Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5047

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
09/807060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Radon. Artikel 11a en 11b van de Opiumwet. De verdachte heeft zich als leverancier van OptiClimates schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De door haar te koop aangeboden en verkochte OptiClimates waren niet alleen geschikt voor de illegale hennepteelt, maar hadden ook daadwerkelijk die bestemming, terwijl de verdachte en haar mededaders dat wisten. Daarnaast wordt bewezen verklaard dat de verdachte, eerst als medewerkster van het tuincentrum van haar toenmalige partner (voormalig growshop eigenaar) en later als leverancier van OptiClimates, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van voorbereidingshandelingen voor de illegale hennepteelt. Inzet pseudokoop-actie door de politie. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging geldboete en geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Vrijspraak van het witwassen van € 55.000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/807060-17

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Leiden,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12, 13, 14, 15 en 19 april 2021 (inhoudelijke behandeling) en 18 mei 2021 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C. Stolk, en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. B.C. Swier, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat zij:

1. zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2. in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet;

3. zich in de periode van 4 februari 2015 tot en met 30 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging witwassen van een geldbedrag van 10.000,00 euro en/of een geldbedrag van 45.000,00 euro door de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en/of verplaatsing van dit geld te verbergen en/of te verhullen (eerste cumulatief/alternatief) en/of door dit geld te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten (tweede cumulatief/alternatief).

De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Op specifieke standpunten van de raadsman zal de rechtbank - voor zover relevant - onder 3.3 nader ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding (Radon 1) 1

[medeverdachte 1] was tot eind 2014 eigenaar van een growshop , bekend onder de naam [bedrijf 1] , met als website [website 1] . De growshop was als eenmanszaak gevestigd aan [adres 2] . Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte 1] [bedrijf 1] opgericht, ingeschreven in het handelsregister als detailhandel via postorder en internet in huis- en tuinartikelen, alsmede het uitoefenen van showroomactiviteiten. [medeverdachte 1] was via [bedrijf 2] bevoegd bestuurder van [bedrijf 1] .2 [bedrijf 1] voerde sinds eind 2014 bedrijfsactiviteiten op het [adres 3] in Reeuwijk.3 [bedrijf 1] stond ook bekend als [bedrijf 3]4 met als website [website 2] .5

Binnen [bedrijf 1] was [medeverdachte 1] de baas, de bedrijfsleider. [verdachte] , de toenmalige partner van [medeverdachte 1] , was als werknemer in dienst en deed de backoffice. [medeverdachte 2] was in dienst als verkoper. [medeverdachte 3] was vanaf het najaar van 2015 werkzaam bij [bedrijf 1] als stagiair in het magazijn.6

Na de wetswijziging op 1 maart 2015 wijzigde [bedrijf 1] haar assortiment. Zij stopte met de productgroepen verlichting en aircosystemen.7 De verkoop van aircosystemen werd ondergebracht bij [bedrijf 4] . Dit bedrijf werd op 2 april 2015 ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 1] . [bedrijf 4] werd gevestigd op het adres van de voormalige [bedrijf 1] aan [adres 2] in Reeuwijk. [bedrijf 4] stond ingeschreven als groothandel in machines en apparaten voor warmte-, koel- en vriestechniek. [medeverdachte 1] was via [bedrijf 5] bevoegd bestuurder van [bedrijf 4] .8

Op 13 april 2015 werd het bedrijf [bedrijf 6] ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 4] . [bedrijf 6] had als activiteiten winkels en groothandel in verlichtingsartikelen. [bedrijf 6] was gevestigd aan [adres 4] in Reeuwijk. [medeverdachte 4] was via [bedrijf 7] bevoegd bestuurder van [bedrijf 6] .9

Tevens richtte [medeverdachte 1] op 27 augustus 2015 met [medeverdachte 4] het bedrijf [bedrijf 8] op, eveneens gevestigd aan [adres 4] in Reeuwijk, met als activiteiten het exploiteren van een groothandel in assimilatieverlichting en luchtbehandeling. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren via respectievelijk [bedrijf 5] en [bedrijf 7] bevoegde bestuurders van [bedrijf 8] .10 [bedrijf 8] richtte zich op de zakelijke markt.11

Op donderdag 12 mei 2016 in de middag waren verbalisanten d’Hondt en Hendrikx op [adres 3] in Reeuwijk. De verbalisanten zijn taakaccenthouder verdovende middelen en hadden informatie dat het op nummer [adres 3] gevestigde bedrijf, [bedrijf 1] , fungeerde als [bedrijf 1] .12

Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten op 12 mei 2016 is het onderzoek Radon 1 gestart. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] .

3.3.1

Vrijspraak van feit 3

Redengevende feiten en omstandigheden

Naar aanleiding van onderzoek naar de administratie van [bedrijf 1] , hebben verbalisanten op 30 mei 2016 in het pand van [bedrijf 9] te Rotterdam een safeloket aangetroffen dat blijkens de daarop betrekking hebbende huurovereenkomst sinds 19 december 2014 was verhuurd aan [verdachte] als hoofdhuurder, met als medehuurder [medeverdachte 1] . In dit kluisje is een geldkistje met daarin € 45.000,- aangetroffen, onder meer bestaande uit een biljet van € 500 en 46 biljetten van € 200. Daarnaast is een safeloket aangetroffen dat sinds 4 februari 2015 was verhuurd aan [verdachte] . In dit kluisje is een envelop met een geldbedrag van € 10.000,- aangetroffen, bestaande uit 20 biljetten van € 500.

