Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
09/842326-16 en 09/807626-17 (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Radon. Artikel 11a en 11b van de Opiumwet. De verdachte, eigenaar van een onderneming die assimilatieverlichting en toebehoren verkocht, heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Het assortiment van de onderneming van de verdachte, bestaande uit assimilatielampen en toebehoren, was geschikt voor de illegale hennepteelt. De verkoop van achttien lampen aan één afnemer, waar de verdachte bij betrokken was, had ook daadwerkelijk de bestemming illegale hennepteelt. Gelet op de omstandigheden waaronder deze verkoop plaatsvond, hadden de verdachte en zijn mededaders dat redelijkerwijze moeten weten. Vrijspraak voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van voorbereidingshandelingen voor de illegale hennepteelt. Inzet pseudokoop-actie door de politie. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842326-16 en 09/807626-17 (gev. ttz)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Gouda,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12, 13, 14, 15 en 19 april 2021 (inhoudelijke behandeling) en 18 mei 2021 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C. Stolk, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 april 2021 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat hij:

in de zaak met parketnummer 09/842326-16

1. zich in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) in de periode van 1 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

in de zaak met parketnummer 09/807626-17

1. zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet.

De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Op specifieke standpunten van de raadsvrouw zal de rechtbank - voor zover relevant - onder 3.3 nader ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

Ten aanzien van parketnummer 09/842326-16 (Radon 1)1

Inleiding

[medeverdachte4] (verder: [medeverdachte4] ) was tot eind 2014 eigenaar van een growshop, bekend onder de naam Growshop [bedrijf 1] , met als website [website 1] . De growshop was als eenmanszaak gevestigd aan de [adres 2] . Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte4] [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ) opgericht, ingeschreven in het handelsregister als detailhandel via postorder en internet in huis- en tuinartikelen, alsmede het uitoefenen van showroomactiviteiten. [medeverdachte4] was via [bedrijf 5] (verder: [bedrijf 5] ) bevoegd bestuurder van [bedrijf 1] .2 [bedrijf 1] voerde sinds eind 2014 bedrijfsactiviteiten op het [adres 3] .3 [bedrijf 1] stond ook bekend als [bedrijf 6]4 met als website [website 2] .5

Binnen [bedrijf 1] was [medeverdachte4] de baas, de bedrijfsleider.6 [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ), de toenmalige partner van [medeverdachte4] , was als werknemer in dienst en deed de backoffice; zij nam telefoontjes aan, hield zich bezig met de webshop, pakte bestellingen in en beantwoordde e-mails. [medeverdachte2] (verder: [medeverdachte2] ) was in dienst als verkoper. [medeverdachte3] (verder: [medeverdachte3] ) was vanaf het najaar van 2015 werkzaam bij [bedrijf 1] als stagiair in het magazijn.7

Na de wetswijziging op 1 maart 2015 wijzigde [bedrijf 1] haar assortiment. Zij stopte met de productgroepen verlichting en aircosystemen.8 De verkoop van aircosystemen werd ondergebracht bij [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2] ). Dit bedrijf werd op 2 april 2015 ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte4] . [bedrijf 2] werd gevestigd op het adres van de voormalige growshop aan de [adres 2] . [bedrijf 2] stond ingeschreven als groothandel in machines en apparaten voor warmte-, koel- en vriestechniek. [medeverdachte4] was via [bedrijf 2] bevoegd bestuurder van [bedrijf 2] .9

Op 13 april 2015 werd het bedrijf [bedrijf 4] . (verder: [bedrijf 4] ) ingeschreven in het handelsregister door [verdachte] (verder: [verdachte] ). [bedrijf 4] had als activiteiten winkels en groothandel in verlichtingsartikelen. [bedrijf 4] was gevestigd aan de [adres 4] . [verdachte] was via [bedrijf 10] bevoegd bestuurder van [bedrijf 4] .10

Tevens richtte [medeverdachte4] op 27 augustus 2015 met [verdachte] het bedrijf [bedrijf 7] (verder: [bedrijf 7] ) op, eveneens gevestigd aan de [adres 4] , met als activiteiten het exploiteren van een groothandel in assimilatieverlichting en luchtbehandeling. [medeverdachte4] en [verdachte] waren via respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 10] bevoegde bestuurders van [bedrijf 7] .11 [bedrijf 7] richtte zich op de zakelijke markt.12

Op donderdag 12 mei 2016 in de middag waren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de [adres 4] . De verbalisanten zijn taakaccenthouder verdovende middelen en hadden informatie dat het op [nummer 1] gevestigde bedrijf, [bedrijf 1] , fungeerde als growshop.13

Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten op 12 mei 2016 is het onderzoek Radon 1 gestart. [medeverdachte4] , [verdachte] en [medeverdachte3] zijn aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] .

Ten aanzien van feit 1

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

De verdachte wordt verdacht van het (in vereniging) overtreden van het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel stelt strafbaar degene die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet wordt in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het Openbaar Ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht’ (Kamerstukken TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, p. 2-3) .

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 7 december 2012 over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder nog het volgende aangegeven:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. (…) De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal’ (Kamerstukken TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, p. 6).

