één onder de Mazda personenauto van [medeverdachte 2] .23 In opdracht van de officier van justitie en in samenwerking met een tactisch onderzoeksteam, heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid vanaf woensdag 25 januari 2017 uitvoering gegeven aan een bevel pseudokoop van goederen bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt.24

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksteam zijn [medeverdachte] , [medeverdachte 2] , [naam 1] , [naam 2] en [medeverdachte 3] aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 1] .

Ten aanzien van feit 3

Redengevende feiten en omstandigheden

Vanaf 25 januari 2017 heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid uitvoering gegeven aan het in de inleiding genoemde bevel pseudokoop.25 In dit kader bevonden pseudokopers [-] ) zich op 7 februari 2017 in het pand van [bedrijfsnaam 2] aan de [adres 3] . Hier schreef [naam 2] ) op de offerte van [bedrijfsnaam 2] die hij zojuist voor de pseudokopers had gemaakt de tekst: “Dimlux Expert 600W complete fix 18x, [adres] [bedrijfsnaam 1] .” Hierop vertrokken de pseudokopers naar het pand van [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te Reeuwwijk.26

De pseudokopers werden bij [bedrijfsnaam 1] ontvangen door [medeverdachte 3] ).27 De pseudokopers zeiden tegen [medeverdachte 3] dat zij voor achttien stuks ‘Dimlux’ kwamen, waarop [medeverdachte 3] een verpakking met Dimlux-verlichting uit het schap pakte en hier een korte technische uitleg over gaf. De pseudokopers bestelden vervolgens achttien stuks bij [medeverdachte 3] . Pseudokoper A zag op het schap een A4’tje hangen met daarop de mededeling dat de wetgeving was veranderd en dat particulieren maximaal twee lampen konden aankopen. Pseudokoper A confronteerde [medeverdachte 3] met deze mededeling en vroeg hem of het dan geen probleem was dat zij achttien lampen wilden hebben. [medeverdachte 3] antwoordde hierop lachend: “Nu niet, maar als de politie binnenkomt wel.” Afgesproken werd dat de pseudokopers de lampen zaterdag zouden komen ophalen. Pseudokoper B heeft [medeverdachte 3] desgevraagd een bedrag van € 500,- als aanbetaling gegeven.28 Vervolgens kwam [medeverdachte 2] ) uit de aangrenzende ruimte aangelopen.29 Aan hem werd voornoemde offerte met aantekeningen gegeven. Eén van de pseudokopers zei dat hij dit van [medeverdachte 3] van het tuincentrum had gekregen en dat [medeverdachte 3] ook deze aantekening op de offerte had gemaakt. Hierop heeft [medeverdachte 2] de pseudokoper duidelijk gemaakt dat hij niets met het tuincentrum te maken had en dat hij op verschillende plaatsen in zijn winkel waarschuwingen had hangen die zagen op het ingaan van de wetswijziging. Vervolgens heeft hij de pseudokopers gevraagd of alles duidelijk was, waarop de pseudokopers antwoordden dat zijn zoon alles al had uitgelegd.30 [medeverdachte 3] schreef vervolgens een bon uit, met daarop een telefoonnummer en desgevraagd zijn naam, ‘ [medeverdachte 3] ’. [medeverdachte 3] vroeg de pseudokopers of zij zaterdag een sms konden sturen naar het genoteerde telefoonnummer voordat zij de lampen op kwamen halen, zonder in die sms te vermelden dat het om achttien lampen ging. Hierna hebben de pseudokopers het pand verlaten.31

Op 14 februari 2017 kwamen de pseudokopers terug bij het pand van [bedrijfsnaam 2] om een deel van de daar gedane bestelling op te halen. [medeverdachte 3] was op dat moment aanwezig in de loods van [bedrijfsnaam 2] , waarop pseudokoper A hem vroeg of zij de lampen nu meteen op konden halen. [medeverdachte 3] antwoordde hierop dat hij op dit moment maar acht lampen op voorraad had, omdat de pseudokopers de lampen eigenlijk zaterdag zouden moeten hebben opgehaald. Pseudokoper A gaf aan dat hij vrijdag had gebeld om de afspraak te verzetten en dat hij ervan uit was gegaan dat dit was doorgegeven. [medeverdachte 3] zei dat dit niet het geval was. Hierop maakte pseudokoper A de afspraak met [medeverdachte 3] om de lampen over een uur op te komen halen.32