[medeverdachte 1] en [verdachte] worden verdacht van het medeplegen van het witwassen van deze € 10.000,- en/of € 45.000,-.

Juridisch kader

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen geldt het navolgende toetsingskader.

Allereerst moet de rechtbank vaststellen of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Is dat het geval, dan mag van een verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen ten aanzien waarvan de witwasverdenking aan de orde is. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht tegen het vermoeden van witwassen daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het betreffende geld of de betreffende goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en goederen, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare herkomst kan gelden. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als de verdachte, hoewel daarnaar gevraagd, geen verklaring zoals hiervoor bedoeld verstrekt, dan wel uit nader onderzoek is gebleken dat die verklaring niet deugdelijk is, kan sprake zijn van witwassen.

Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan (medeplegen van) witwassen?

De contante geldbedragen met een omvang van in totaal € 55.000,- die - zonder administratie of andere duiding - in de kluisjes zijn aangetroffen en de coupures waaruit deze bestonden (in totaal 21 biljetten van € 500) leveren naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een vermoeden op van witwassen. De aanwezigheid van grote bedragen aan contant geld is immers een indicator voor witwassen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 500 in het normale betalingsverkeer - ook in 2014/2015 - een zeldzaamheid zijn.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat de geldbedragen in de kluisjes zakelijk geld zijn van [medeverdachte 1] . Ter terechtzitting heeft [verdachte] nader verklaard dat het geld afkomstig is uit de opbrengst van de [bedrijf 1] die [medeverdachte 1] runde tot de wetswijziging per 1 maart 2015. Klanten betaalden veelal contant. Omdat de AMB AMRO Bank de bankrekening van de [bedrijf 1] geblokkeerd had wegens de vele contante stortingen en omdat in hun woonhuis en in het bedrijfspand van [medeverdachte 1] inbraken hadden plaatsgevonden, hadden [medeverdachte 1] en [verdachte] ervoor gekozen het geld op te bergen in een safeloket in Rotterdam. Het maximaal verzekerde bedrag per safe loket was € 45.000,-. Daarom waren twee kluisjes nodig voor het bewaren van de € 55.000,-.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [medeverdachte 1] tot maart 2015 inderdaad een [bedrijf 1] runde. Omdat het runnen van een [bedrijf 1] tot de wetswijziging per 1 maart 2015 niet strafbaar was, kan niet gezegd worden dat de opbrengst die hiermee gegenereerd is, geld is dat afkomstig is uit eigen misdrijf.

De rechtbank volgt ook niet het standpunt van de officier van justitie, dat het geld middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dat hadden moeten weten. De officier van justitie doelt daarbij op de misdrijven die klanten van de [bedrijf 1] pleegden in het kader van de illegale hennepteelt. Het dossier bevat echter geen informatie over de klanten van de [bedrijf 1] van destijds, zodat die conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer kan worden getrokken.

De verklaring van [verdachte] over het blokkeren van de bankrekening van de [bedrijf 1] en de inbraken in de woning en in het bedrijfspand acht de rechtbank niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. In het licht van die verklaring heeft het opbergen van het geld in een safe loket ook geen verhullend karakter. Dat de kluisjes op naam van [verdachte] zijn gehuurd, ligt niet voor de hand als het om zakelijk geld van [medeverdachte 1] gaat, maar deze omstandigheid is onvoldoende om van verhullen of verbergen te kunnen spreken, zeker nu [medeverdachte 1] bij één van de twee kluisjes wel als medehuurder heeft gecontracteerd. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting niet te kennen gegeven nader onderzoek naar deze verklaring te willen doen.

Gelet op al het voorgaande en ondanks de vraagtekens die bij het een en ander kunnen worden gesteld, kan niet de conclusie worden getrokken dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare herkomst kan gelden van de aangetroffen geldbedragen van € 10.000,- en € 45.000,-. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het medeplegen van alle ten laste gelegde vormen van witwassen.

3.3.2

Ten aanzien van feiten 1 en 2 (Radon 2)13

Inleiding

In juni 2016 werd de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geschorst. Kort na hun vrijlating hebben zij hun bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 6] weer geopend. Na de inval op 12 mei 2016 hebben geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsgevonden binnen [bedrijf 4] en [bedrijf 8] .14 Binnen [bedrijf 1] veranderde de taakverdeling niet. [medeverdachte 1] was de baas en [medeverdachte 2] de verkoper.15 [verdachte] deed tot haar uitdiensttreding begin 2017 de backoffice; zij nam telefoontjes aan, hield zich bezig met de webshop, pakte bestellingen in en beantwoordde e-mails.16

Op 19 september 2016 is het bedrijf [bedrijf 10] opgericht. [bedrijf 10] had als activiteiten winkels in overige elektrische huishoudelijke apparatuur en het in- en verkopen van airco-installaties en aanverwante artikelen. Bevoegd bestuurder van [bedrijf 10] was [verdachte] .17 [bedrijf 10] huurde een bedrijfsunit aan [adres 5] in Woerden.18