De wetgever heeft ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt verwezen naar hetgeen hierover is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie:

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Op 12 mei 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het pand van [bedrijf 4] aan de [adres 4] . Bij die doorzoeking zijn diverse assimilatielampen en toebehoren aangetroffen, alsmede schakelborden met elektronica en zogenoemde strijkzakken.

Het door [bedrijf 4] te koop aangeboden assortiment was relatief beperkt; het bestond slechts uit (assimilatie)lampen en de daarbij behorende artikelen. De assimilatielampen die [bedrijf 4] te koop aanbood hadden verschillende wattages van 400, 600, 800 of 1000 Watt.

Niet ter discussie staat dat assimilatielampen vaak in professionele of grootschalige hennepkwekerijen worden aangetroffen. Assimilatielampen zijn daarmee ook geschikt voor de toepassing in de illegale hennepteelt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de ten laste gelegde assimilatielampen en bijbehorende artikelen ook daadwerkelijk bestemd waren voor bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Ter terechtzitting van 14 april 2021 is [naam] , wetenschappelijk onderzoeker en projectmanager bij Wageningen University & Research, als deskundige gehoord en onder meer bevraagd over de toepassing van assimilatielampen. Voogt heeft uitgelegd dat assimilatielampen worden gebruikt om het dag- en nachtritme van planten te beïnvloeden door het licht te reguleren. Het benodigde vermogen van de lampen is afhankelijk van onder meer de grootte van de ruimte en de afstand van de lampen tot de planten. Tegen deze achtergrond heeft Voogt uiteengezet dat in de reguliere en tuinbouw lampen van 400 of 600 Watt niet dan wel nauwelijks worden gebruikt. In de reguliere tuinbouw wordt vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van assimilatielampen van 1000 Watt. Een vermogen van 1000 Watt is echter te groot voor toepassing kleinere ruimtes, omdat de lampen dan te dicht op de planten hangen. Bij dergelijke toepassingen moeten dan ook lampen met een lager vermogen, bijvoorbeeld 400, 600 of 800 Watt, worden gebruikt.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [bedrijf 4] een divers klantenbestand had. Naast de reguliere tuinbouwbedrijven leverde [bedrijf 4] ook verlichting aan thuis- en hobbytelers die kleinere wattages gebruiken. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat zijn zoon en diens vrienden het pand van [bedrijf 4] gebruikten als clubhuis en dat een bekende van hem zich in het pand van [bedrijf 4] bezighield met elektriciteit en schakelborden.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de assimilatielampen van 1000 Watt die bij [bedrijf 4] zijn aangetroffen in de reguliere tuinbouw gebruikt worden en dat gebruik van lampen met dit wattage voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt wel mogelijk is, maar minder vaak voor zal komen omdat deze teelt vaak in afgesloten ruimtes plaatsvindt. Voor de lampen met een vermogen van 400 en 600 Watt is gebruik in de reguliere tuinbouw juist niet voor de hand liggend. Lampen met deze wattages hebben blijkbaar een andere bestemming, bijvoorbeeld de thuis- en hobbytelers waarover [verdachte] heeft verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de ten laste gelegde assimilatielampen wel kunnen worden aangewend voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige teelt van hennep, maar niet dat deze lampen daartoe zonder uitzondering bestemd waren. Een en ander nog daargelaten of [verdachte] , als bestuurder van [bedrijf 4] , als van een dergelijke bestemming zou worden uitgegaan, dat heeft geweten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde goederen die bij [bedrijf 4] zijn aangetroffen (onder meer schakelborden met elektronica en zogenoemde strijkzakken), overweegt de rechtbank dat deze goederen - met name in combinatie met de assimilatielampen - te denken geven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden opgemaakt dat deze goederen tot het assortiment en/of de voorraad van [bedrijf 4] behoorden of dat deze aan [verdachte] toebehoorden. Het pand werd immers ook door andere dan bij [bedrijf 4] berokken personen gebruikt. Nu de rechtbank de aanwezigheid van deze goederen in het pand van [bedrijf 4] niet nader kan duiden, kan de rechtbank niet vaststellen dat, indien deze al bestemd waren voor de illegale hennepteelt, [verdachte] dit had moeten weten of ernstige reden had om te vermoeden dat dat het geval was.

Ten aanzien van de ten laste gelegde offerte O900, die is aangetroffen op het kantoor van [bedrijf 4] aan de [adres 3] overweegt de rechtbank als volgt. Op deze locatie waren de winkel, de kantoorruimten en een deel van de opslag van [bedrijf 1] gevestigd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte] hier ook tijdelijk kantoor hield voor [bedrijf 4] . In voornoemd pand van [bedrijf 1] zijn verschillende offertes aangetroffen met dezelfde lay-out. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 1252 en 1253 blijkt dat [bedrijf 1] beschikte over een softwarepakket waarmee zij offertes kon opmaken en dat de lay-out van deze offertes altijd gelijk was en werd bepaald door het softwarepakket. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [bedrijf 4] niet over een dergelijk offerteprogramma beschikte en dus ook niet zulke offertes kon opmaken. Deze verklaring wordt niet weersproken door het dossier. Hieruit maakt de rechtbank op dat de offerte die is aangetroffen op het kantoor van [bedrijf 4] van [bedrijf 1] moet zijn. Waarom deze offerte op het kantoor van [bedrijf 4] lag, is niet uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting naar voren gekomen. Nu de rechtbank de aanwezigheid van deze offerte op het kantoor van [bedrijf 4] niet nader kan duiden, kan de rechtbank niet vaststellen dat, als deze al bestemd was voor illegale hennepteelt, [verdachte] dit had moeten weten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was.