Op 21 februari 2017 heeft pseudokoper A telefonisch contact opgenomen met [bedrijfsnaam 1] en met [medeverdachte 3] afgesproken dat hij de eerder gedane bestelling vandaag zou komen ophalen.33

Aangekomen bij het pand van [bedrijfsnaam 1] troffen de pseudokopers [medeverdachte 3] aan, evenals de man die zij herkenden van hun eerdere bezoek aan [bedrijfsnaam 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 2] was in gesprek met een klant over het telen van wiet en adviseerde deze klant welke lampen hij daar het beste voor kon gebruiken. Nadat pseudokoper B het resterende bedrag van € 5.080,- had afgerekend, hebben de pseudokopers samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de lampen in hun voertuig geladen.34

Na afronding van het pseudokooptraject zijn de aangekochte goederen in beslag genomen, waaronder 18 dozen lampen van het merk Dimlux van 600 Watt.35

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Voor het juridisch kader van artikel 11a van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover bij feit 1 uiteen heeft gezet.

Ook in de onder de feiten 3 en 4 ten laste gelegde periode was het door [bedrijfsnaam 1] te koop aangeboden assortiment relatief beperkt; het bestond slechts uit (assimilatie)lampen en de daarbij behorende artikelen. De assimilatielampen die [bedrijfsnaam 1] te koop aanbood, hadden verschillende wattages van 400, 600, 800 of 1000 Watt. Niet ter discussie staat dat assimilatielampen vaak in illegale hennepkwekerijen worden aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar worden afgeleid dat de bij [bedrijfsnaam 1] aangetroffen (onderdelen van) assimilatielampen wel kúnnen worden aangewend voor illegale teelt van hennep, maar niet dat deze lampen daar zonder uitzondering ook daadwerkelijk voor bestemd waren. Nog daargelaten of [bedrijfsnaam 1] , als van een dergelijke bestemming zou worden uitgegaan, dat heeft geweten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was (intentie).

Met betrekking tot de lampen die zijn verkocht aan de pseudokopers geldt het volgende.

Zoals ook onder feit 1 is overwogen, zijn assimilatielampen van 600 Watt geschikt voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Blijkens bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet betreft deze bij de hennepteelt gebruikte verlichting ook een indicator voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat illegale hennepteelt ook daadwerkelijk de bestemming was van de assimilatielampen die door de pseudokopers zijn gekocht, en dat [bedrijfsnaam 1] ook ernstige reden had dit te vermoeden, leidt de rechtbank uit het volgende af.

De rechtbank stelt voorop dat het pseudokooptraject was opgezet om te zien of men alle benodigde goederen voor het opzetten van een grootschalige hennepkwekerij bij de betrokken bedrijven kon kopen. Daarmee staat vast dat de aan te kopen goederen bestemd waren voor de grootschalige hennepteelt.

De pseudokopers hebben hun offerte van [bedrijfsnaam 2] , met daarop de aantekening van [naam 2] dat zij achttien Dimlux-lampen van 600 Watt nodig hadden, aan [medeverdachte 3] overhandigd. De pseudokopers hebben daarbij tevens in de aanwezigheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] genoemd dat zij de offerte van [medeverdachte 3] van het tuincentrum hadden gekregen en dat [medeverdachte 3] daarop voornoemde aantekening had gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te verwijten valt dat zij onder deze omstandigheden geen nadere vragen hebben gesteld aan de pseudokopers over de bestemming van deze achttien lampen, terwijl zij ernstige reden hadden te vermoeden dat dit aantal lampen bestemd was voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Uit de omstandigheid dat de verkoop op 7 februari 2017, na uitleg te hebben gegeven over de lampen, door [medeverdachte 3] is gesloten, dat [medeverdachte 2] aanwezig was bij het plaatsen van de bestelling en hierover ook in gesprek is gegaan met de pseudokopers en de omstandigheid dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] hebben geholpen met het inladen van de lampen tijdens de levering op 21 februari 2017, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .

Het voorgaande, in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank bewezen acht dat [bedrijfsnaam 1] zich met betrekking tot de lampen die zijn gekocht door de pseudokopers samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Voor een nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijfsnaam 2] en de bij dit bedrijf betrokken natuurlijke personen bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Allereerst is niet gebleken dat [bedrijfsnaam 1] de beschikking had over het assortiment dan wel de voorraad van [bedrijfsnaam 2] . Daarnaast zijn in de maanden voorafgaand aan het pseudokooptraject verschillende BOB-middelen ingezet, waaronder het tappen van telefoongesprekken. Uit de resultaten van de inzet van deze BOB-middelen is niet gebleken dat (de betrokken personen bij) [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] gedurende deze maanden contact met elkaars bedrijf hebben gehad.

Daarnaast zijn met betrekking tot de pseudokoop verschillende contra-indicaties voor samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] aanwezig. Zo heeft kennelijk geen van de bij [bedrijfsnaam 2] betrokken personen via [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] aan [bedrijfsnaam 1] doorgegeven dat de pseudokopers hun afspraak wilden verzetten, hetgeen de pseudokoper wel aan [naam 2] gevraagd had. Ook bevindt zich een tapgesprek in het dossier waarin één van de pseudokopers [medeverdachte] belt met de vraag of hij ook gelijk de lampen kan ophalen op 21 februari 2017, waarop [medeverdachte] zegt dat de pseudokoper dat zelf moet regelen en dat zij daar niets mee te maken hebben. Wanneer de pseudokoper hierop vraagt om een telefoonnummer, antwoordt [medeverdachte] dat hij geen telefoonnummer of andere contactgegevens heeft en dat de pseudokoper dat zelf op internet moet opzoeken.

Voorts is de rechtbank ook niet gebleken van enige handelingen die duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 6] . Uit het dossier is, ook na de inzet van BOB-middelen, niet gebleken dat deze bedrijven op enige wijze contact met elkaar hadden, al dan niet in het kader van de aankoop door de pseudokopers.

Voor zover het de overige op de tenlastelegging genoemde goederen betreft, overweegt de rechtbank dat van deze goederen weliswaar kan worden gezegd dat zij geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat zij daar ook daadwerkelijk toe bestemd waren, en/of dat er aanknopingspunten zijn dat [bedrijfsnaam 1] de intentie had om die goederen – voor zover zij daar al de beschikking over had – voor de illegale hennepteelt aan te wenden.

De aansprakelijkheid van [bedrijfsnaam 1] als rechtspersoon

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast:

  • -

    de verkoop van lampen is de kernactiviteit van [bedrijfsnaam 1] ;

  • -

    de pseudokopers hebben tekst en uitleg gekregen over de wijze waarop zij de lampen moesten gebruiken van [medeverdachte 3] , de zoon van [medeverdachte 2] , die op dat moment in de winkel aanwezig was;

  • -

    [medeverdachte 2] heeft vervolgens aan de pseudokopers gevraagd of alles duidelijk was;

  • -

    [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben nadat de lampen waren afgerekend, geholpen de gekochte lampen in de auto van de pseudokopers te laden;

  • -

    [medeverdachte 2] is bevoegd bestuurder van [bedrijfsnaam 1] .

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onder 3. ten laste gelegde gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Die gedraging kan daarom in redelijkheid aan [bedrijfsnaam 1] worden toegerekend.

Ten aanzien van feit 4

Voor het juridisch kader van artikel 11b van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover bij feit 2 uiteen heeft gezet.

Uit het onder feit 3 overwogene blijkt dat de rechtbank niet is gebleken van enige samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] dan wel tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 6] , gericht op het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet. Van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband tussen deze bedrijven met dat doel kan dan ook niet worden gesproken. Van een dergelijke verboden samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 3] [bedrijfsnaam 4] , [bedrijfsnaam 4] , [-] en [bedrijfsnaam 6] is de rechtbank evenmin gebleken.

Met betrekking tot de samenwerking tussen [bedrijfsnaam 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat uit de omstandigheid dat zij tezamen éénmalig artikel 11a van de Opiumwet hebben overtreden nog niet blijkt dat zij als organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk had.

