Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
09/807615-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Radon. Artikel 11a en 11b van de Opiumwet. De verdachte, werkzaam als verkoper in een tuincentrum, heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Veel van de door hem te koop aangeboden en verkochte stoffen en goederen waren niet alleen geschikt voor de illegale hennepteelt, maar hadden ook daadwerkelijk die bestemming, terwijl de verdachte en zijn mededaders dat wisten, mede gelet op de adviezen over het soort wiet dat geteeld zou kunnen worden en het verstrekken van een kweekschema. Ook wordt bewezen verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van voorbereidingshandelingen voor de illegale hennepteelt. Inzet pseudokoop-actie door de politie. Daarnaast veroordeling voor de aanwezigheid van hennep en amfetamine in de woning van de verdachte. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/807615-17 en 09/837222-17 (gev. ttz)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

[adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12, 13, 14, 15 en 23 april 2021 (inhoudelijke behandeling) en 18 mei 2021 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C. Stolk, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J.W. Dijke, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 april 2021 - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat hij:

in de zaak met parketnummer 09/807615-17 (Radon 2)

1. zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet in vereniging plegen van handelingen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt;

2) in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikelen 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en/of vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet;

in de zaak met parketnummer 09/837222-17

1. op 23 mei 2016 meer dan 1800 gram verse knipresten van hennep en in totaal 31,03 gram henneptoppen voorhanden heeft gehad;

2) op 23 mei 2016 één gram amfetamine voorhanden heeft gehad.

De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 09/807615-17. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 09/837222-17 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld - zo begrijpt de rechtbank - dat deze bewezen verklaard kunnen worden.

Op specifieke standpunten van de raadsman zal de rechtbank - voor zover relevant - onder 3.3 nader ingaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

Ten aanzien van parketnummer 09/807615-171 (Radon 2)

Inleiding

[medeverdachte 1] was tot eind 2014 eigenaar van een growshop, bekend onder de naam [bedrijf 1] . Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte 1] [bedrijf 1] opgericht.2 [bedrijf 1] voerde sinds eind 2014 bedrijfsactiviteiten op het [adres 2] .3 [bedrijf 1] stond ook bekend als [bedrijf 1]4 met als [website] .5

Binnen [bedrijf 1] was [medeverdachte 1] de baas, de bedrijfsleider.6 [medeverdachte 2] , de toenmalige partner van [medeverdachte 1] , was als werknemer in dienst en deed de backoffice; zij nam telefoontjes aan, hield zich bezig met de webshop, pakte bestellingen in en beantwoordde e-mails. [verdachte] was in dienst als verkoper. [medeverdachte 3] was vanaf het najaar van 2015 werkzaam bij [bedrijf 1] als stagiair in het magazijn.7

Na de wetswijziging op 1 maart 2015 wijzigde [bedrijf 1] haar assortiment. Zij stopte met de productgroepen verlichting en aircosystemen.8 De verkoop van aircosystemen werd ondergebracht bij [bedrijf 3] .9

Op 13 april 2015 werd het bedrijf [bedrijf 4] ingeschreven in het handelsregister door [medeverdachte 4] . [bedrijf 4] had als activiteiten winkels en groothandel in verlichtingsartikelen. [bedrijf 4] was gevestigd aan de [adres 3] .10

Tevens richtte [medeverdachte 1] op 27 augustus 2015 met [medeverdachte 4] het bedrijf [bedrijf 2] op, eveneens gevestigd aan de [adres 3] , met als activiteiten het exploiteren van een groothandel in assimilatieverlichting en luchtbehandeling. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren via respectievelijk [bedrijf 5] . en [bedrijf 6] bevoegde bestuurders van [bedrijf 2]11. [bedrijf 2] richtte zich op de zakelijke markt12.

Op donderdag 12 mei 2016 in de middag waren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de [straatnaam] . De verbalisanten zijn taakaccenthouder verdovende middelen en hadden informatie dat het op [adres 2] gevestigde bedrijf, [bedrijf 1] , fungeerde als growshop.13

Naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisanten op 12 mei 2016 is het onderzoek Radon 1 gestart. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] .

In juni 2016 werd de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geschorst. Kort na hun vrijlating hebben zij hun bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 4] weer geopend. Na de inval op 12 mei 2016 hebben geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsgevonden binnen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] .14 Binnen [bedrijf 1] veranderde de taakverdeling niet. [medeverdachte 1] was de baas en [verdachte] de verkoper.15 [medeverdachte 2] deed tot haar uitdiensttreding begin 2017 de backoffice.16

Op 19 september 2016 is het [bedrijf 7] opgericht. [bedrijf 7] had als activiteiten winkels in overige elektrische huishoudelijke apparatuur en het in- en verkopen van airco-installaties en aanverwante artikelen. Bevoegd bestuurder van [bedrijf 7] was [medeverdachte 2] .17 [bedrijf 7] huurde een bedrijfsunit aan de [adres 4] .18

Vanaf 29 november 2016 zijn [bedrijf 6] en [bedrijf 8] gezamenlijk bevoegde bestuurders van [bedrijf 9] . Als activiteit staat onder andere geregistreerd: groothandel in verlichtingsartikelen. Via hun respectieve beheer BV’s zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de feitelijke bestuurders van [bedrijf 9] . Het bedrijf had als bezoekadres [adres 5] .19 Het bedrijf had een loods in gebruik aan de [adres 6] .20

Voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn in het kader van het onderzoek Radon 2 bevelen observatie en tap afgegeven. Ook voor de bij hen werkzame personeelsleden, waaronder [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] , zijn bevelen tap afgegeven.21 Daarnaast zijn onder een aantal voertuigen peilbakens geplaatst: één onder de bedrijfsbus van [bedrijf 1] en één onder de Mazda personenauto van [medeverdachte 4] .22 In opdracht van de officier van justitie en in samenwerking met een tactisch onderzoeksteam, heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid vanaf woensdag 25 januari 2017 uitvoering gegeven aan een bevel pseudokoop van goederen bedoeld voor de professionele en/of bedrijfsmatige hennepteelt.23

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksteam zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] aangemerkt als verdachte ter zake van het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet en van het deelnemen aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn als verdachte aangemerkt de rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] .

Ten aanzien van feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

Aan de hand van tapgesprekken is de rol van [verdachte] binnen [bedrijf 1] nader onderzocht. Uit deze gesprekken heeft [verbalisant 3] onder meer opgemaakt dat [verdachte] een soort rechterhand was van [medeverdachte 1] , omdat hij zaken voor [medeverdachte 1] regelde. Ook was hij een vraagbaak voor klanten over bestellingen en een vraagbaak op technisch gebied, in het bijzonder over OptiClimates . Daarnaast vervulde [verdachte] een adviserende rol naar klanten van [bedrijf 1] , ook als het overduidelijk over OptiClimates ging die zeer vermoedelijk in relatie tot hennepkwekerijen stonden. [verdachte] had veel parate kennis van de producten die door [bedrijf 1] werden verkocht, alsmede van de levertijden van die producten. Ook had [verdachte] kennis van administratieve zaken binnen [bedrijf 1] , zoals de afhandeling van retouren.24

Uit de tapgesprekken kan voorts worden afgeleid dat [verdachte] in februari en maart 2017 verschillende keren [medeverdachte 2] belde als hij een klimaatsysteem nodig had voor zijn klanten. Bij deze tapgesprekken maakte [verdachte] telkens gebruik van het [telefoonnummer 1] en [medeverdachte 2] van het [telefoonnummer 2] .25

Het gesprek op 10 februari 2017 verliep als volgt:

[verdachte] : vraagje: een 6kw OC , heb je die? (opm: OC is afkorting voor OptiClimate)

[medeverdachte 2] : ja, heb ik staan

[verdachte] : oké en die leverancier is nu onderweg en dan komt er nog eentje achteraan voor die

[medeverdachte 2] : ja die komt direct of komt er achteraan

[verdachte] : ja komt er direct achteraan dan

[medeverdachte 2] : oké, en die heeft al betaald?

[verdachte] : euh ja, allebei

[medeverdachte 2] : oké toppie is goed. 26

Op 7 maart 2017 belde [verdachte] [medeverdachte 2] :

[verdachte] : ik heb eventueel een “tien” die er nu uit kan

[medeverdachte 2] : oké, is goed, ja prima, is het die ene?

[verdachte] : nee, nee, het is onverwachts

[medeverdachte 2] : oké, duidelijk, doet hij bij jou betalen dan?