De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie komt dat [verdachte] zich niet als pleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

De rechtbank dient zich vervolgens te richten op de goederen die bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn aangetroffen en zal zich in dat kader buigen over de vraag of [verdachte] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. De relevante criteria in dit verband zijn of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen die personen en of sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Hierbij is van belang dat de bijdrage van intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn geweest. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

In het dossier bevinden zich verschillende voorbeelden die volgens de officier van justitie wijzen op een samenwerking tussen de verschillende bedrijven. Zo is een verslag van een werkoverleg van 2 mei 2016 aangetroffen (p. 688), waaruit blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte4] , [medeverdachte2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte3] en [betrokkene 4] bij dat overleg aanwezig waren. Voorts blijkt uit het verslag dat een bepaalde taakverdeling is besproken en dat ieder verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen afdeling. Tevens bevindt zich in het dossier een document genaamd “Organogram [verdachte] ”, waarin onder meer uiteen wordt gezet dat verschillende beheer B.V.’s en holdings zullen participeren, dat de goederen die in verband met de wetswijziging niet bij [bedrijf 1] mogen worden opgeslagen, bij respectievelijk [bedrijf 4] en [bedrijf 2] zullen worden opgeslagen. De raadsvrouw heeft bestreden dat deze documenten op samenwerking duiden en heeft daartoe aangevoerd dat deze documenten ook kunnen duiden op afstemming tussen bedrijven, zodat zij na de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet binnen de grenzen van de wet konden handelen.

De officier van justitie heeft ook gewezen op verschillende e-mailwisselingen tussen [verdachte] en [medeverdachte4] over de inkoop van goederen, de voorraad en het geven van kortingen. De raadsvrouw heeft met betrekking tot deze e-mails aangevoerd dat dit niet op samenwerking tussen [bedrijf 4] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] duidt, maar dat deze e-mails kunnen worden verklaard door de samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte4] in hun bedrijf [bedrijf 7] .

Een ander belangrijk aspect dat volgens de officier van justitie op samenwerking tussen de verschillende bedrijven duidt, is de omstandigheid dat [bedrijf 4] tijdelijk kantoor hield in het pand van [bedrijf 1] op de [adres 3] . De raadsvrouw heeft op dit punt aangevoerd dat het pand van [bedrijf 4] op de [adres 4] moest worden verbouwd en dat het pand nog niet beschikte over een internetaansluiting. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank door de raadsvrouw voldoende onderbouwd met onder meer een afschrift van de huurovereenkomst, foto’s van de binnenkant van het pand en het contract met de internetaanbieder.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat uit voornoemde door de officier van justitie aangehaalde voorbeelden niet ondubbelzinnig volgt dat sprake was van medeplegen van de onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen door [verdachte] (al dan niet middels [bedrijf 4] ) met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Ook voor het overige bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] (al dan niet middels [bedrijf 4] ), [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met betrekking tot het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet. Dit maakt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 2

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overtreding van artikel 11b van de Opiumwet zoekt de rechtbank aansluiting bij het juridisch kader dat geldt voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt dat onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Van een dergelijk samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [bedrijf 4] , [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en/of [medeverdachte4] is, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Voor zover het om het samenwerkingsverband tussen [bedrijf 4] en [verdachte] gaat, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, niet bewezen kan worden verklaard dat deze organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk had.

[verdachte] zal daarom ook worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.3.2

Ten aanzien van parketnummer 09/807626-17 ( Radon 2 )14

Inleiding

In juni 2016 werd de voorlopige hechtenis van [medeverdachte4] en [verdachte] geschorst. Kort na hun vrijlating hebben zij hun bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 4] weer geopend. Na de inval op 12 mei 2016 hebben geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsgevonden binnen [bedrijf 2] en [bedrijf 7] .15 Binnen [bedrijf 1] veranderde de taakverdeling niet. [medeverdachte4] was de baas en [medeverdachte2] de verkoper.16 [medeverdachte 1] deed tot haar uitdiensttreding begin 2017 de backoffice.17

Op 19 september 2016 is het bedrijf [bedrijf 8] (verder: [bedrijf 8] ) opgericht. [bedrijf 8] had als activiteiten winkels in overige elektrische huishoudelijke apparatuur en het in- en verkopen van airco-installaties en aanverwante artikelen. Bevoegd bestuurder van [bedrijf 8] was [medeverdachte 1] .18 [bedrijf 8] huurde een bedrijfsunit aan de [adres 9] .19

Vanaf 29 november 2016 zijn [bedrijf 10] . en [bedrijf 11] . gezamenlijk bevoegde bestuurders van [bedrijf 12] , met als handelsnaam tevens [bedrijf 9] en feitelijk handelend onder de naam [bedrijf 9] . Als activiteit staat onder andere geregistreerd: groothandel in verlichtingsartikelen. Via hun respectieve beheer BV’s zijn [verdachte] en [medeverdachte3] de feitelijke bestuurders van [bedrijf 9] . Het bedrijf had als bezoekadres [adres 10] .20 Het bedrijf had een loods in gebruik aan de [adres 8] .21