Vanaf 29 november 2016 zijn [bedrijf 7] en [bedrijf 11] gezamenlijk bevoegde bestuurders van [bedrijf 12] , handelsnaam tevens [bedrijf 12] en feitelijk handelend onder de naam [bedrijf 12] . Als activiteit staat onder andere geregistreerd: groothandel in verlichtingsartikelen. Via hun respectieve beheer BV’s zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de feitelijke bestuurders van [bedrijf 12] . Het bedrijf had als bezoekadres [adres 6] in Gouda.19 Het bedrijf had een loods in gebruik aan [adres 7] in Berkenwoude.20

Voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn in het kader van het onderzoek Radon 2 bevelen observatie en tap afgegeven. Ook voor de bij hen werkzame personeelsleden, waaronder [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , zijn bevelen tap afgegeven.21 Daarnaast zijn onder een aantal voertuigen peilbakens geplaatst: één onder de bedrijfsbus van [bedrijf 1] en één onder de Mazda personenauto van [medeverdachte 4] .22 In opdracht van de officier van justitie en in samenwerking met een tactisch onderzoeksteam, heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid vanaf woensdag 25 januari 2017 uitvoering gegeven aan een bevel pseudokoop van goederen bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt.23

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksteam zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] .

Ten aanzien van feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

Uit tapgesprekken kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] in februari en maart 2017 verschillende keren [verdachte] belde als hij een klimaatsysteem nodig had voor zijn klanten. Bij deze tapgesprekken maakte [medeverdachte 2] telkens gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [verdachte] van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .24

Het gesprek op 10 februari 2017 verliep als volgt:

[medeverdachte 2] : vraagje: een 6kw OC, heb je die? (opm: OC is afkorting voor OptiClimate)

[verdachte] : ja, heb ik staan

[medeverdachte 2] : oké en die leverancier is nu onderweg en dan komt er nog eentje achteraan voor die

[verdachte] : ja die komt direct of komt er achteraan

[medeverdachte 2] : ja komt er direct achteraan dan

[verdachte] : oké, en die heeft al betaald?

[medeverdachte 2] : euh ja, allebei

[verdachte] : oké toppie is goed. 25

Op 7 maart 2017 belde [medeverdachte 2] [verdachte] :

[medeverdachte 2] : ik heb eventueel een “tien” die er nu uit kan

[verdachte] : oké, is goed, ja prima, is het die ene?

[medeverdachte 2] : nee, nee, het is onverwachts

[verdachte] : oké, duidelijk, doet hij bij jou betalen dan?

[medeverdachte 2] : ja, dat is goed

[verdachte] : oké, prima is goed, eh achtendertigvijftig

[medeverdachte 2] : oké, straat weet ik wel, huisnummer ben ik effe vergeten

[verdachte] : 4A -11, hoe laat gaat hij rijden bij jou?

[medeverdachte 2] : eh, 10 minuten ongeveer

[verdachte] : 10 minuten, oké is goed, dan ga ik zo daarheen

[medeverdachte 2] : ja, is goed. 26

Op 20 maart 2017 belde [medeverdachte 2] [verdachte] :

[medeverdachte 2] : ik heb iemand die wil proleaf hebben, kun je die ook leveren

[verdachte] : alleen als het de grootste is niet

[medeverdachte 2] : daar gaat het om

[verdachte] : ik denk niet dat het wijs is. Overleg even met [medeverdachte 1] . Als die het goed vindt, dan bel ik de klant wel terug. 27

Op 28 maart 2017 vonden twee gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] plaats. Het eerste gesprek ging over ‘een 3500’. [medeverdachte 2] belde [verdachte] met de mededeling dat hij een vaste klant aan de balie had staan die vrijdag een 3500 wilde ophalen. [verdachte] zou zorgen dat hij er was. Zij had nu alleen ‘een 6’ op voorraad. [verdachte] ging hem meteen bestellen. [medeverdachte 2] zou aan de klant doorgeven dat hij dan kon langskomen.28 Later die middag belde [medeverdachte 2] wederom naar [verdachte] . [medeverdachte 2] vertelde dat hij een andere shop had die vroeg naar ‘een 15 Split’ en als die niet beschikbaar is ‘een 15 Split Inverter’. [medeverdachte 2] zei dat hij had gezegd dat hij ging proberen of hij eraan kon komen. [verdachte] zei dat zij wel even ging bellen en zou zo terugbellen.29 Even later belde [verdachte] [medeverdachte 2] terug en hadden zij een zakelijk gesprek over een Inverter Split, waarvan de levertijd een maand bedroeg.30

Van zowel [medeverdachte 2]31 als [verdachte]32 zijn de stemmen in de tapgesprekken herkend.