[verdachte] : ja, dat is goed

[medeverdachte 2] : oké, prima is goed, eh achtendertigvijftig

[verdachte] : oké, straat weet ik wel, huisnummer ben ik effe vergeten

[medeverdachte 2] : [adres 4] , hoe laat gaat hij rijden bij jou?

[verdachte] : eh, 10 minuten ongeveer

[medeverdachte 2] : 10 minuten, oké is goed, dan ga ik zo daarheen

[verdachte] : ja, is goed. 27

Op 20 maart 2017 belde [verdachte] [medeverdachte 2] :

[verdachte] : ik heb iemand die wil proleaf hebben, kun je die ook leveren

[medeverdachte 2] : alleen als het de grootste is niet

[verdachte] : daar gaat het om

[medeverdachte 2] : ik denk niet dat het wijs is. Overleg even met [medeverdachte 1] . Als die het goed vindt, dan bel ik de klant wel terug. 28

Op 28 maart 2017 vonden twee gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] plaats. Het eerste gesprek ging over ‘een 3500’. [verdachte] belde [medeverdachte 2] met de mededeling dat hij een vaste klant aan de balie had staan die vrijdag een 3500 wil ophalen. [medeverdachte 2] zou zorgen dat hij er was. Zij had nu alleen een 6 op voorraad. [medeverdachte 2] ging hem meteen bestellen. [verdachte] zou aan de klant doorgeven dat hij dan kan langskomen.29 Later die middag belde [verdachte] wederom naar [medeverdachte 2] . [verdachte] vertelde dat hij een andere shop had die vroeg naar een 15 Split en als die niet beschikbaar is een 15 Split Inverter. [verdachte] zei dat hij had gezegd dat hij ging proberen of hij eraan kon komen. [medeverdachte 2] zei dat zij wel even gaat bellen en belt zo terug.30 Even later belde [medeverdachte 2] [verdachte] terug en hadden zij een zakelijk gesprek over een Inverter Split, waarvan de levertijd een maand bedraagt.31

Van zowel [verdachte]32 als [medeverdachte 2]33 zijn de stemmen in de tapgesprekken herkend.

Vanaf 25 januari 2017 heeft het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid uitvoering gegeven aan het in de inleiding genoemde bevel pseudokoop.34 Op 27 januari 2017 kreeg [pseudokoper A] de opdracht om [bedrijf 1] te emailen met vragen over een aantal producten. Pseudokoper A stuurde daarop de volgende e-mail naar [e-mailadres] : "Goedendag. Even een vraagje. Ik wil een growtent aanschaffen. Waarschijnlijk de Secret Jardin 300x600x200cm. Welk klimaatsysteem heb ik hierbij nodig?" Op 30 januari 2017 kreeg pseudokoper A de opdracht om telefonisch contact op te nemen met het nummer [telefoonnummer 3] om een afspraak te maken bij [bedrijf 1] . Een vrouwenstem nam de telefoon op, waarop pseudokoper A zei dat bij belde over de e-mail die hij afgelopen vrijdag had verstuurd met een vraag over een klimaatsysteem. Na kort telefonisch contact adviseerde de vrouw hem langs te komen in de winkel.35

Op 30 januari 2017 kregen pseudokoper A en [pseudokoper B] de opdracht om naar [bedrijf 1] , gevestigd aan de [adres 2] , te gaan. Bij aankomst stond een persoon achter de toonbank die zich later in het gesprek voorstelde als [verdachte] . Nadat pseudokoper A zei dat hij een e-mail had gestuurd met een vraag over een klimaatsysteem, gaf [verdachte] een korte uitleg over de oppervlakte van de gekozen tent, waarbij hij onder meer zei: “De oppervlakte van de tent die jullie hebben opgegeven is 300 keer 600, dat komt op 18 m2. Je hebt hiervoor bij lampen van 1000 Watt negen lampen nodig en bij lampen van 600 Watt achttien stuks." Pseudokoper A vroeg vervolgens aan [verdachte] of hij uitleg kon geven over het klimaatsysteem en andere benodigdheden en of het mogelijk was om een aantal zaken te bekijken. [verdachte] antwoordde dat hij een klimaatsysteem in een andere ruimte had hangen die hij kon laten zien en nam de pseudokopers mee naar een ruimte op de eerste etage. In deze ruimte hing een metalen kast aan het plafond met een ventilatieslang. [verdachte] legde uit dat dit een aangesloten klimaatsysteem betrof dat geschikt was voor een ruimte van zestien vierkante meter en voor het type tent dat de pseudokopers wilden aanschaffen. Vervolgens gaf [verdachte] een uitgebreide technische uitleg over het klimaatsysteem. Pseudokoper B gaf aan dat de techniek van tegenwoordig een hele verbetering was. [verdachte] zei hierop dat het systeem met een geringe warmte uitstoot ook voorkwam dat een helikopter een warmtebron zou vinden. Daarnaast was dit klimaatsysteem volgens [verdachte] een stuk stiller, wat wel prettig was als de mannen met de blauwe petten langskwamen.36

Vervolgens gaf [verdachte] de pseudokopers uitleg over de verschillende soorten verlichting. Hij vertelde daarbij dat het niet goed was voor de productie van de plant als het licht ineens op volle sterkte aangaat. Volgens [verdachte] was het beter als het licht geleidelijk aanging, omdat zij veel moet gaan produceren. Ook was het beter om het licht geleidelijk uit te laten gaan. [verdachte] vertelde dat je optimale omstandigheden wilde creëren, zodat je het meeste rendement had. Over het rendement zei hij verder: “De opbrengst per plant was tweehonderd tot driehonderd gram, maar tegenwoordig zo’n zevenhonderd gram. Als je het goed doet, heb je zelf in de hand wat voor plant je krijgt.” Pseudokoper A vroeg vervolgens of de keuze van een duurdere of goedkopere kweektent verschil in rendement geeft. Volgens [verdachte] maakte dit niet uit voor het rendement. Wel vertelde hij dat een duurdere tent bijvoorbeeld sterkere buizen heeft, waardoor je er meer gewicht in kan hangen. Desgevraagd gaf [verdachte] aan dat je alle apparatuur in een duurdere tent kan hangen, maar hij adviseerde om de klimaatbeheersing buiten de tent te houden in verband met het innemen van ruimte. [verdachte] zei: "Je kan het zo gek maken als je zelf wilt. Ik maak ook wel eens wat en dan kan ik wel veertigduizend euro investeren. Maar dat is niet nodig aangezien je ook aan het rendement moet denken. Er zijn mensen die met tienduizend tot twaalfduizend euro een prima kwekerij opzetten". [verdachte] vroeg de pseudokopers of zij gebruik gingen maken van een woning of een bedrijfspand, waarop pseudokoper B antwoordde dat het om een bedrijfspand ging. [verdachte] zei dat dit niet van belang was, tenzij de ruimte verborgen moest worden voor vreemde ogen. [verdachte] vervolgde zijn verhaal door uit te leggen dat men een kwekerij ook kon beveiligen met camera’s, bewegingsdetectoren en ringen om de kwekerij heen, zodat men een sms kreeg zodra er werd binnengevallen. Pseudokoper B vroeg [verdachte] of deze klimaatbeheersing voldoende was voor de tent die zij op het oog hadden. [verdachte] antwoordde dat dit een klimaatbeheersing voor zestien vierkante meter betrof en dat de tent die de pseudokopers wilden, achttien vierkante meter was. Voor het mooie hadden de pseudokopers een type zwaarder nodig, of nog een kleinere airco bij dit type. Vervolgens nam [verdachte] de pseudokopers weer mee naar beneden, zodat hij daar een overzicht kon maken voor de rest van de spullen. 37

[verdachte] legde een folder met opschrift ‘OptiClimate’ en een folder met opschrift ‘Dimlux’ op de toonbank, die de pseudokopers mee mochten nemen. [verdachte] adviseerde de pseudokopers om eerst een deelinvestering te doen voor de eerste benodigdheden en om vervolgens na de eerste oogst een tweede investering te doen. Dit zou voorkomen dat de pseudokopers direct alles kwijt zouden zijn als er binnen werd gevallen. [verdachte] zei: “Je wil natuurlijk niet dat ze binnen komen vallen en al je spullen meenemen en dat je hele investering weg is.” Pseudokoper A vertelde [verdachte] dat zij inderdaad een lijstje bij zich hadden met de spullen die zij in eerste instantie nodig hadden en dat zij voor de overige spullen nog even moesten kijken wat zij nog hadden liggen. [verdachte] gaf technische uitleg over het voordeel van Dimlux ten opzichte van normale verlichtingsets. Een voordeel was volgens [verdachte] dat normale sets telkens een piek in het stroomverbruik geven, maar Dimlux verlichting dit niet doet.38