Voor [medeverdachte4] en [verdachte] zijn in het kader van het onderzoek Radon 2 bevelen observatie en tap afgegeven. Ook voor de bij hen werkzame personeelsleden, waaronder [medeverdachte 1] , [medeverdachte2] en [medeverdachte3] , zijn bevelen tap afgegeven.22 Daarnaast zijn onder een aantal voertuigen peilbakens geplaatst: één onder de bedrijfsbus van [bedrijf 1] en één onder de Mazda personenauto van [verdachte] .23 In opdracht van de officier van justitie en in samenwerking met een tactisch onderzoeksteam, heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid vanaf woensdag 25 januari 2017 uitvoering gegeven aan een bevel pseudokoop van goederen bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt.24

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksteam zijn [medeverdachte4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte2] en [medeverdachte3] aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] .

Ten aanzien van feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

Vanaf 25 januari 2017 heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid uitvoering gegeven het in de inleiding genoemde bevel pseudokoop.25 In dit kader bevonden

pseudokopers [nummer 2] (hierna: pseudokoper A) en [nummer 2] (hierna: pseudokoper B) zich op 7 februari 2017 in het pand van [bedrijf 1] aan de [adres 3] . Hier schreef [medeverdachte2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte2] ) op de offerte van [bedrijf 1] die hij zojuist voor de pseudokopers had gemaakt de tekst: “Dimlux Expert 600W complete fix 18x, [adres 4] [bedrijf 4] .” Hierop vertrokken de pseudokopers naar het pand van [bedrijf 4] aan de [adres 4] .26

De pseudokopers werden bij [bedrijf 4] ontvangen door [medeverdachte3] (hierna ook wel: [medeverdachte3] ).27 De pseudokopers zeiden tegen [medeverdachte3] dat zij voor achttien stuks ‘Dimlux’ kwamen, waarop [medeverdachte3] een verpakking met Dimlux-verlichting uit het schap pakte en hier een korte technische uitleg over gaf. De pseudokopers bestelden vervolgens achttien stuks bij [medeverdachte3] . Pseudokoper A zag op het schap een A4’tje hangen met daarop de mededeling dat de wetgeving was veranderd en dat particulieren maximaal twee lampen konden aankopen. Pseudokoper A confronteerde [medeverdachte3] met deze mededeling en vroeg hem of het dan geen probleem was dat zij achttien lampen wilden hebben. [medeverdachte3] antwoordde hierop lachend: “Nu niet, maar als de politie binnenkomt wel.” Afgesproken werd dat de pseudokopers de lampen zaterdag zouden komen ophalen. Pseudokoper B heeft [medeverdachte3] desgevraagd een bedrag van € 500,- als aanbetaling gegeven.28 Vervolgens kwam [verdachte] (hierna ook wel: [verdachte] ) uit de aangrenzende ruimte aangelopen.29 Aan hem werd voornoemde offerte met aantekeningen gegeven. Eén van de pseudokopers zei dat hij dit van [medeverdachte2] van het tuincentrum had gekregen en dat [medeverdachte2] ook deze aantekening op de offerte had gemaakt. Hierop heeft [verdachte] de pseudokoper duidelijk gemaakt dat hij niets met het tuincentrum te maken had en dat hij op verschillende plaatsen in zijn winkel waarschuwingen had hangen die zagen op het ingaan van de wetswijziging. Vervolgens heeft hij de pseudokopers gevraagd of alles duidelijk was, waarop de pseudokopers antwoordden dat zijn zoon alles al had uitgelegd.30 [medeverdachte3] schreef vervolgens een bon uit, met daarop een telefoonnummer en desgevraagd zijn naam, ‘Dam’. [medeverdachte3] vroeg de pseudokopers of zij zaterdag een sms konden sturen naar het genoteerde telefoonnummer voordat zij de lampen op kwamen halen, zonder in die sms te vermelden dat het om achttien lampen ging. Hierna hebben de pseudokopers het pand verlaten.31

Op 14 februari 2017 kwamen de pseudokopers terug bij het pand van [bedrijf 1] om een deel van de daar gedane bestelling op te halen. [medeverdachte3] was op dat moment aanwezig in de loods van [bedrijf 1] , waarop pseudokoper A hem vroeg of zij de lampen nu meteen op konden halen. [medeverdachte3] antwoordde hierop dat hij op dit moment maar acht lampen op voorraad had, omdat de pseudokopers de lampen eigenlijk zaterdag zouden moeten hebben opgehaald. Pseudokoper A gaf aan dat hij vrijdag had gebeld om de afspraak te verzetten en dat hij ervan uit was gegaan dat dit was doorgegeven. [medeverdachte3] zei dat dit niet het geval was. Hierop maakte pseudokoper A de afspraak met [medeverdachte3] om de lampen over een uur op te komen halen.32