In het kader van voornoemd pseudokooptraject bevonden pseudokopers 170127A (hierna: pseudokoper A) en 170127B (hierna: pseudokoper B) zich op 7 februari 2017 in het pand van [bedrijf 1] aan de [adres 3] te Reeuwijk om een bestelling bij [bedrijf 1] te plaatsen. Hier werden zij geholpen door [medeverdachte 2] , die [medeverdachte 1] erbij haalde op het moment dat de pseudokopers vragen stelden over de levering van de producten. [medeverdachte 1] vroeg de pseudokopers wanneer de spullen bezorgd moesten worden. Pseudokoper B gaf aan dat zij de spullen het liefst zo snel mogelijk bezorgd wilden hebben, waarop pseudokoper A aanvulde dat het mooi zou zijn als het aanstaande donderdag geleverd kon worden. [medeverdachte 1] zei dat niet alles op voorraad was en dat het aanstaande zaterdag geleverd zou kunnen worden. Pseudokoper B ging hiermee akkoord. [medeverdachte 1] legde de pseudokopers uit dat zij de spullen op de offerte, de OptiClimate en de lampen los moesten bestellen en dat niet alles in één keer vervoerd kon worden. [medeverdachte 2] zei hierop tegen [medeverdachte 1] dat hij dat al had verteld, maar dat de OptiClimate wel hier besteld en betaald kon worden. [medeverdachte 1] raadde de pseudokopers vervolgens aan een busje van minimaal 1.60 meter breedte te huren voor de OptiClimate. Desgevraagd zei [medeverdachte 1] dat de OptiClimate 160 kilo woog, dat deze op een pallet stond en dat deze met de heftruck in de bus kon worden gezet. Ook vertelde [medeverdachte 1] dat de spullen op de offerte en de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld konden worden en dat hij wel zou regelen dat het geld bij de juiste persoon terecht kwam. Verder vertelde hij dat de pseudokopers altijd bij hen terecht konden als er iets met de OptiClimate aan de hand was. [medeverdachte 1] stelde voor dat, als de pseudokopers hier zaterdag toch moesten zijn voor het ophalen van de OptiClimate en de verlichting, de chauffeur achter hen aan kon rijden naar de locatie. Pseudokoper A vroeg of het bedrag op de offerte naar beneden kon worden afgerond tot een mooi, rond bedrag. [medeverdachte 1] antwoordde dat zij toch al erg voordelig waren, maar dat dit wel kon.33

Op 14 februari 2017 kregen de pseudokopers de opdracht om naar [bedrijf 1] te gaan om de eerder gedane bestelling af te halen. Bij aankomst bij [bedrijf 1] waren onder meer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] aanwezig, die de pseudokopers begroetten. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de pseudokopers naar buiten gelopen om de laadruimte van de bus te controleren.34

Pseudokoper A is met [medeverdachte 1] via de winkel naar een naastgelegen loods gelopen, waar [medeverdachte 1] op twee pallets met goederen wees met de mededeling dat dit de goederen waren die zij hadden besteld. Pseudokoper A wees [medeverdachte 1] erop dat was afgesproken dat zij de Dimlux verlichting en de OptiClimate op zouden halen en dat [bedrijf 1] achter hen aan zou rijden met de spullen die hier stonden. [medeverdachte 1] gaf aan dat dit vandaag niet ging, waarop een discussie ontstond over de bezorging en het zelf meenemen van de goederen. Na overleg besloten de pseudokopers zo veel mogelijk spullen nu zelf mee te nemen en reed pseudokoper B op aanwijzen van [medeverdachte 1] de bus in de loods. [medeverdachte 2] sloot vervolgens de roldeur van de loods, waarna [medeverdachte 1] en een andere medewerker alle goederen, met uitzondering van de zakken aarde, de potten en de waterton, in de bus zetten. De medewerker noteerde op aanwijzing van [medeverdachte 1] wat er allemaal in de bus stond. [medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat de OptiClimate in Woerden opgehaald kon worden.35

Terug in de winkel vroeg [medeverdachte 1] of de pseudokopers de OptiClimate hier af wilden rekenen of op de ophaallocatie. Pseudokoper B gaf aan dat het makkelijker was om alles af te tikken, waarop hij nog eens € 4.500,- afrekende voor de OptiClimate. [medeverdachte 2] telde het geld uit, deed dit in een zakje en gaf het zakje aan [medeverdachte 1] , waarbij hij zei: “Dit is de € 4.500,- van de OptiClimate.”36

Ondertussen schreef [medeverdachte 2] het adres [adres 5] en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op een briefje, waarbij hij zei dat dit het adres was waar de pseudokopers de OptiClimate konden ophalen. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 2] of hij het telefoonnummer voor de OptiClimate al had gegeven. [medeverdachte 2] bevestigde dit, waarna [medeverdachte 1] wegliep. 37

In de loods trof pseudokoper A onder meer [medeverdachte 1] aan besloot pseudokoper A eerst naar Woerden te rijden om de OptiClimate op te halen. [medeverdachte 1] zei dat de pseudokopers een half uur voordat zij daar zouden zijn het nummer op het briefje moesten bellen. Uit een andere ruimte kwam een hoogzwangere vrouw met lang donkerblond haar en getekende wenkbrauwen aanlopen (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ), die naar de achterzijde van de loods liep. Hierna verlieten de pseudokopers [bedrijf 1] . Diezelfde middag heeft pseudokoper A met [bedrijf 1] respectievelijk de leverancier van de OptiClimate telefonisch contact opgenomen om een afspraak te maken over het ophalen van de OptiClimate.38