Pseudokoper A vroeg [verdachte] welke planten het meest geschikt waren voor de beginnende kweker, waarop [verdachte] de pseudokopers vroeg of zij al een idee hadden welk soort planten zij wilden gebruiken. [verdachte] adviseerde de pseudokopers: “Je moet kijken naar waar op het moment de meeste vraag naar is en wat in verhouding het meeste oplevert. Op het moment doet Amnesia Haze het erg goed. Het geeft een opbrengst van tussen de € 3.700,- en de € 4.000,- euro per kilo. Er gaat elke week rond de duizend kilo naar het buitenland, er is daar genoeg vraag naar.” [verdachte] vertelde erbij dat de Amnesia wel als nadeel had dat deze verschrikkelijk stonk. [verdachte] zei dat hij wel iets kon betekenen in de levering van plantjes als de club van de pseudokopers dat zelf niet kon. Desgevraagd gaf [verdachte] aan dat hij ook kon helpen met een goed kweekschema.39

Pseudokoper A vroeg [verdachte] of hij de offerte met benodigdheden kon mailen. [verdachte] antwoordde dat hij dat niet kon, omdat hij digitaal voorzichtig moest zijn. [verdachte] zei: “Via de mail kan ik alleen een offerte voor een deel van de spullen maken. Hier staan de OptiClimate en de Dimlux niet op. Hier in de winkel kan ik het wel vertellen hoe het zit, in de winkel is het veilig.” Op de vraag of het dan wel mogelijk was om alle benodigdheden tegelijk bij [bedrijf 1] te bestellen en te laten bezorgen, antwoordde [verdachte] dat dit niet ging en dat in maart 2015 de wetgeving was veranderd, waardoor hij niet alle benodigdheden voor een plantage tegelijk kon leveren. [verdachte] zei dat hij dan strafbaar zou zijn en ze hem op zouden komen halen. Op papier kon hij alle spullen leveren, behalve de OptiClimate en de lampen. [verdachte] gaf aan dat er in totaal drie winkels waren; verderop zat een winkel die Dimlux levert en op een ander adres konden de pseudokopers de OptiClimate ophalen. De pseudokopers kregen een telefoonnummer dat zij konden bellen om na te gaan wanneer zij de spullen konden ophalen en er iemand aanwezig was. Vervolgens zei [verdachte] : “De OptiClimate is te duur om onder rembours aan de bezorger te betalen dus die moet dan worden opgehaald. Wel is het mogelijk om deze vooraf in de winkel te betalen, dan kan hij wel bezorgd worden.” [verdachte] vertelde daarbij dat zij zich op die manier op papier aan de wet hielden en zo toch alles konden leveren. Desgevraagd gaf [verdachte] aan dat het geen probleem was om contant te betalen voor de goederen. Vervolgens schreef [verdachte] zonder naslag te doen een aantal prijzen van de OptiClimate, Dimlux, een normale set verlichting en het aantal vierkante meters van de tent op de achterzijde van voornoemde folders. 40

[verdachte] schreef op de folder ‘OptiClimate’:

6L € 2350,-

10L € 3000,-

16L € 3750,-

24L € 4500,-

600x300 = 18m2.41

Vervolgens schreef hij op de achterzijde van de folder ‘Dimlux’:

600W € 315,- p.s. 1 per m2

1000W € 450,- 1 per 1,5x1,5

Normale 600W set € 85,-.42

Pseudokoper A vroeg [verdachte] of hij ook de naam van de hennepplantjes op wilde schrijven, waarop [verdachte] op de achterzijde van de folder ‘OptiClimate’ ‘Amnesia Haze’ schreef. [verdachte] gaf aan de offerte met de overige spullen te mailen. Bij het afscheid gaf [verdachte] aan dat hij ‘ [verdachte] ’ heette en zei hij desgevraagd dat hij hier altijd aanwezig was en dat anders [medeverdachte 1] er was. Hierop verlieten de pseudokopers het pand.43

Op 31 januari 2017 zag pseudokoper B dat er een mail met de offerte van [bedrijf 1] binnen was gekomen. Het bestand kon echter niet geopend worden. Op 2 februari 2017 nam pseudokoper B daarom telefonisch contact op het [bedrijf 1] , in welk gesprek hij de informatie kreeg om het bestand te kunnen downloaden en de offerte te kunnen openen.44

Op 7 februari 2017 kregen de pseudokopers de opdracht om een bestelling bij [bedrijf 1] te plaatsen aan de hand van de eerder verstrekte offerte. Bij [bedrijf 1] werden zij begroet door [verdachte] , die vroeg of het nog gelukt was met de offerte. Pseudokoper A vroeg [verdachte] of de offerte de complete lijst was van spullen die zij nodig hadden. [verdachte] gaf aan dat dit inderdaad alles was en gaf vervolgens nog wat technische uitleg over diverse producten op de offerte. Desgevraagd vertelde [verdachte] dat de Garden Control op de offerte het digitale bedieningspaneel voor de lampen in de kwekerij is. Ook de OptiClimate en de Dimlux CO2-controller werden hierop aangesloten. [verdachte] zei dat zij sommige producten op de offerte in verband met de wetgeving een andere naam moesten geven. Ondertussen pakte [verdachte] een doosje met de opdruk Dimlux Maxi Controller, welk product de pseudokopers herkenden van de website van [bedrijf 1] .45

Pseudokoper A vroeg [verdachte] of hij nog eens kort de werking en verschillende functies van de OptiClimate uit kon leggen. [verdachte] gaf hierop een technische uitleg over de werking van de OptiClimate en de daarop aan te sluiten apparaten en slangen, waarbij hij ter verduidelijking een schematische tekening maakte.46

Pseudokoper A gaf aan dat zij graag de Dimlux 1000 Watt lampen wilden bestellen die [verdachte] had aangeraden. [verdachte] vertelde de pseudokopers daarop dat hij in de offerte was uitgegaan van 600 Watt lampen en dat de tent niet hoog genoeg was voor 1000 Watt lampen, omdat de planten dan zouden verbranden. [verdachte] toonde op het beeldscherm op de computer op de toonbank een afbeelding van een andere tent en gaf aan dat het met deze tent wel kon, omdat deze hoger was. Wel betrof het een duurdere tent en zouden dan ook andere zaken op de offerte moeten worden aangepast, omdat alles op elkaar moest worden afgestemd. Pseudokoper B gaf hierop aan dat hij even moest overleggen en liep naar buiten om te telefoneren. Samen met zijn begeleider besloot hij dat zij uit zouden gaan van de offerte en mee zouden gaan met de 600 Watt lampen. Pseudokoper B kwam hierop terug naar binnen en zei tegen [verdachte] dat zij de 600 Watt lampen wilden bestellen. Op de vraag hoeveel stuks zij nodig hadden, antwoordde [verdachte] dat dit er achttien waren. Verder vertelde hij dat het voor de opbrengst niet uitmaakte of men 600 of 1000 Watt lampen gebruikte en dat de opbrengst was waar het uiteindelijk om ging.47

Pseudokoper A vroeg [verdachte] welke OptiClimate zij nodig hadden. [verdachte] zei dat het met dezelfde OptiClimate kon als die boven hing, waarbij hij het bedrag van € 3.750,- op de offerte omcirkelde.48 [verdachte] zei vervolgens dat hij de offerte nog iets aan moest passen in verband met het andere type OptiClimate en Plenumbox.49

Pseudokoper B vroeg [verdachte] hoe het ging met de levering. [verdachte] antwoordde dat zij alle spullen konden leveren en dat alleen de OptiClimate en de Dimlux lampen apart vervoerd moesten worden, omdat de politie anders op de stoep zou staan bij een controle. Pseudokoper B vroeg hoe de levering dan in zijn werk zou gaan en of zij een tijdstip konden afspreken. [verdachte] vertelde hierop dat het vroeger één bedrijf was en dat zij met de hele club samenwerkten. Door de wetgeving ging dat nu niet meer. Nu zijn het drie bedrijven met verschillende eigenaren die op papier niets met elkaar te maken hebben. Al het personeel werkte er nog, maar nu gescheiden van elkaar in drie aparte bedrijfjes. Over het afrekenen zei [verdachte] desgevraagd dat alle spullen op de offerte en de OptiClimate hier afgerekend konden worden en dat de Dimlux een paar panden verderop besteld, afgerekend en afgeleverd moest worden. Desgevraagd zei [verdachte] dat [bedrijf 1] de spullen kon bezorgen, waarna hij vroeg naar wat voor locatie de spullen gebracht moesten worden. Toen één van de pseudokopers zei dat het om een garagebox op een geschikte locatie ging, zei [verdachte] dat dit geen probleem was. Pseudokoper B gaf aan dat zij de spullen wilden bestellen en laten bezorgen. [verdachte] zei hierop dat hij even iets ging vragen en liep naar de achterzijde van de winkel.50