Op 21 februari 2017 heeft pseudokoper A telefonisch contact opgenomen met [bedrijf 4] en met [medeverdachte3] afgesproken dat hij de eerder gedane bestelling vandaag zou komen ophalen.33

Aangekomen bij het pand van [bedrijf 4] troffen de pseudokopers [medeverdachte3] aan, evenals [medeverdachte 1] die zij herkenden van hun eerdere bezoek aan [bedrijf 4] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] was in gesprek met een klant over het telen van wiet en adviseerde deze klant welke lampen hij daar het beste voor kon gebruiken. Nadat pseudokoper B het resterende bedrag van € 5.080,- had afgerekend, hebben de pseudokopers samen met [medeverdachte3] en [verdachte] de lampen in hun voertuig geladen.34

Na afronding van het pseudokooptraject zijn de aangekochte goederen in beslag genomen, waaronder 18 dozen lampen van het merk Dimlux van 600 Watt.35

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij had geholpen met de verbouwing van het pand van [bedrijf 1] en dat zijn vrouw daar tevens werkzaam was. In die hoedanigheid heeft hij op een gegeven moment vernomen dat [bedrijf 1] door de invoering van artikel 11a van de Opiumwet geen lampen meer mocht verkopen.36

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

Voor het juridisch kader van artikel 11a van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover in de zaak met parketnummer 09/842326-16 bij feit 1 uiteen heeft gezet.

Ook in de onder parketnummer 09/807626-17 ten laste gelegde periode was het door [bedrijf 4] te koop aangeboden assortiment relatief beperkt; het bestond slechts uit (assimilatie)lampen en de daarbij behorende artikelen. De assimilatielampen die [bedrijf 4] te koop aanbood, hadden verschillende wattages van 400, 600, 800 of 1000 Watt. Niet ter discussie staat dat assimilatielampen vaak in professionele bedrijfs- of beroepsmatige of grootschalige (hierna ook: illegale) hennepkwekerijen worden aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar worden afgeleid dat de door [bedrijf 4] te koop aangeboden (onderdelen van) assimilatielampen wel kúnnen worden aangewend voor illegale teelt van hennep, maar niet dat deze lampen daar zonder uitzondering ook daadwerkelijk voor bestemd waren. Nog daargelaten of [verdachte] , als van een dergelijke bestemming zou worden uitgegaan, dat heeft geweten of ernstige reden had om te vermoeden dat zulks het geval was (intentie).

Met betrekking tot de lampen die zijn verkocht aan de pseudokopers geldt het volgende.

Zoals tevens onder feit 1 is overwogen, zijn assimilatielampen van 600 Watt geschikt voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Blijkens bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet betreft deze bij de hennepteelt gebruikte verlichting ook een indicator voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat illegale hennepteelt ook daadwerkelijk de bestemming was van de assimilatielampen die door de pseudokopers bij [bedrijf 4] zijn gekocht en dat [verdachte] ook ernstige reden had dit te vermoeden, leidt de rechtbank uit het volgende af.

De rechtbank stelt voorop dat het pseudokooptraject was opgezet om te zien of men alle benodigde goederen voor het opzetten van een grootschalige hennepkwekerij bij de betrokken bedrijven kon kopen. Daarmee staat vast dat de aan te kopen goederen bestemd waren voor de grootschalige hennepteelt.

De pseudokopers hebben hun offerte van [bedrijf 1] , met daarop de aantekening van [medeverdachte2] dat zij achttien Dimlux-lampen van 600 Watt nodig hadden, aan [medeverdachte3] overhandigd. De pseudokopers hebben daarbij tevens in de aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte3] genoemd dat zij de offerte van [medeverdachte2] van het tuincentrum hadden gekregen en dat [medeverdachte2] daarop voornoemde aantekening had gemaakt. [verdachte] was, gelet op zijn verklaring ter terechtzitting, op de hoogte van de historie van [bedrijf 1] en van het feit dat [bedrijf 1] geen kweekverlichting meer mocht verkopen in verband met de invoering van artikel 11a van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat het [verdachte] en [medeverdachte3] te verwijten valt dat zij onder deze omstandigheden geen nadere vragen hebben gesteld aan de pseudokopers over de bestemming van deze achttien lampen, terwijl zij ernstige reden hadden te vermoeden dat dit aantal lampen bestemd was voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Uit de omstandigheid dat de verkoop op 7 februari 2017, na uitleg te hebben gegeven over de lampen, door [medeverdachte3] is gesloten, dat [verdachte] aanwezig was bij het plaatsen van de bestelling en hierover ook in gesprek is gegaan met de pseudokopers en de omstandigheid dat zowel [medeverdachte3] als [verdachte] hebben geholpen met het inladen van de lampen tijdens de levering op 21 februari 2017, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 4] , [medeverdachte3] en [verdachte] .

Het voorgaande, in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank bewezen acht dat [verdachte] zich samen met [bedrijf 4] en [medeverdachte3] schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet bij de verkoop van de achttien assimilatielampen aan de pseudokopers.