[bedrijfsnaam 1] zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

3.

in de periode van 7 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te Reeuwijk, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen heeft verkocht, te weten:

een aantal assimilatielampen van Dimlux

waarvan zij en haar mededaders ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte geen straf wordt opgelegd, maar dat alle onder de verdachte inbeslaggenomen contante geldbedragen en banktegoeden zullen worden verbeurd verklaard.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de bestuurder van [bedrijfsnaam 1] door de geëiste afdoening onevenredig hard zou worden geraakt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich als rechtspersoon, samen met haar bestuurder en een ander als mededader, schuldig gemaakt aan de verkoop van goederen waarvan zij hadden moeten vermoeden dat deze bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en is daarom door de wetgever op de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige en ondermijnende) criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Doordat onder de vlag van de verdachte goederen zijn verkocht die bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, heeft de verdachte indirect een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het met de illegale hennepteelt verband houdende criminele milieu.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 1 maart 2021, waaruit blijkt dat deze niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er binnen de verdachte na de inval van de politie in het kader van het onderzoek Radon 2 geen activiteiten meer hebben plaatsgevonden.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de verdachte is deze termijn aangevangen op de dag dat de rechtspersoon is aangemerkt als verdachte in het kader van het onderzoek Radon 1, te weten op 12 mei 2016. Ook in aanmerking genomen dat het onderzoek langer heeft geduurd als gevolg van uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, zijn er geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnoverschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank acht in deze zaak een geldboete een passende sanctie, nu de verdachte een rechtspersoon is en omdat de verkoop van goederen die bestemd waren voor de professionele en/of grootschalige hennepteelt was gericht op het maken van winst.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een geldboete ter hoogte van € 5.000,- passend en geboden.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (hierna: de beslaglijst, welke als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 17, 19, 20, 24 tot en met 27, 32, 81 tot en met 100, 171, 172, 195, 197 tot en met 207, 209 tot en met 230 genummerde goederen zullen worden teruggeven aan de verdachte. Ten aanzien van het onder 21 genoemde goed heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd. Ten aanzien van alle overige goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht alle in beslaggenomen goederen terug te geven aan de verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van alle op de beslaglijst genoemde goederen, behalve de onder 22, 23, 196 en 208 genoemde goederen. Met betrekking tot deze goederen is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24 c, 36b, 36d, en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 11 a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van stoffen en voorwerpen bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 5.000,- (zegge vijfduizend euro);

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 22, 23, 196 en 208 genummerde goederen;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

bij de firma [bedrijfsnaam 1] , althans op de locatie [adres] onder meer:

- een OptiClimate (p. 255) en/of

- 110, althans één of meer assimilatiekappen (p. 256) en/of

- 112, althans één of meer dozen inhoudende elk 12 stuks LucaLOX 97237 en/of

LU600/HO/T/E40 GL(=lampen) (P. 258) en/of

- 157, althans één of meer dozen met elk 2 stuks 6212826 600W (P. 258) en/of

- 9 dozen met elk 54 stuks Phillips Master Green Power lamp(en) (p. 258) en/of

- 39 dozen met elk 12 stuks MST SON-T PIA Plus 400W (=lampen) (P. 259) en/of

- vier Led-Units (p. 259) en/of

- 14 schakelborden met electronica (p. 262) en/of

- 93 dozen met elk 2 stuks Mari 1/a Gearbox 600W HPS (p. 256) en/of

- (groot) aantal Dimlux lampen en/of assimilatielampen en/of Reflectoren en/of

transformatoren en/of een defensor (luchtbevochtiger) en/of strijkzakken en/of voedingsmiddelen (longflower Supermix)

en/of bij [bedrijfsnaam 2] , althans op [adres] , onder meer:

- 57 slakkenhuizen (p. 326) en/of

- 7 x OptiClimate (p. 326) en/of

- 34 koolstoffilters in doos (p. 326) en/of

- 19 dozen met assimilatiekappen (2 st per doos)( p. 328)

- 40 x Fan controller met thermostaat (328)

- 34 schakelkasten (p. 328)

- 7 x schakelborden (P. 330)

- een groot aantal diverse groei- en voedingsmiddelen (o.a. de merken Canna, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami (p. 331 t/m p. 332) en/of

- transformatoren, en/of geldtelmachines en/of (60) eenheden kokos substraat en/of (4) cannacutters en/of diverse meetapparatuur (merk Hanna en/of Bluelab) en/of eenheden CO2 poeder en/of een (groot) aantal lampen en/of schakelborden en/of kweekaarde (merk Canna) en/of flexslagen en/of buizen

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

bij [bedrijfsnaam 2] , althans, locatie [adres] , onder meer:

- Offerte 0908, d.d. 29 december 2015, totaalbedrag a 72.332,74 euro:

een prijsopgave met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: een alarminstallatie en/of CO2 generator en/of schakelpanelen en/of vijverfolie en/of ophangsysteem opti en/of horeacakisten en/of een post arbeid en/of een watervat op pallet 1000 ltr en/of diverse buizen en/of slangen en/of diverse meters, althans (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 439) en/of

- Offerte 1338, d.d. 7 maart 2016, totaalbedrag 11.475,66 euro:

een prijsopgaaf met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 80 ltr Mapito en/of 110 vierkante pot en/of een schakelpaneel en/of tijdschakelaar en/of wandventilator en/of vijverfolie en of horecakist en/of canna ph bloei en/of cannazuym en/of diverse voedingsmiddelen en/of buisentilator en/of een tuble trimmer, althans een (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p.443)

- factuur 13613 van TCH BV d.d. 16 mei 2015 verkoop met daarop o.a. Dimlux Maxi Controller en/of Co2 sensor en/of een 23 weg klep voor OptiClimate en/of apparatuur voor een bedrag van 4000,01 euro (p. 452) en/of

- contante stortingen op rekeningnummer NL27INGB0006434708 t.n.v. TCH BV:

periode 5 januari 2015 t/m 31 december 2015: 2.042.050,00 euro (p. 437) en/of

periode 16 januari 2016 t/m 23 april 2016: 557.995,00 euro (p. 437) en/of

- een werkinstructie "Bouwhandleiding voor de DOE HET ZELVER" (p. 453) en/of

- een geldbedrag van ruim 120.00,00 euro (P. 7) en/of

bij [bedrijfsnaam 1] , althans locatie [adres] , onder meer:

- Offerte 0900 d.d. 28 december 2015 totaalbedrag 8.500,00 euro, met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 3 stuks top schaar perfection en/of Bac Plant Vitality plus 500 ml, en/of diverse groei-/bloeimiddelen en/of een horecakist en/of vijvervolie en/of supreme lightmix 50 ltr en/of diverse slangen en/of 325 vierkante pot 18 ltr, althans (alle) (bouw) materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 447)

waarvan zij en haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. [medeverdachte] en [medeverdachte 2] en/of rechtspersonen, te weten o.a. [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] . , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420 bis Wetboek van strafrecht;

3.

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de firma [bedrijfsnaam 1] , althans [adres] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

- transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [bedrijfsnaam 2] , althans locatie [adres] , onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres 2] te Reeuwijk, (verblijfadres van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [bedrijfsnaam 6] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, perceel [adres 7] te Berkenwoude onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [bedrijfsnaam 2] onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [bedrijfsnaam 1] onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan zij en haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

4.

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) [medeverdachte 2] en/of [naam 7] en/of [medeverdachte 3] en/of [naam 1] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [bedrijfsnaam 2] en/of [bedrijfsnaam 3] en/of [bedrijfsnaam 3] en/of [-] en/of [bedrijfsnaam 6] en/of [bedrijfsnaam 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Bijlage II

Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 1), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1762).

2 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

3 Verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 28.

4 Radon 1, proces-verbaal p. 6.

5 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p.606.

6 Verhoor van getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris d.d.16 april 2019, onder punt 7.

7 Verhoor van getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 6 en 7.

8 Verhoor van getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 11.

9 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

10 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

11 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

12 Verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 9.

13 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 193.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 2), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 100 t/m 1306 en 1307 t/m 2835).

15 Radon 2, proces-verbaal p. 950.

16 Verhoor van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 24.

17 Verhoor van [naam 2] bij de rechter-commissaris d.d. 19 februari 2019, onder punt 6.

18 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en verder.

19 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen p. 156 en verder.

20 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en verder.

21 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 288 en verder.

22 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 2.

23 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 4

24 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

25 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

26 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538, met bijlage op p. 542-543.

27 Verklaring van [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 14 april 2021.

28 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538.

29 Verklaring van [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 13 april 2021.

30 Verhoor van getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 18.

31 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 539, met bijlage op p. 544.

32 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546-547.

33 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [medeverdachte 3] d.d. 21 februari 2017, p. 585.

34 Radon 2, een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen zonder dagtekening, p. 553.

35 Radon 2, proces-verbaal van inbeslagname van de op 21 februari 2017 door [bedrijfsnaam 2] / [bedrijfsnaam 1] geleverde goederen, p. 613, met fotobijlagen op p. 614-615.