Even later kwam [verdachte] terug met een persoon die later bleek genaamd ‘ [medeverdachte 1] ’. [medeverdachte 1] vroeg de pseudokopers wanneer de spullen bezorgd moesten worden. Pseudokoper B gaf aan dat zij de spullen het liefst zo snel mogelijk bezorgd wilden hebben, waarop pseudokoper A aanvulde dat het mooi zou zijn als het aanstaande donderdag geleverd kon worden. [medeverdachte 1] zei dat niet alles op voorraad was en dat het aanstaande zaterdag geleverd zou kunnen worden. Pseudokoper B ging hiermee akkoord. [medeverdachte 1] legde de pseudokopers uit dat zij de spullen op de offerte, de OptiClimate en de lampen los moesten bestellen en dat niet alles in één keer vervoerd kon worden. [verdachte] zei hierop tegen [medeverdachte 1] dat hij dat al had verteld, maar dat de OptiClimate wel hier besteld en betaald kon worden. [medeverdachte 1] raadde de pseudokopers vervolgens aan een busje van minimaal 1.60 meter breedte te huren voor de OptiClimate. Desgevraagd zei [medeverdachte 1] dat de OptiClimate 160 kilo woog, dat deze op een pallet stond en dat deze met de heftruck in de bus kon worden gezet. Ook vertelde [medeverdachte 1] dat de spullen op de offerte en de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld konden worden en dat hij wel zou regelen dat het geld bij de juiste persoon terecht kwam. Verder vertelde hij dat de pseudokopers altijd bij hen terecht konden als er iets met de OptiClimate aan de hand was. [medeverdachte 1] stelde voor dat, als de pseudokopers hier zaterdag toch moesten zijn voor het ophalen van de OptiClimate en de verlichting, de chauffeur achter hen aan kon rijden naar de locatie. Pseudokoper A vroeg of het bedrag op de offerte naar beneden kon worden afgerond tot een mooi, rond bedrag. [medeverdachte 1] antwoordde dat zij toch al erg voordelig waren, maar dat dit wel kon.51

Pseudokoper A vroeg [verdachte] of dit de baas was. [verdachte] zei dat dit [medeverdachte 1] was en dat [medeverdachte 1] de eigenaar was. Vervolgens gaf [verdachte] aan dat de pseudokopers het beste eerst naar een paar panden verderop konden gaan om daar afspraken te maken over het bestellen van de Dimlux. Achterop de offerte schreef [verdachte] :

‘Dimlux Expert 600W complete fix 18x

[adres 3] [bedrijf 4] ’.52

Na een korte routebeschrijving van [verdachte] te hebben gehad, vertrokken de pseudokopers naar [bedrijf 4] .53

Eenmaal terug in de winkel bij [bedrijf 1] vertelde pseudokoper B [verdachte] dat zij een bestelling hadden gedaan voor zaterdag. Vervolgens liet [verdachte] de factuur zien die hij had uitgeprint. Desgevraagd door [verdachte] heeft pseudokoper B hem een bedrag van € 600,- als aanbetaling gegeven.54

Vervolgens zei [verdachte] : “Dat is [naam 1] , dat is onze stekkenman.” Hierbij wees [verdachte] naar een man die achterin de winkel stond en zei hij dat die stekken kon regelen. “Alle soorten Haze, wat je wilt. Als jullie willen, kan ik zijn nummer geven.” Pseudokoper A zei dat dit wel handig was, waarop [verdachte] ‘ [telefoonnummer 4] sms’ op het briefje van de eerder genoemde schematische tekening schreef.55 Ondertussen kwam [naam 1] ook bij de toonbank staan. Pseudokoper A zei tegen [verdachte] dat hij had gehoord dat je uit zaden sterkere planten kreeg dan uit stekken. [verdachte] vertelde dat alleen mensen die maar drie planten of zo kweekten, zaden gebruikten. Alle professionele kwekers gebruikten stekken. [verdachte] zei dat hij wel twintig voordelen van stekken ten opzichte van zaden kon opnoemen. Pseudokoper A vroeg [naam 1] hoe snel hij stekken kon leveren. [naam 1] antwoordde hierop dat zij het best een week van tevoren konden bellen voor een bestelling. Vervolgens hebben de pseudokopers het pand verlaten.56

Op 10 februari heeft pseudokoper A opdracht gekregen telefonisch contact op te nemen met [bedrijf 1] met het doel om het tijdstip van de levering te wijzigen. Hierop heeft pseudokoper A drie telefoongesprekken gevoerd, waarvan één met [verdachte] . Zij hebben toen afgesproken dat de bestelling op 14 februari 2017 zou worden geleverd.

Op 14 februari 2017 kregen de pseudokopers de opdracht om naar [bedrijf 1] te gaan om de eerder gedane bestelling af te halen. Bij aankomst bij [bedrijf 1] waren onder meer [verdachte] , [medeverdachte 1] en [naam 1] aanwezig, die de pseudokopers begroetten. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] met de pseudokopers naar buiten gelopen om de laadruimte van de bus te controleren.57

Pseudokoper A is met [medeverdachte 1] via de winkel meegelopen naar een naastgelegen loods, waar [medeverdachte 1] op twee pallets met goederen wees met de mededeling dat dit de goederen waren die zij hadden besteld. Pseudokoper A wees [medeverdachte 1] erop dat was afgesproken dat zij de Dimlux verlichting en de OptiClimate op zouden halen en dat [bedrijf 1] achter hen aan zou rijden met de spullen die hier stonden. [medeverdachte 1] gaf aan dat dit vandaag niet ging, waarop een discussie ontstond over de bezorging en het zelf meenemen van de goederen. Na overleg besloten de pseudokopers zo veel mogelijk spullen nu zelf mee te nemen en reed pseudokoper B op aanwijzen van [medeverdachte 1] de bus in de loods. [verdachte] sloot vervolgens de roldeur van de loods, waarna [medeverdachte 1] en een andere medewerker alle goederen, met uitzondering van de zakken aarde, de potten en de waterton, in de bus zetten. De medewerker noteerde op aanwijzing van [medeverdachte 1] wat er allemaal in de bus stond. [medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat de OptiClimate in Woerden opgehaald kon worden.58

Terug in de winkel heeft pseudokoper B het bedrag van € 5.400,- aan [verdachte] betaald. [medeverdachte 1] vroeg of zij de OptiClimate hier af wilden rekenen of op de ophaallocatie. Pseudokoper B gaf aan dat het makkelijker was om alles af te tikken, waarop hij nog eens € 4.500,- afrekende voor de OptiClimate. [verdachte] telde het geld uit, deed dit in een zakje en gaf het zakje aan [medeverdachte 1] , waarbij hij zei: “Dit is de € 4.500,- van de OptiClimate.”59

Ondertussen schreef [verdachte] het adres [adres 4] en het [telefoonnummer 2] op een briefje, waarbij hij zei dat dit het adres was waar de pseudokopers de OptiClimate konden ophalen. Vervolgens schreef [verdachte] op de factuur ‘potten + aarde tegoed’. [medeverdachte 1] vroeg aan [verdachte] of hij het telefoonnummer voor de OptiClimate al had gegeven. [verdachte] bevestigde dit, waarna [medeverdachte 1] wegliep.60

[verdachte] gaf desgevraagd aan een kweekschema te willen maken en dit gereed te hebben als de pseudokopers de aarde en de potten kwamen ophalen. [verdachte] vroeg vervolgens of de pseudokopers het nummer van [naam 1] al hadden, hetgeen pseudokoper A bevestigde. De pseudokopers zeiden [verdachte] en [naam 1] hierop gedag en zeiden tegen [naam 1] dat zij nog contact zouden hebben.61