Voor een nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijf 1] en de bij dit bedrijf betrokken natuurlijke personen bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Allereerst is niet gebleken dat [verdachte] de beschikking had over het assortiment dan wel de voorraad van [bedrijf 1] . Daarnaast zijn in de maanden voorafgaand aan het pseudokooptraject verschillende BOB-middelen ingezet, waaronder het tappen van telefoongesprekken. Uit de resultaten van de inzet van deze BOB-middelen is niet gebleken dat [verdachte] gedurende deze maanden contact heeft gehad met (betrokken personen bij) [bedrijf 1] .

Daarnaast zijn met betrekking tot de pseudokoop verschillende contra-indicaties voor samenwerking tussen [verdachte] en [bedrijf 1] aanwezig. Zo heeft kennelijk geen van de bij [bedrijf 1] betrokken personen middels [verdachte] of [medeverdachte3] aan [bedrijf 4] doorgegeven dat de pseudokopers hun afspraak wilden verzetten, hetgeen de pseudokoper wel aan [medeverdachte2] gevraagd had. Ook bevindt zich een tapgesprek in het dossier waarin één van de pseudokopers [medeverdachte4] belt met de vraag of hij ook gelijk de lampen kan ophalen op 21 februari 2017, waarop [medeverdachte4] zegt dat de pseudokoper dat zelf moet regelen en dat zij daar niets mee te maken hebben. Wanneer de pseudokoper hierop vraagt om een telefoonnummer, antwoordt [medeverdachte4] dat hij zowel geen telefoonnummer als andere contactgegevens heeft en dat de pseudokoper dat zelf op internet moet opzoeken.

Voorts is de rechtbank ook niet gebleken van enige handelingen die duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [bedrijf 8] . Uit het dossier is, ook na de inzet van BOB-middelen, niet gebleken dat deze bedrijven op enige wijze contact met elkaar hadden, al dan niet in het kader van de aankoop door de pseudokopers.

Voor zover het de overige op de tenlastelegging genoemde goederen betreft, overweegt de rechtbank dat van deze goederen weliswaar kan worden gezegd dat zij geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat zij daar ook daadwerkelijk toe bestemd waren en/of dat er aanknopingspunten zijn dat [verdachte] de intentie had om die goederen voor de illegale hennepteelt aan te wenden.

Ten aanzien van feit 2

Voor het juridisch kader van artikel 11b van de Opiumwet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover in de zaak met parketnummer 09/842326-16 bij feit 2 uiteen heeft gezet.

Uit het onder feit 1 overwogene blijkt dat de rechtbank niet is gebleken van enige samenwerking tussen [verdachte] en [bedrijf 1] dan wel tussen [verdachte] en [bedrijf 8] gericht op het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet. Van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband tussen [verdachte] en deze bedrijven met dat doel kan dan ook niet worden gesproken. Van een dergelijke vorm van verboden samenwerking tussen [verdachte] en [bedrijf 5] , [bedrijf 2] en/of [bedrijf 2] Beheer is de rechtbank evenmin gebleken.

Met betrekking tot de samenwerking tussen [bedrijf 4] , [verdachte] en [medeverdachte3] overweegt de rechtbank dat uit de omstandigheid dat zij tezamen éénmalig artikel 11a van de Opiumwet hebben overtreden nog niet blijkt dat zij als organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk had. Van een dergelijk oogmerk is de rechtbank ook niet gebleken binnen het samenwerkingsverband tussen [bedrijf 9] , [verdachte] en [medeverdachte3] .

[verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

ten aanzien van parketnummer 09/807626-17

1.

in de periode van 7 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te Reeuwijk, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen heeft verkocht, te weten:

een aantal assimilatielampen van Dimlux

waarvan hij en zijn mededaders ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een geldboete van € 80.000,-.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, als het al tot een bewezenverklaring komt, de door de officier van justitie geëiste straf veel te hoog is, gelet op het tijdsverloop en de wijze waarop de verdachte al door de voorlopige hechtenis en de beslagleggingen is getroffen. Een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou gelijk moeten zijn aan de duur van de voorlopige hechtenis.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft samen met zijn mededaders goederen verkocht waarvan zij hadden moeten vermoeden dat deze bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en is daarom door de wetgever op de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige en ondermijnende) criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. De verdachte heeft, als bestuurder van het bedrijf dat de goederen verkocht en met zijn feitelijke bijdrage aan de verkoop van de goederen, indirect een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het met de illegale hennepteelt verband houdende criminele milieu.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 1 maart 2021. Daaruit blijkt dat hij op 2 december 2016 is veroordeeld voor onder meer Opiumwetfeiten (gepleegd in 2014) en dat hij ten tijde van het onderzoek Radon 2 in een proeftijd liep ter zake van deze veroordeling. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich (wederom) in te laten met aspecten van hennepteelt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 16 augustus 2016. Daaruit blijkt dat bij de verdachte sprake is geweest van financiële problemen en verslavingsproblematiek (gokverslaving), maar dat hij ten tijde van het opstellen van het advies geen schulden meer had. De reclassering adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, maar acht het opleggen van bijzondere voorwaarden daarbij niet geïndiceerd.