Vervolgens is pseudokoper A naar [adres 5] te Woerden gereden. De garagedeur werd geopend door een zwangere vrouw die pseudokoper A herkende als de zwangere vrouw die hij bij [bedrijf 1] had gezien. De vrouw bevestigde dit en zei dat zij tegelijk met de pseudokopers was weggereden bij [bedrijf 1] . Pseudokoper A zei hierop dat het dan makkelijker was geweest als zij de OptiClimate gelijk bij [bedrijf 1] hadden ingeladen. De vrouw bevestigde dit, maar zei dat dit in verband met de wetgeving niet mogelijk was. De vrouw legde uit dat zij vroeger één bedrijf waren en dat zij, voordat zij het pand aan [adres 5] hadden, een pand dichter bij [bedrijf 1] hadden, maar dat dit niet mocht. Vervolgens heeft pseudokoper A de bus in de loods gezet. De vrouw zette een doos op een pallet met daarin de OptiClimate met een elektronische steekwagen in de bus. Pseudokoper A vroeg de vrouw of hij haar afgelopen vrijdag aan de telefoon had gehad. De vrouw antwoordde dat zij inderdaad ook telefoontjes aannam bij [bedrijf 1] . Vervolgens hadden pseudokoper A en de vrouw een discussie over de bezorging van de goederen van [bedrijf 1] . Tot slot zei de vrouw dat de pseudokopers naar [bedrijf 1] konden bellen als er iets aan de hand was met de OptiClimate, maar dat zij haar moesten bellen als zij een nieuwe nodig hadden of als hij in zijn geheel vervangen moest worden. Hierop heeft pseudokoper A de vrouw gedag gezegd en het pand verlaten.39

Op 21 februari 2017 waren de pseudokopers wederom in de loods van [bedrijf 1] aanwezig om de rest van hun bestelling op te halen. In het kantoor voorin de loods zag pseudokoper A de zwangere vrouw zitten die hij herkende van hun eerdere bezoek aan [bedrijf 1] en van het ophalen van de OptiClimate in Woerden.40

Samen met [medeverdachte 1] hebben de pseudokopers de zakken potgrond, de potten en het watervat in hun voertuig geladen. Gevraagd om de factuur van de OptiClimate, zei [medeverdachte 1] dat dit geen probleem was en dat de pseudokopers die aan de vrouw in het kantoor van de loods moesten vragen.41

Pseudokoper A is naar voornoemd kantoor gelopen, waar de zwangere vrouw zat. Pseudokoper A vroeg haar of zij de factuur van de OptiClimate had. De vrouw vroeg hierop of pseudokoper A een bedrijf had of een particulier was en gaf aan dat zij voor een particulier geen factuur kon uitdraaien. Nadat pseudokoper A had uitgelegd waarom hij de factuur nodig had, gaf de vrouw aan dat zij in haar administratie ging kijken. Even later kwam de vrouw met de factuur in haar hand naar de winkel gelopen en zei zij dat ze de factuur wel had, maar dat zij de bovenkant eraf moest halen. De vrouw zei: “Die facturen worden namelijk regelmatig in wietkwekerijen gevonden”, waarna zij een gedeelte van de factuur afknipte. De pseudokopers zagen dat hier onder andere de bedrijfsnaam, de adresgegevens, het rekeningnummer van het bedrijf en het factuurbedrag op stonden.42 Pseudokoper A zag dat er met betrekking tot de bedrijfsnaam en de adresgegevens bovenaan de factuur stond vermeld: “ [bedrijf 10] [adres 5] , Woerden”.43 Hierna gaf de vrouw de factuur aan de pseudokopers.44

Bij de doorzoeking in het pand aan [adres 5] te Woerden werden onder meer 6 OptiClimates aangetroffen.45

De deskundige Voogt heeft ter terechtzitting verklaard dat de meeste door hem onderzochte goederen die bij [bedrijf 1] in beslagen genomen waren, slechts bij uitzondering in de reguliere tuinbouw of hobbyteelt worden gebruikt. Dit betreft vooral de centraal geregelde bevloeiingssystemen, drupsystemen, afgeschermde ruimtes, afzuiging naar buiten, thermostaat- of computergestuurde verwarming (zoals OptiClimates), speciaal verrijkte aarde en potgrond, steenwol, hydrocultuur en CO2-suppletie.46

Verweer met betrekking tot de pseudokoop

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak over de zogenoemde Posbank-moord, aangevoerd dat het proces-verbaal waarin pseudokopers A en B hun bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 hebben gerelateerd niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Dit proces-verbaal is namelijk niet gedateerd, de door pseudokopers A en B aan medewerkers van [bedrijf 1] gestelde vragen zijn niet in het proces-verbaal opgenomen, de over dit proces-verbaal gestelde vragen aan pseudokopers A en B tijdens hun verhoor bij de rechter-commissaris zijn niet beantwoord en de gesprekken met de betrokkenen bij de pseudokoop zijn niet audiovisueel opgenomen. Hierdoor is het proces-verbaal in strijd met artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opgemaakt. Daarom is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dat moet leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de verdediging.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen wettelijke verplichting bestaat tot het maken van audiovisuele opnames van een pseudokoop.

Voorts gaat een vergelijking met de zaak over de Posbank-moord niet op. In die zaak ging het om de verklaringsvrijheid van een verdachte gedurende een undercoveroperatie waarbij een belangrijke rol speelde het heimelijk optreden van de politie dat gericht was op het winnen van het vertrouwen van de verdachte om deze er vervolgens toe te brengen een bekentenis af te leggen. Daar was van belang dat uit de verslaglegging van de undercoveroperatie bleek hoe de betreffende verdachte tot het afleggen van zijn bekennende verklaring was gekomen. In onderhavige zaak gaat het over het - zonder al te veel moeite - aanschaffen van benodigdheden voor een hennepkwekerij. De inzet van de pseudokoop-actie is niet gericht geweest op het winnen van het vertrouwen van de verdachten om deze er vervolgens toe te brengen een bekentenis af te leggen. Tijdens de bezoeken aan [bedrijf 1] door pseudokopers A en B zullen ongetwijfeld vragen zijn gesteld aan [medeverdachte 2] . Deze zijn niet expliciet geverbaliseerd in het proces-verbaal, waarin een zakelijke weergave is gegeven van hetgeen is voorgevallen tijdens de pseudokoop. Dit brengt echter niet met zich dat sprake is van een vormverzuim waardoor dit proces-verbaal niet bruikbaar zou zijn voor het bewijs.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de gang van zaken van de pseudokoop wel ook de verklaringen van de verdachten over het optreden van de pseudokopers meewegen.