In de loods trof pseudokoper A [medeverdachte 1] en een persoon die hij herkende van een eerder bezoek aan [bedrijf 4] , genaamd ‘ [medeverdachte 3] ’ aan. Pseudokoper A vroeg [medeverdachte 3] of zij de lampen nu meteen op konden halen. Dam antwoordde hierop dat hij op dit moment maar acht lampen op voorraad had, omdat de pseudokopers de lampen eigenlijk zaterdag zouden moeten hebben opgehaald. Pseudokoper A gaf aan dat hij vrijdag had gebeld om de afspraak te verzetten en dat hij ervan uit was gegaan dat dit was doorgegeven. Damian zei dat dit niet het geval was, waarop [medeverdachte 1] aanvulde dat zij twee aparte bedrijven waren. Hierop besloot pseudokoper A eerst naar Woerden te rijden om de OptiClimate op te halen. [medeverdachte 1] zei dat de pseudokopers een half uur voordat zij daar zouden zijn het nummer op het briefje moesten bellen. Uit een andere ruimte kwam een hoogzwangere vrouw met lang donkerblond haar en getekende wenkbrauwen aanlopen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ), die naar de achterzijde van de loods liep. Hierna verlieten de pseudokopers [bedrijf 1] . Diezelfde middag heeft pseudokoper A met [bedrijf 1] respectievelijk de leverancier van de OptiClimate telefonisch contact opgenomen om een afspraak te maken over het ophalen van de OptiClimate.62

Vervolgens is pseudokoper A naar de [adres 4] te Woerden gereden. De garagedeur werd geopend door een zwangere vrouw die pseudokoper A herkende als de zwangere vrouw die hij bij [bedrijf 1] had gezien. De vrouw bevestigde dit en zei dat zij tegelijk met de pseudokopers was weggereden bij [bedrijf 1] . Pseudokoper A zei hierop dat het dan makkelijker was geweest als zij de OptiClimate gelijk bij [bedrijf 1] hadden ingeladen. De vrouw bevestigde dit, maar zei dat dit in verband met de wetgeving niet mogelijk was. De vrouw legde uit dat zij vroeger één bedrijf waren en dat zij, voordat zij het pand aan de [adres 4] hadden, een pand dichter bij [bedrijf 1] hadden, maar dat dit niet mocht. Vervolgens heeft pseudokoper A de bus in de loods gezet. De vrouw zette een doos op een pallet met daarin de OptiClimate met een elektronische steekwagen in de bus. Pseudokoper A vroeg de vrouw of hij haar afgelopen vrijdag aan de telefoon had gehad. De vrouw antwoordde dat zij inderdaad ook telefoontjes aannam bij [bedrijf 1] . Vervolgens hadden pseudokoper A en de vrouw een discussie over de bezorging van de goederen van [bedrijf 1] . Ten slotte zei de vrouw dat de pseudokopers naar [bedrijf 1] konden bellen als er iets aan de hand was met de OptiClimate, maar dat zij haar moesten bellen als zij een nieuwe nodig hadden of als hij in zijn geheel vervangen moest worden. Hierop heeft pseudokoper A de vrouw gedag gezegd en het pand verlaten.63

Op 21 februari 2017 heeft pseudokoper A telefonisch contact opgenomen met [bedrijf 1] voor het maken van een afspraak voor het ophalen van de resterende goederen. Met [medeverdachte 1] werd afgesproken dat de pseudokopers de spullen diezelfde middag zouden komen ophalen. Bij aankomst bij [bedrijf 1] parkeerde pseudokoper B hun voertuig voor de loods en troffen zij [verdachte] aan in de winkelruimte. Toen de pseudokopers aangaven dat zij de rest van hun bestelling kwamen halen, haalde [verdachte] [medeverdachte 1] erbij. [medeverdachte 1] vroeg om welke spullen het ook al weer ging, waarna de pseudokopers met [medeverdachte 1] naar de loods zijn gelopen en pseudokoper B hun voertuig de loods in reed. In het kantoor voorin de loods zag pseudokoper A de zwangere vrouw zitten die hij herkende van hun eerdere bezoek aan [bedrijf 1] en van het ophalen van de OptiClimate in Woerden.64

Samen met [medeverdachte 1] hebben de pseudokopers de zakken potgrond, de potten en het watervat in hun voertuig geladen. Gevraagd om de factuur van de OptiClimate, zei [medeverdachte 1] dat dit geen probleem was en dat de pseudokopers die aan de vrouw in het kantoor van de loods moesten vragen. Omdat de vrouw even weg was, is pseudokoper A eerst naar de winkelruimte gelopen om [verdachte] te vragen naar het kweekschema. [verdachte] gaf aan dat hij dit nog niet had gemaakt, maar dat hij dat wel even kon doen. Vervolgens zijn de pseudokopers naar [bedrijf 4] gegaan.65

Bij terugkomst in [bedrijf 1] is pseudokoper A naar voornoemd kantoor gelopen, waar de zwangere vrouw zat. Pseudokoper A vroeg haar of zij de factuur van de OptiClimate had. De vrouw vroeg hierop of pseudokoper A een bedrijf had of een particulier was en gaf aan dat zij voor een particulier geen factuur kon uitdraaien. Nadat pseudokoper A had uitgelegd waarom hij de factuur nodig had, gaf de vrouw aan dat zij in haar administratie ging kijken. Even later kwam de vrouw met de factuur in haar hand naar de winkel gelopen en zei zij dat ze de factuur wel had, maar dat zij de bovenkant eraf moest halen. De vrouw zei: “Die facturen worden namelijk regelmatig in wietkwekerijen gevonden”, waarna zij een gedeelte van de factuur afknipte. De pseudokopers zagen dat hier onder andere de bedrijfsnaam, de adresgegevens, het rekeningnummer van het bedrijf en het factuurbedrag op stonden.66 Pseudokoper A zag dat er met betrekking tot de bedrijfsnaam en de adresgegevens bovenaan de factuur stond vermeld: “ [bedrijf 7] [adres 4] ”.67 Hierna gaf de vrouw de factuur aan de pseudokopers.68 Vervolgens ontvingen de pseudokopers van [verdachte] een A4’tje met daarop een kweekschema, waarbij [verdachte] desgevraagd een korte uitleg gaf over de lengte van de groeifase van de planten. Hierna hebben de pseudokopers [bedrijf 1] verlaten.69

De door de pseudokopers op 14 februari 2017 bij [bedrijf 1] en [medeverdachte 2] opgehaalde goederen zijn in beslag genomen. Het betreft de volgende goederen:

sproeier (plantensproeierkop op stang)

waterslang Aquaking 12,5

schakelbord

broekstuk

OptiClimate 150000 pro3

Combiconnect luchtslang 254mm 10m

growtent Secret Jardin DR600W

Sonoconnect afzuig/luchtslang 10m

afzuigbox horecabox slakkenhuis

elektric spray blauw

Aquaking dompelpomp submersible

aansluitset OptiClimate 10000/15000

trafo TDGC2 0,5 kVa

Aquaking immersible pomp

rol verhuisplakband bruin

maxicontroller powersupply

maxicontroller Dimlux evo l ,2

Dimlux interlink kabel 5m

Dimlux temperatuursensor kabel 10meter

tyleen waterslang 25 meter

waterslang Aquaking 25-32mm geel

hotbox international

rol verhuisplakband bruin

flens blauw 355 mm

plenumbox tbv OC 15000

elektriciteitssnoerrol l00m l,5mm2

luchtverdeelslang 5m

verloopstuk (blik/metaal) 310mm 254mm

verbindingsmof recht 315 mm

set installatierails en draadeinde tbv het ophange

zwart snoer met connector en sensor

slangklem 315-245 mm

flens 355-315 mm

flens 254mm kunststof

koolstoffilter l meter lang.70

Ook de op 21 februari 2017 bij [bedrijf 1] opgehaalde goederen zijn in beslag genomen, te weten:

1. watervat

288 potten

72 zakken aarde Supreme Light mix71

Op 29 maart 2017 werd het pand van [bedrijf 1] aan de [adres 2] te Reeuwijk doorzocht. Hierbij is een groot aantal goederen in beslag genomen, waaronder:

ventilatoren

voedingsmiddelen van onder meer de merken Hy-Pro, Plagron, BioGreen, Canna, Bcusz (de rechtbank begrijpt: B’CuzZ), Atami, Ferro, Dutch Pro, Woma en Aptus

(tijd)schakelaars

Stekpluggen

een ozonmachine

PH-meters

een EC-meter

conductiviteitsmeters

een voedingsmiddelenmeter

PH/EC-meters

Schakelkasten

een combimeter

CO2-branders

dompelpompen

meetinstrumenten

sensoren

een luchtvochtigheidsmeter

een temperatuursensor

CO2-sensoren

een groeilamp

schakelapparatuur

lampen

growtenten van onder meer de merken Dutch Solutions en Secret Jardin

Aquaking opvouwbaar 100 liter (de rechtbank begrijpt: een watervat)