De rechtbank houdt in strafverlagende zin rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is door de inbeslagname van een grote hoeveelheid goederen en geld van hem en van zijn bedrijf in 2016 en 2017 fors getroffen. Inmiddels is hij geruime tijd niet met politie en justitie in aanraking gekomen en is uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat hij zich veel moeite heeft getroost om met zijn gezin een nieuw bestaan op te bouwen.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf voorts rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de verdachte is deze termijn aangevangen op de dag dat hij is aangehouden in het kader van het onderzoek Radon 1, te weten op 17 mei 2016. Ook in aanmerking genomen dat het onderzoek langer heeft geduurd als gevolg van uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, zijn er geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank komt al met al tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Naast voormelde omstandigheden, heeft dat ermee te maken dat de rechtbank komt tot een beperktere bewezenverklaring dan de officier van justitie.

De rechtbank acht in deze zaak een geldboete een passende sanctie, nu de verkoop van goederen die bestemd waren voor de professionele en/of grootschalige hennepteelt was gericht op het maken van winst. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een geldboete ter hoogte van € 2.500,- passend en geboden.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen met parketnummer 09/842326-16 (hierna: de beslaglijst met parketnummer 09/842326-16), die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, onder 1 tot en met 9, 13, 14 en 15 genummerde voorwerpen worden verbeurdverklaard. Ten aanzien van de onder 10, 11 en 12 genummerde voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van het overige goed, onder nummer 8, heeft de officier van justitie gevorderd dat dit zal worden teruggeven aan de verdachte.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen met parketnummer 09/807626-17 (hierna: de beslaglijst met parketnummer 09/807626-17) die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht, onder 33 genummerde voorwerp wordt verbeurdverklaard. Ten aanzien van de onder 10 tot en met 27, 29, 30 en 31 genummerde voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van alle overige goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zullen worden teruggeven aan de verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle op beide beslaglijsten genoemde goederen terug moeten worden gegeven aan de rechthebbende.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de beslaglijst met parketnummer 09/842322-16

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van alle op deze beslaglijst genoemde voorwerpen.

Ten aanzien van de beslaglijst met parketnummer 09/807613-17

Met betrekking tot het op deze beslaglijst onder 14 en 15 genummerde goederen is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ten aanzien van alle overige op de beslaglijst genoemde goederen zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24 c, 36b, 36d en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 11 a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 09/842326-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 09/807626-17 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09/807626-17 onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van 09/807626-17, feit 1:

medeplegen van stoffen en voorwerpen bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 35 dagen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle op de beslaglijst met parketnummer 09/842322-16 genoemde voorwerpen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst met parketnummer 09/807613-17 onder 14 en 15 genummerde goederen;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige op de beslaglijst met parketnummer 09/807613-17 genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 09/842326-16

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

bij de firma [bedrijf 4] , althans op de locatie [adres 4] onder meer:

- een OptiClimate (p. 255) en/of

- 110, althans één of meer assimilatiekappen (p. 256) en/of

- 112, althans één of meer dozen inhoudende elk 12 stuks LucaLOX 97237 en/of

LU600/HO/T/E40 GL(=lampen) (P. 258) en/of

- 157, althans één of meer dozen met elk 2 stuks 6212826 600W (P. 258) en/of

- 9 dozen met elk 54 stuks Phillips Master Green Power lamp(en) (p. 258) en/of

- 39 dozen met elk 12 stuks MST SON-T PIA Plus 400W (=lampen) (P. 259) en/of

- vier Led-Units (p. 259) en/of

- 14 schakelborden met electronica (p. 262) en/of

- 93 dozen met elk 2 stuks Mari 1/a Gearbox 600W HPS (p. 256) en/of

- (groot) aantal Dimlux lampen en/of assimilatielampen en/of Reflectoren en/of

transformatoren en/of een defensor (luchtbevochtiger) en/of strijkzakken en/of voedingsmiddelen (longflower Supermix)

en/of bij [bedrijf 1] althans op [adres 3] onder meer:

- 57 slakkenhuizen (p. 326) en/of

- 7 x OptiClimate (p. 326) en/of

- 34 koolstoffilters in doos (p. 326) en/of

- 19 dozen met assimilatiekappen (2 st per doos)( p. 328)

- 40 x Fan controller met thermostaat (328)

- 34 schakelkasten (p. 328)

- 7 x schakelborden (P. 330)

- een groot aantal diverse groei- en voedingsmiddelen (o.a. de merken Canna, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami (p. 331 t/m p. 332 ) en/of

- transformatoren, en/of geldtelmachines en/of (60) eenheden kokos substraat en/of (4) cannacutters en/of diverse meetapparatuur (merk Hanna en/of Bluelab) en/of eenheden CO2 poeder en/of een (groot) aantal lampen en/of schakelborden en/of kweekaarde (merk Canna) en/of flexslagen en/of buizen

En/of bij [bedrijf 1] , althans locatie [adres 5] , onder meer:

- een groot aantal koostoffilters en/of

- een groot aantal slakkenhuizen/horecakisten en/of

- een aantal (7) OptiClimates en/of

- (pallets) Supreme Lightmix met perliet en/of

- (pallets) substraat en/of

- een (groot) aantal eenheden canna coco

en/of bij [bedrijf 2] BV,

- althans op lokatie [adres 6] , onder meer: negentien, althans één of meer Climate Controls (opticlimats) (p. 1672) en/of

- althans op lokatie [adres 7] , tien, althans één of meer Climate Controls (opticlimats) (p. 1672),