Pseudokopers A en B zijn telkens na hun bezoeken aan [bedrijf 1] gedebrieft door [verbalisant] , begeleider van het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid47. Kort daarna hebben zij de processen-verbaal over de gang van zaken bij de pseudokoop opgemaakt en gesloten. Dat het proces-verbaal van het bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 niet is gedateerd, betekent niet dat dit proces-verbaal niet direct na afloop van dat bezoek is opgemaakt, of dat dat niet ten spoedigste is gedaan. Pseudokopers A en B hebben de hierover gestelde vragen bij de rechter-commissaris wel degelijk beantwoord, zij het wellicht niet op voor de verdediging bevredigende wijze. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van Komen dat het proces-verbaal over het bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 is gesloten op 17 februari 2017.48

Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim met betrekking tot het proces-verbaal over het bezoek van de pseudokopers aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 en wordt dit proces-verbaal niet uitgesloten van het bewijs.

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

De verdachte wordt verdacht van het (in vereniging) overtreden van het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel stelt strafbaar degene die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet wordt in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.’ (Kamerstukken TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, p. 2-3)

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 7 december 2012 over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder nog het volgende aangegeven:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. (…) De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’(Kamerstukken TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, p. 6)

De wetgever heeft ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt verwezen naar hetgeen hierover is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie.

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

De rechtbank stelt op grond van voormelde redengevende feiten en omstandigheden vast dat de OptiClimates die [verdachte] in haar bedrijf [bedrijf 10] voorhanden had en te koop aanbood en waarvan één aan de pseudokopers is verkocht geschikt zijn voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Dat die goederen ook daadwerkelijk bestemd waren voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt, leidt de rechtbank af uit de gang van zaken binnen het pseudokooptraject. Al bij het eerste bezoek van de pseudokopers aan [bedrijf 1] , bij de uitleg over het klimaatsysteem, maakte [medeverdachte 2] opmerkingen over een naar een warmtebron zoekende helikopter en het langskomen van de mannen met de blauwe petten (de rechtbank begrijpt: de politie). Hieruit maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 2] er kennelijk in dat stadium van de verkoop al van uit ging dat de pseudokopers een illegale hennepkwekerij wilden opbouwen. In plaats van de verkoop te staken of op een andere manier in te grijpen, heeft [medeverdachte 2] de pseudokopers echter verder geadviseerd - zelfs over het soort hennepplant dat de pseudokopers het beste konden gebruiken -, folders meegegeven over de OptiClimate en de Dimlux verlichting en een offerte opgemaakt voor de bij [bedrijf 1] aan te schaffen goederen. Tijdens het tweede bezoek kwamen de pseudokopers te spreken met [medeverdachte 1] , die hen vertelde dat de goederen op de offerte en de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld konden worden en dat hij wel zou regelen dat het geld bij de juiste persoon terecht kwam. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] kennis had genomen van de offerte en dat ook hij, mede gelet op de combinatie van die goederen met een OptiClimate, niet heeft ingegrepen. Sterker nog: [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld en betaald kon worden. Vervolgens zijn de pseudokopers door [medeverdachte 2] doorverwezen naar [bedrijf 6] en zijn zij, bij terugkomst in [bedrijf 1] , door [medeverdachte 2] gewezen op [medeverdachte 5] , die [medeverdachte 2] voorstelde als “onze stekkenman”.

Bij het derde bezoek aan [bedrijf 1] waren zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] als [medeverdachte 5] aanwezig. De pseudokopers hebben hun aankopen, inclusief de OptiClimate, contant betaald, waarna [medeverdachte 1] heeft geholpen met het inladen van de goederen in het busje. [medeverdachte 2] heeft vervolgens het adres opgeschreven waar de OptiClimate kon worden opgehaald, evenals het telefoonnummer van de leverancier. Tot slot heeft [medeverdachte 2] de pseudokopers op verzoek een kweekschema overhandigd.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gang van zaken tijdens de pseudokoop niet exemplarisch was voor de manier van werken binnen [bedrijf 1] en dat de pseudokoop dan ook als een losstaand incident moet worden beschouwd. De rechtbank verwerpt dit verweer, gelet op de vanzelfsprekendheid waarmee de koop werd gesloten, waarbij voor de vuist weg tips werden gegeven over geschikte wietsoorten en het verborgen houden van een kwekerij en waarbij zelfs een kweekschema werd overhandigd. Ook het voorstellen van [medeverdachte 5] als “onze stekkenman” en de omstandigheid dat [medeverdachte 5] niet slechts éénmalig bij [bedrijf 1] aanwezig was, maar in ieder geval twee van de drie keren dat de pseudokopers er ook waren, duidt erop dat van een op zichzelf staand incident geen sprake was.