Aquaking opvouwbaar (de rechtbank begrijpt: watervaten) in verschillende afmetingen

afzuigslangen van de merken Sonoconnect en Combiconnect

een tumble trimmer.72

Bij voornoemde doorzoeking werd ook een totaalbedrag van € 23.073,20 aan contant geld in verschillende coupures, waaronder coupures van € 100 en € 500 aangetroffen.73

De administratie van [bedrijf 1] is nader onderzocht. Gebleken is dat tussen 27 september 2016 en 13 maart 2017 een totaalbedrag van € 111.200,- aan contant geld is gestort op de rekening van [bedrijf 1] . Opvallend is dat het alleen om stortingen van coupures van € 50 tot en met € 500 gaat.74

Bij de doorzoeking in het pand aan de [adres 4] te Woerden werden onder meer 6 OptiClimates aangetroffen.75

De deskundige Voogt heeft ter terechtzitting verklaard dat de meeste door hem onderzochte goederen die bij [bedrijf 1] in beslagen genomen waren, slechts bij uitzondering in de reguliere tuinbouw of hobbyteelt worden gebruikt. Dit betreft vooral de centraal geregelde bevloeiingssystemen, drupsystemen, afgeschermde ruimtes, afzuiging naar buiten, thermostaat- of computergestuurde verwarming, speciaal verrijkte aarde en potgrond, steenwol, hydrocultuur en CO2-suppletie.76

Verweer met betrekking tot de pseudokoop

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak over de zogenoemde Posbank-moord, aangevoerd dat het proces-verbaal waarin pseudokopers A en B hun bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 hebben gerelateerd niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Dit proces-verbaal is namelijk niet gedateerd, de door pseudokopers A en B aan medewerkers van [bedrijf 1] gestelde vragen zijn niet in het proces-verbaal opgenomen, de over dit proces-verbaal gestelde vragen aan pseudokopers A en B tijdens hun verhoor bij de rechter-commissaris zijn niet beantwoord en de gesprekken met de betrokkenen bij de pseudokoop zijn niet audiovisueel opgenomen. Hierdoor is het proces-verbaal in strijd met artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opgemaakt. Daarom is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dat moet leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de verdediging.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen wettelijke verplichting bestaat tot het maken van audiovisuele opnames van een pseudokoop.

Voorts gaat een vergelijking met de zaak over de Posbank-moord niet op. In die zaak ging het om de verklaringsvrijheid van een verdachte gedurende een undercoveroperatie waarbij een belangrijke rol speelde het heimelijk optreden van de politie dat gericht was op het winnen van het vertrouwen van de verdachte om deze er vervolgens toe te brengen een bekentenis af te leggen. Daar was van belang dat uit de verslaglegging van de undercoveroperatie bleek hoe de betreffende verdachte tot het afleggen van zijn bekennende verklaring was gekomen. In onderhavige zaak gaat het over het - zonder al te veel moeite - aanschaffen van benodigdheden voor een hennepkwekerij. De inzet van de pseudokoop-actie is niet gericht geweest op het winnen van het vertrouwen van de verdachten om deze er vervolgens toe te brengen een bekentenis af te leggen. Tijdens de bezoeken aan [bedrijf 1] door pseudokopers A en B zullen ongetwijfeld vragen zijn gesteld aan (met name) [verdachte] . Deze zijn niet expliciet geverbaliseerd in het proces-verbaal, waarin een zakelijke weergave is gegeven van hetgeen is voorgevallen tijdens de pseudokoop. Dit brengt echter niet met zich dat sprake is van een vormverzuim waardoor dit proces-verbaal niet bruikbaar zou zijn voor het bewijs.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de gang van zaken van de pseudokoop wel ook de verklaringen van de verdachten over het optreden van de pseudokopers meewegen.

Pseudokopers A en B zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen op p. 504 telkens na hun bezoeken aan [bedrijf 1] gedebrieft door [naam 2] , begeleider van het Team Heimelijke Ondersteuning van de Landelijke Eenheid. Kort daarna hebben zij de processen-verbaal over de gang van zaken bij de pseudokoop opgemaakt en gesloten. Dat het proces-verbaal van het bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 niet is gedateerd, betekent niet dat dit proces-verbaal niet direct na afloop van dat bezoek is opgemaakt, of dat dat niet ten spoedigste is gedaan. Pseudokopers A en B hebben de hierover gestelde vragen bij de rechter-commissaris wel degelijk beantwoord, zij het wellicht niet op voor de verdediging bevredigende wijze. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van [naam 3] (p. 506)dat het proces-verbaal over het bezoek aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 is gesloten op 17 februari 2017.

Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim met betrekking tot het proces-verbaal over het bezoek van de pseudokopers aan [bedrijf 1] op 14 februari 2017 en wordt dit proces-verbaal niet uitgesloten van het bewijs.

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

De verdachte wordt verdacht van het (in vereniging) overtreden van het op 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel stelt strafbaar degene die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (...), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet wordt in de Nota naar aanleiding van het Verslag onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.’(Kamerstukken TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, p. 2-3)

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in een brief van 7 december 2012 over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder nog het volgende aangegeven:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. (…) De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’ (Kamerstukken TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, p. 6)

De wetgever heeft ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt verwezen naar hetgeen hierover is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie.

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Is sprake van het (in vereniging) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet?

De rechtbank stelt op grond van de voormelde redengevende feiten en omstandigheden vast dat de stoffen en voorwerpen die [bedrijf 1] in haar assortiment en voorraad (dus: voorhanden) had en aan klanten, waaronder de pseudokopers, te koop aanbood en verkocht, geschikt zijn voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt.

Dat die goederen ook daadwerkelijk bestemd waren voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt en dat de verdachte dit wist (intentie), leidt de rechtbank af uit de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , zoals deze uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen (onder de kopjes redengevende feiten en omstandigheden en inleiding) naar voren komt.

Daarbij is van belang dat [medeverdachte 1] , die middels [bedrijf 10] , directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is, vóór de oprichting van [bedrijf 1] een growshop had en dat, ondanks de uitbreiding van het assortiment, een groot deel van het oude assortiment van de growshop gehandhaafd is gebleven binnen [bedrijf 1] . Dat [bedrijf 1] zich, door de uitbreiding van het assortiment, uitsluitend is gaan richten op reguliere tuinbouw en hobbykwekers acht de rechtbank, gezien het gehandhaafde deel van het assortiment, onaannemelijk. Het dossier bevat daarnaast geen aanwijzingen dat een noemenswaardig deel van de verkopen aan reguliere tuinbouw en hobbykwekers plaatsvond. Voorts is gebleken dat klanten hun aankopen contant konden betalen zonder hun gegevens achter te laten en dat bij [bedrijf 1] een groot totaalbedrag aan contanten is aangetroffen, onder meer bestaande uit coupures van € 500 en € 100. Het is een feit van algemene bekendheid dat in het illegale circuit grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures rondgaan. Daarnaast is zeer onaannemelijk dat legale bedrijven hun aankopen contant en anoniem betalen, omdat de BTW bij bedrijfsmatige aankopen van goederen aftrekbaar is, en bedrijven deze aftrek mislopen bij anonieme contante betalingen.

De omstandigheid dat verschillende aangetroffen stoffen en voorwerpen afzonderlijk ook gebruikt kúnnen worden voor andere doeleinden dan de illegale hennepteelt, doet er niet aan af dat de stoffen en voorwerpen die binnen [bedrijf 1] werden verkocht, naar het oordeel van de rechtbank bestemd waren voor de bedrijfs- of beroepsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Dat geldt in het bijzonder voor de voorwerpen die genoemd zijn in de Aanwijzing Opiumwet als indicatoren voor de professionaliteit van hennepteelt, zoals centraal geregelde bevloeiingssystemen, drupsystemen, afgeschermde ruimtes, afzuiging naar buiten, thermostaat- of computergestuurde verwarming, speciaal verrijkte aarde en potgrond, steenwol, hydrocultuur en CO2-suppletie.

De illegale bestemming van de goederen leidt de rechtbank verder af uit de gang van zaken binnen het pseudokooptraject.