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

bij [bedrijf 1] BV, althans, locatie [adres 3] onder meer:

- Offerte 0908, d.d. 29 december 2015, totaalbedrag a 72.332,74 euro:

een prijsopgave met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: een alarminstallatie en/of CO2 generator en/of schakelpanelen en/of vijverfolie en/of ophangsysteem opti en/of horeacakisten en/of een post arbeid en/of een watervat op pallet 1000 ltr en/of diverse buizen en/of slangen en/of diverse meters, althans (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 439) en/of

- Offerte 1338, d.d. 7 maart 2016, totaalbedrag 11.475,66 euro:

een prijsopgaaf met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 80 ltr Mapito en/of 110 vierkante pot en/of een schakelpaneel en/of tijdschakelaar en/of wandventilator en/of vijverfolie en of horecakist en/of canna ph bloei en/of cannazuym en/of diverse voedingsmiddelen en/of buisentilator en/of een tuble trimmer, althans een (alle) (bouw)materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p.443)

- factuur 13613 van [bedrijf 1] d.d. 16 mei 2015 verkoop met daarop o.a. Dimlux Maxi Controller en/of Co2 sensor en/of een 23 weg klep voor OptiClimate en/of apparatuur voor een bedrag van 4000,01 euro (p. 452) en/of

- contante stortingen op [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijf 1] :

periode 5 januari 2015 t/m 31 december 2015: 2.042.050,00 euro (p. 437) en/of

periode 16 januari 2016 t/m 23 april 2016: 557.995,00 euro (p. 437) en/of

- een werkinstructie "Bouwhandleiding voor de DOE HET ZELVER" (p. 453) en/of

- een geldbedrag van ruim 120.00,00 euro (P. 7) en/of

bij [bedrijf 4] BV, althans locatie [adres 3] onder meer:

- Offerte 0900 d.d. 28 december 2015 totaalbedrag 8.500,00 euro, met daarop een (groot) aantal goederen waaronder: 3 stuks top schaar perfection en/of Bac Plant Vitality plus 500 ml, en/of diverse groei-/bloeimiddelen en/of een horecakist en/of vijvervolie en/of supreme lightmix 50 ltr en/of diverse slangen en/of 325 vierkante pot 18 ltr, althans (alle) (bouw) materialen voor de opbouw van (een) (volledige) hennepkweekruimte(s) (p. 447)

En/of bij [bedrijf 2] BV onder meer:

een (groot) geldbedrag (131.050,44 euro), althans enig geldbedrag,

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 13 mei 2016 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. N. [medeverdachte4] en [verdachte] en/of rechtspersonen, te weten o.a. [bedrijf 1] BV en [bedrijf 4] BV en [bedrijf 2] BV, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet en/of artikel 420 bis Wetboek van strafrecht;

Onder parketnummer 09/807626-17

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de [bedrijf 4] , althans [adres 4] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [bedrijf 1] BV, althans locatie [adres 3] onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres 2] , (verblijfadres van [medeverdachte3] en/of [verdachte] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [bedrijf 8] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, perceel [adres 8] onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [bedrijf 1] BV onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [bedrijf 4] BV onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) [medeverdachte4] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [bedrijf 1] en/of [bedrijf 4] BV en/of [bedrijf 5] BV en/of [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 2] Beheer en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Bijlage II

Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [PL nummer] (onderzoek Radon 1), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1762).

2 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

3 Verhoor van getuige [medeverdachte4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 28.

4 Radon 1, proces-verbaal p. 6.

5 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p.606.

6 Verhoor van getuige [medeverdachte3] bij de rechter-commissaris d.d.16 april 2019, onder punt 7.

7 Verhoor van getuige [medeverdachte4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 6 en 7.

8 Verhoor van getuige [medeverdachte4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 11.

9 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

10 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

11 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

12 Verhoor van getuige [medeverdachte4] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 9.

13 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 193.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [PL nummer] (onderzoek Radon 2 ), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 100 t/m 1306 en 1307 t/m 2835).

15 Radon 2 , proces-verbaal p. 950.

16 Verhoor van getuige [medeverdachte2] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 24.

17 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 19 februari 2019, onder punt 6.

18 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en verder.

19 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen p. 156 en verder.

20 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en verder.

21 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 288 en verder.

22 Radon 2 , proces-verbaal Radon 2 , dossierrelaas, p. 2.

23 Radon 2 , proces-verbaal Radon 2 , dossierrelaas, p. 4.

24 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

25 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

26 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 538, met bijlage op p. 542-543.

27 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 14 april 2021.

28 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 538.

29 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 13 april 2021.

30 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 13 april 2021.

31 Radon 2 , proces-verbaal van bevindingen, p. 539, met bijlage op p. 544.

32 Radon 2 , een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546-547.

33 Radon 2 , een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte3] d.d. 21 februari 2017, p. 585.

34 Radon 2 , een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen zonder dagtekening, p. 553.

35 Radon 2 , proces-verbaal van inbeslagname van de op 21 februari 2017 door [bedrijf 1] / [bedrijf 4] geleverde goederen, p. 613, met fotobijlagen op p. 614-615.

36 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 12 april 2021.