De omstandigheid dat de OptiClimates ook gebruikt kúnnen worden voor andere doeleinden dan de illegale hennepteelt, doet er niet aan af dat deze naar het oordeel van de rechtbank bestemd waren voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Zeker nu OptiClimates zijn genoemd in de Aanwijzing Opiumwet als indicatoren voor de professionaliteit van hennepteelt (thermostaat- of computergestuurde verwarming).

De rechtbank is van oordeel dat bij het voorhanden hebben en verkopen van goederen die geschikt zijn voor de illegale hennepteelt onder voornoemde omstandigheden onmiskenbaar sprake is van het te koop aanbieden en voorhanden hebben van goederen die bestemd zijn voor de illegale hennepteelt én dat de [verdachte] dit wist.

Voor wat betreft die wetenschap is mede van belang dat [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde de partner was van [medeverdachte 1] , indirect directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] , en dat [verdachte] tot januari 2017 werkzaam is geweest bij [bedrijf 1] . Vóór de oprichting van [bedrijf 1] runde [medeverdachte 1] een [bedrijf 1] . De verkoop van OptiClimates was na maart 2015 (in de periode van het onderzoek Radon 1) ondergebracht bij [bedrijf 4] . In het kader van het onderzoek Radon 1, is de politie in mei 2016 ingevallen bij [bedrijf 1] , is de voorraad van [bedrijf 1] inbeslaggenomen en zijn onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. [verdachte] heeft dit alles als werkneemster van [bedrijf 1] en partner van [medeverdachte 1] van zeer nabij meegemaakt en was dus een gewaarschuwd mens. Na juni 2016 zijn niettemin binnen [bedrijf 1] de activiteiten weer voortgezet, ook door [verdachte] . In het najaar van 2016 is [bedrijf 10] opgericht met als doel de in- en verkoop van airco-installaties, waarmee [bedrijf 10] kennelijk de rol van [bedrijf 4] overnam.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.

[medeverdachte 2] hield zich, als verkoper, bezig met de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1] voor wat betreft de voorraad en de verkoop van goederen. [medeverdachte 2] had hierin de vrije hand en mocht bijvoorbeeld zelfstandig kortingen voor klanten bepalen. [medeverdachte 1] hield zich actief bezig met de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en was ook betrokken bij de pseudokoop. Tussen [medeverdachte 2] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte] is met betrekking tot de pseudokoop dan ook sprake van een gezamenlijke uitvoering. Immers heeft [verdachte] , in naam van haar bedrijf [bedrijf 10] , de OptiClimate aan de pseudokopers geleverd nadat deze bij [bedrijf 1] door tussenkomst van [medeverdachte 2] was betaald en het geld hiervoor aan [medeverdachte 1] was gegeven. Ook kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen tussen [medeverdachte 2] , [bedrijf 1] en [verdachte] voor de periode vanaf 1 januari 2017, zijnde de periode dat [verdachte] niet meer werkzaam was bij [bedrijf 1] . [verdachte] heeft immers meerdere telefoongesprekken met [medeverdachte 2] gevoerd over het leveren van apparatuur voor klanten van [medeverdachte 2] dan wel [bedrijf 1] , waarvan de apparatuur in twee van de vijf gevallen al betaald was bij [medeverdachte 2] .

De rechtbank acht, het voorgaande in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met [bedrijf 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 10] in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Voor een nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijf 6] en de bij dit bedrijf betrokken natuurlijke personen ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Allereerst is niet gebleken dat [verdachte] de beschikking had over het assortiment dan wel de voorraad van [bedrijf 6] . Daarnaast zijn in de maanden voorafgaand aan het pseudokooptraject verschillende BOB-middelen ingezet, waaronder het tappen van telefoongesprekken. Uit de resultaten van de inzet van deze BOB-middelen is niet gebleken dat [verdachte] en (de betrokken personen bij) [bedrijf 6] gedurende deze maanden contact met elkaar hebben gehad.

Ten aanzien van feit 2

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overtreding van artikel 11b van de Opiumwet zoekt de rechtbank aansluiting bij het juridisch kader dat geldt voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt dat onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Van een dergelijk samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [bedrijf 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook van een crimineel samenwerkingsverband tussen [verdachte] en de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 8] en [bedrijf 12] is de rechtbank niet gebleken.

Voor zover het om het samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 10] gaat, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de onder de inleiding (Radon 1) en de bij de feiten 1 en 2 (Radon 2) genoemde redengevende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de daar genoemde bewijsmiddelen, volgt dat het bedrijf [bedrijf 1] heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij het voorhanden hebben, te koop aanbieden en verkopen van goederen en het voorhanden hebben van gegevens die dienen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Het voorhanden hebben en verkopen van die goederen gebeurde binnen [bedrijf 1] door middel van haar bij de verkoop betrokken werknemers, te weten [verdachte] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was in dienst als verkoper en [verdachte] hield zich tot haar uitdiensttreding bezig met de backoffice. [medeverdachte 1] was (via [bedrijf 2] ) als enig aandeelhouder en bedrijfsleider actief bij de bedrijfsvoering en de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1] betrokken. [verdachte] maakte ook na haar uitdiensttreding bij [bedrijf 1] nog deel uit van dit samenwerkingsverband, zij het in een andere rol, namelijk die van leverancier van OptiClimates met haar bedrijf [bedrijf 10] .

Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een organisatie, bestaande uit [verdachte] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 10] , die tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, aan welke organisatie [verdachte] heeft deelgenomen. Dat [verdachte] weet had van het oogmerk van de organisatie, volgt eveneens uit het onder feit 1 overwogene.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 29 maart 2017 in Woerden, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of verkocht en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

bij [bedrijf 10] in Woerden:

6 OptiClimates

waarvan zij en haar mededaders wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Woerden heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit de natuurlijke personen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte en uit de rechtspersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 10] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11a Opiumwet.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 8.000,-, subsidiair 75 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging geen standpunt ingenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met haar mededaders goederen verkocht waarvan zij wist dat deze bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.

Hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en is daarom door de wetgever op de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige en ondermijnende) criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. De verdachte heeft, als medewerkster van [bedrijf 1] en binnen haar eigen onderneming [bedrijf 10] , in samenwerking met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 1] , een wezenlijke rol gespeeld in de (professionele en grootschalige) hennepteelt en daarmee ook indirect een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het met de illegale hennepteelt verband houdende criminele milieu.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 1 maart 2021, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank houdt in straf verlagende zin rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij is door de inval en de inbeslagname van een grote hoeveelheid goederen en geld van haarzelf en haar toenmalige partner [medeverdachte 1] en door de detentie van [medeverdachte 1] ten tijde van de geboorte van hun eerste kind, fors getroffen.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf voorts rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de verdachte is deze termijn aangevangen in maart 2017. Ook in aanmerking genomen dat het onderzoek langer heeft geduurd als gevolg van uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, zijn er geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnoverschrijding matiging van de op te leggen straffen tot gevolg moet hebben.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank is van oordeel dat bij feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank daarvan echter afzien en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank acht in deze zaak daarnaast een geldboete een passende sanctie, omdat de verkoop van goederen die bestemd waren voor de professionele en/of grootschalige hennepteelt was gericht op het maken van winst.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een geldboete van € 2.500,- subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: de beslaglijst, welke als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 10, 12, 13, 15 en 16 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte en dat de onder 2 tot en met 9 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Op het onder 14 genummerde voorwerp ligt volgens de officier van justitie conservatoir beslag.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om teruggave aan de verdachte van de onder 1, 15 en 16 genummerde voorwerpen. Over het overige beslag heeft de raadsman zich niet uitgelaten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de op de beslaglijst onder 2 t/m 8 genummerde goederen is de rechtbank van oordeel dat deze voorwerpen verbeurd moeten worden verklaard. Deze voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, omdat deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, zoals bewezen verklaard onder feit 1. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen, voor zover hier daadwerkelijk beslag op ligt en dit geen conservatoir beslag betreft.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 23, 24c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 11 a en 11b van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van stoffen en voorwerpen bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

ten aanzien van feit 2:

deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een geldboete van € 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 35 dagen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 t/m 8 genummerde goederen;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen (voor zover hier beslag op ligt en dit geen conservatoir beslag betreft).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de firma [bedrijf 6] , althans [adres 4] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [bedrijf 1] , althans locatie [adres 3] , onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres 8] te Reeuwijk, (verblijfadres van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [bedrijf 10] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, perceel [adres 7] te Berkenwoude onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [bedrijf 1] onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [bedrijf 6] onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan zij en haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [bedrijf 1] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 12], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

3.

zij in of omstreeks de periode van 04 februari 2015 tot en met 30 mei 2016, althans op of omstreeks 30 mei 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen en/of een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 10.000,00 euro en/of een geldbedrag van 45.000,00 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen, terwijl zij wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

en/of

zij in of omstreeks de periode van 04 februari 2015 tot en met 30 mei 2016, althans op of omstreeks 30 mei 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen en/of een ander, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 10.000,00 euro en/of een geldbedrag van 45.000,00 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Bijlage II

Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 1), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1762).

2 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

3 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 28.

4 Radon 1, proces-verbaal p. 6.

5 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p.606.

6 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 6 en 7.

7 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 11.

8 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

9 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

10 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

11 Verhoor van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 9.

12 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 193.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon-2), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 100 t/m 1306 en 1307 t/m 2835).

14 Radon 2, proces-verbaal p. 950.

15 Verhoor van getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 24.

16 Eigen verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 13 april 2021.

17 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en verder.

18 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen p. 156 en verder.

19 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en verder.

20 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 288 en verder.

21 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 2.

22 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 4.

23 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

24 Radon 2, proces-verbaal van samenwerking [bedrijf 1] ( [medeverdachte 2] ) en [bedrijf 10] ( [verdachte] ), p. 193-194.

25 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 10 februari 2017, sessienummer 181, p. 195.

26 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 7 maart 2017, sessienummer 123, p. 196.

27 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 20 maart 2017, sessienummer 208, p. 198.

28 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 266, p. 199.

29 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 268, p. 199.

30 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 509, p. 200.

31 Radon 2, proces-verbaal stemherkenning tap: [medeverdachte 2] , p. 870

32 Radon 2, proces-verbaal stemherkenning tap: [verdachte] , p. 868

33 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 537-538.

34 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546.

35 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546-547.

36 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547.

37 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547 met bijlagen op p. 549-550.

38 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547.

39 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 548.

40 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 552-553.

41 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553.

42 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553.

43 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 551.

44 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553, met bijlage op p. 556.

45 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 1230 met bijlage op p. 1231.

46 Verklaring deskundige Voogt afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2021.

47 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

48 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 506.