Reeds bij het eerste bezoek van de pseudokopers aan [bedrijf 1] , bij de uitleg over het klimaatsysteem, maakte [verdachte] opmerkingen over een naar een warmtebron zoekende helikopter en het langskomen van de mannen met de blauwe petten (de rechtbank begrijpt: de politie). Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte] er kennelijk in dat stadium van de verkoop al van uit ging dat de pseudokopers een illegale hennepkwekerij wilden opbouwen. In plaats van de verkoop te staken of op een andere manier in te grijpen, heeft [verdachte] de pseudokopers echter verder geadviseerd - zelfs over het soort hennepplant dat de pseudokopers het beste konden gebruiken -, folders meegegeven over de OptiClimate en de Dimlux verlichting en een offerte opgemaakt voor de bij [bedrijf 1] aan te schaffen goederen.

Tijdens het tweede bezoek kwamen de pseudokopers te spreken met [medeverdachte 1] , die hen vertelde dat de goederen op de offerte en de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld konden worden en dat hij wel zou regelen dat het geld bij de juiste persoon terecht kwam. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] kennis had genomen van de offerte en dat ook hij, mede gelet op de combinatie van die goederen met een OptiClimate, niet heeft ingegrepen. Sterker nog: [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat de OptiClimate bij [bedrijf 1] besteld en betaald kon worden. Vervolgens zijn de pseudokopers door [verdachte] doorverwezen naar [bedrijf 4] en zijn zij bij terugkomst in [bedrijf 1] door [verdachte] gewezen op [naam 1] , die [verdachte] voorstelde als “onze stekkenman”.

Bij het derde bezoek aan [bedrijf 1] waren zowel [medeverdachte 1] , [verdachte] als [naam 1] aanwezig. De pseudokopers hebben hun aankopen, inclusief de OptiClimate, contant betaald, waarna [medeverdachte 1] heeft geholpen met het inladen van de goederen in het busje. [verdachte] heeft vervolgens het adres opgeschreven waar de OptiClimate kon worden opgehaald, evenals het telefoonnummer van de leverancier. Tot slot heeft [verdachte] de pseudokopers op verzoek een kweekschema overhandigd.

De verdediging heeft aangevoerd dat de gang van zaken tijdens de pseudokoop niet exemplarisch was voor de manier van werken binnen [bedrijf 1] en dat de pseudokoop dan ook als een losstaand incident moet worden beschouwd.

De rechtbank verwerpt dit verweer, gelet op de vanzelfsprekendheid waarmee de koop werd gesloten, waarbij voor de vuist weg tips werden gegeven over geschikte wietsoorten en het verborgen houden van een kwekerij en waarbij zelfs een kweekschema werd overhandigd. Ook het voorstellen van [naam 1] als “onze stekkenman” en de omstandigheid dat [naam 1] niet slechts éénmalig bij [bedrijf 1] aanwezig was, maar in ieder geval twee van de drie keren dat de pseudokopers er ook waren, duidt erop dat van een op zichzelf staand incident geen sprake was.

De rechtbank is van oordeel dat bij het voorhanden hebben en verkopen van goederen die geschikt zijn voor de illegale hennepteelt onder voornoemde omstandigheden onmiskenbaar sprake is van het te koop aanbieden en voorhanden hebben van goederen die bestemd zijn voor de illegale hennepteelt én dat de verdachte dit wist.

Voor wat betreft de wetenschap is mede van belang dat na alle gebeurtenissen in het onderzoek Radon 1, waaronder de inval van de politie, de inbeslagname van de voorraad van [bedrijf 1] en de aanhouding van onder meer [verdachte] , binnen [bedrijf 1] de activiteiten zijn voortgezet. In die zin was [bedrijf 1] een gewaarschuwd bedrijf en [verdachte] een gewaarschuwd mens.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.

[verdachte] hield zich, als verkoper, bezig met de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1] voor wat betreft de voorraad en de verkoop van goederen. [verdachte] had hierin de vrije hand en mocht bijvoorbeeld zelfstandig kortingen voor klanten bepalen. [medeverdachte 1] hield zich actief bezig met de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en was ook betrokken bij de pseudokoop. Tussen hen is dan ook sprake van een gezamenlijke uitvoering. Ook kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] voor de periode vanaf 1 januari 2017, zijnde de periode dat [medeverdachte 2] niet meer werkzaam was bij [bedrijf 1] . Immers heeft zij, in naam van haar bedrijf [bedrijf 7] , de OptiClimate aan de pseudokopers geleverd nadat deze bij [bedrijf 1] was betaald en het geld hiervoor aan [medeverdachte 1] was gegeven en heeft zij meerdere gesprekken met [verdachte] gevoerd over het leveren van apparatuur voor klanten van [verdachte] dan wel [bedrijf 1] , waarvan de apparatuur in twee van de vijf gevallen al betaald was bij [verdachte] .

De rechtbank acht, het voorgaande in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met [bedrijf 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 7] in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet.

Voor een nauwe en bewuste samenwerking met [bedrijf 4] en de bij dit bedrijf betrokken natuurlijke personen ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ) bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Allereerst is niet gebleken dat [verdachte] de beschikking had over het assortiment dan wel de voorraad van [bedrijf 4] . Daarnaast zijn in de maanden voorafgaand aan het pseudokooptraject verschillende BOB-middelen ingezet, waaronder het tappen van telefoongesprekken. Uit de resultaten van de inzet van deze BOB-middelen is niet gebleken dat [verdachte] en (de betrokken personen bij) [bedrijf 4] gedurende deze maanden contact met elkaar hebben gehad.

Daarnaast zijn met betrekking tot de pseudokoop verschillende contra-indicaties voor samenwerking tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] aanwezig. Zo heeft kennelijk geen van de bij [bedrijf 1] betrokken personen aan [bedrijf 4] doorgegeven dat de pseudokopers hun afspraak wilden verzetten, hetgeen [verdachte] wel gevraagd was te doen door de pseudokoper. Ook bevindt zich een tapgesprek in het dossier waarin één van de pseudokopers [medeverdachte 1] belt met de vraag of hij ook de lampen kan ophalen op 21 februari 2017, waarop [medeverdachte 1] zegt dat de pseudokoper dat zelf moet regelen en dat zij ( [bedrijf 1] ) daar niets mee te maken hebben. Wanneer de pseudokoper hierop vraagt om een telefoonnummer, antwoordt [medeverdachte 1] dat hij geen telefoonnummer of andere contactgegevens heeft en dat de pseudokoper dat zelf op internet moet opzoeken.

Ten aanzien van feit 2

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van overtreding van artikel 11b van de Opiumwet zoekt de rechtbank aansluiting bij het juridisch kader dat geldt voor artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt dat onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan het min of meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking.

Van een dergelijk samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [bedrijf 4] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is, gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook van een crimineel samenwerkingsverband tussen [verdachte] en de bedrijven [bedrijf 10] , [bedrijf 3] , [bedrijf 5] , [bedrijf 2] en [bedrijf 9] is de rechtbank niet gebleken.

Voor zover het om het samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 7] gaat, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de onder de inleiding en feit 1 genoemde redengevende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de daar genoemde bewijsmiddelen, volgt dat het bedrijf [bedrijf 1] heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] bij het voorhanden hebben en verkopen van goederen en het voorhanden hebben van gegevens die dienen ter voorbereiding en vergemakkelijking van de illegale bedrijfs- of beroepsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Het voorhanden hebben en verkopen van die goederen gebeurde binnen [bedrijf 1] door middel van haar bij de verkoop betrokken werknemers, te weten [verdachte] en [medeverdachte 2] . [verdachte] was in dienst als verkoper en [medeverdachte 2] hield zich tot haar uitdiensttreding bezig met de backoffice. [medeverdachte 1] was (via [bedrijf 10] ) als enig aandeelhouder en bedrijfsleider actief bij de bedrijfsvoering en de dagelijkse gang van zaken binnen [bedrijf 1] betrokken. [medeverdachte 2] maakte ook na haar uitdiensttreding bij [bedrijf 1] nog deel uit van dit samenwerkingsverband, zij het in een andere rol, namelijk die van leverancier van OptiClimates met haar bedrijf [bedrijf 7] .

Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een organisatie, bestaande uit [verdachte] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] en [bedrijf 7] , die tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, aan welke organisatie [verdachte] heeft deelgenomen. Dat [verdachte] weet had van het oogmerk van de organisatie, volgt eveneens uit het onder feit 1 overwogene.

3.3.2

Ten aanzien van parketnummer 09/837222-1777

De rechtbank zal voor de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2021;

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 mei 2016, blz. 91-93, met bijlagen op blz. 94-102;

  • -

    Het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing/Narcotica, opgemaakt op 7 juni 2016, blz. 112-113;

  • -

    Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 juni 2016, blz. 127B (bestaande uit 2 pagina’s).

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

ten aanzien van parketnummer 09/807615-17

1.

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Woerden, tezamen en in vereniging met anderen, stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of verkocht en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

bij [bedrijf 1] in Reeuwijk:

een groot aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (de merken Hy-Pro, Plagron, BioGreen, B’CuzZ, Aptus, Woma, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en een aantal growtenten ( de merken Secret Jardin en Dutch Solutions), stekpluggen, een ozonmachine, (PH-)meters, schakelkasten, CO2-branders, dompelpompen, schakelapparatuur, lampen, ventilatoren, watervaten, afzuigslangen ( de merken Sonoconnect en Combiconnnect) en een tumbletrimmer en

bij [bedrijf 7] in Woerden:

6 OptiClimates

waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

in de periode van 1 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit de natuurlijke personen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte en de rechtspersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.

ten aanzien van parketnummer 09/837222-17

1.

op 23 mei 2016 te Gouda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1800 gram (verse knipresten van) hennep en 27,2 gram henneptoppen en 1,23 gram henneptopjes en 2,0 gram henneptopjes en 0,6 gram henneptopjes, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 23 mei 2016 te Gouda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,0 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis, waarvan € 3.000,- subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte zou geen proeftijd meer moeten worden opgelegd, omdat hij de afgelopen vier jaar niet in contact geweest is met politie en justitie. Als de rechtbank zou komen tot het opleggen van een geldboete, dan verzoekt de verdediging deze te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft samen met zijn mededaders stoffen en goederen verkocht waarvan zij wisten dat deze bestemd waren voor de grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.

Hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en is daarom door de wetgever op de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige en ondermijnende) criminaliteit, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. De verdachte heeft, als verkoper van de bedoelde stoffen en goederen binnen [bedrijf 1] en door zijn samenwerking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , een wezenlijke rol gespeeld in de (professionele en grootschalige) hennepteelt en daarmee ook indirect een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het met de illegale hennepteelt verband houdende criminele milieu.

Daarnaast heeft de verdachte hennep en amfetamine in zijn woning voorhanden gehad. De verdachte heeft dus ook als afnemer en gebruiker van deze middelen bijgedragen aan de instandhouding van het criminele (drugs)milieu.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 1 maart 2021, waaruit blijkt dat hij in 2020 - dus ná het plegen van de bewezenverklaarde feiten - is veroordeeld voor onder meer het bezit van harddrugs.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gediagnosticeerd is met Asperger (een autismespectrumstoornis) waardoor zijn motorieke en cognitieve vaardigheden ernstig worden beïnvloed. Ook heeft hij cognitieve klachten door jarenlang gebruik van THC en amfetamine. De verdachte heeft schulden uit het verleden. Hij wil binnenkort zijn drogisterijdiploma behalen en een eigen onderneming starten voor de verkoop van online gezondheidsproducten.

De strafzaak heeft een forse impact op hem gehad en hij heeft professionele hulp gezocht om hiermee om te kunnen gaan.

Redelijke termijn

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf voorts rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de verdachte is deze termijn aangevangen in maart 2017. Ook in aanmerking genomen dat het onderzoek langer heeft geduurd als gevolg van uitgebreide onderzoekswensen van de verdediging, zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnoverschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Strafmodaliteit en strafmaat

De rechtbank acht in deze zaak een geldboete – zoals door de officier van justitie geëist – geen passende sanctie, gelet op de financiële situatie van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat bij feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank daarvan echter afzien en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7 De inbeslaggenomen goederen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (hierna: de beslaglijst, welke als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 9, 10, 18 tot en met 22 en 24 tot en met 33 genummerde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van alle overige goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zullen worden teruggeven aan de verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de op de beslaglijst onder 18 tot en met 22 en 24 tot en met 33 genummerde goederen is de rechtbank van oordeel dat deze voorwerpen verbeurd moeten worden verklaard. Deze voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, omdat deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, zoals bewezen verklaard onder feit 1 van parketnummer 09/837222-17. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Met betrekking tot de op de beslaglijst onder 9 en 10 genummerde goederen is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ten aanzien van alle overige op de beslaglijst genoemde goederen zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I en II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 09/807615-17 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en de in de zaak met parketnummer 09/837222-17 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien parketnummer 09/807615-17, feit 1:

medeplegen van stoffen en voorwerpen bereiden, bewerken, verwerken, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen of voorhanden hebben dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen of gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

ten aanzien parketnummer 09/807615-17, feit 2:

deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet;

ten aanzien parketnummer 09/837222-17, feit 1:

handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11 lid 1 van de Opiumwet;

ten aanzien parketnummer 09/807615-17, feit 2:

handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10 lid 1 van de Opiumwet;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 18 t/m 22 en 24 t/m 33 genummerde goederen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 9 en 10 genummerde goederen;

gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 09/807615-17

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:

- bij de firma [bedrijf 4] , althans [adres 3] , onder meer:

Een (groot) aantal (assimilatie)lampen en/of voorschakelapparaten van Dimlux en/of onderdelen tbv de Dimluxen en/of onderdelen voor OptiClimates en/of

transformatoren en/of reflectoren en/of CO2 censoren en/of

- bij [bedrijf 1] , althans locatie [adres 2] , onder meer:

een (groot) aantal eenheden specifieke groei- en bloeimiddelen (o.a. de merken Hypro, Plagron, BioGreen, Hortifit, BCuzz, Aptus, WOMA3, HyPRo, Atami, Canna, Ferro, Dutch Pro) en/of

een (groot) aantal growtenten (o. a. de merken secret Jardin en/of Dutch solutions

stekpluggen en/of ozonmachine(s) en/of (PH) meters en/of schakelkasten en/of CO2 branders en/of dompelpompen en/of Schakelapparatuur en/of lampen en/of ventilatoren en/of watervaten en/of (afzuig)slangen (o. merk Sonoconnect en Combiconnnect) en/of een tumbletrimmer en/of

- in perceel [adres 7] , (verblijfadres van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] ) onder meer:

6 slakkenhuizen en/of een koolstoffilter en/of een growtent(en) en/of

- en/of bij [bedrijf 7] in Woerden onder meer:

6 OptiClimates en/of

- in een (opslag-)loods, perceel [adres 6] onder meer:

grote hoeveelheden assimilatielampen en/of dimlux voorschakelapparaten en/of

een aantal koolstoffilters en/of slakkenhuizen,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

- bij [bedrijf 1] onder meer:

een geldbedrag van 32.738,20 euro

- bij [bedrijf 4] onder meer:

een geldbedrag van 3.635,= euro

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 29 maart 2017 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk en/of Berkenwoude, gemeente Krimpenerwaard en/of Woerden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) de natuurlijke perso(o)n(en) N. [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of verdachte en/of (onder andere) de rechtsperso(o)n(en [bedrijf 1] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 9], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Onder parketnummer 09/837222-17

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2016 te Gouda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1800 gram (verse knipresten van) hennep en/of 27,2 gram henneptoppen en/of 1,23 gram henneptopjes en/of 2,0 gram henneptopjes en/of 0,6 gram henneptopjes, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 mei 2016 te Gouda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bijlage II

Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016133145 (onderzoek Radon 2), van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 100 t/m 1306 en 1307 t/m 2835).

2 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

3 Verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 28.

4 Radon 1, proces-verbaal p. 6.

5 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p.606.

6 Verhoor van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris d.d.16 april 2019, onder punt 7.

7 Verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 6 en 7.

8 Verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 11.

9 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

10 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

11 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 342 en verder.

12 Verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 18 april 2019, onder punt 9.

13 Radon 1, proces-verbaal van bevindingen, p. 193.

14 Radon 2, proces-verbaal p. 950.

15 Verhoor van [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2019, onder punt 24.

16 Verhoor van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris d.d. 19 februari 2019, onder punt 6.

17 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 209 en verder.

18 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen p. 156 en verder.

19 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en verder.

20 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 288 en verder.

21 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 2.

22 Radon 2, proces-verbaal Radon 2, dossierrelaas, p. 4

23 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

24 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 872-873.

25 Radon 2, proces-verbaal van samenwerking [bedrijf 1] ( [verdachte] ) en [bedrijf 7] ( [medeverdachte 2] ), p. 193-194.

26 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 10 februari 2017, sessienummer 181, p. 195.

27 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 7 maart 2017, sessienummer 123, p. 196.

28 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 20 maart 2017, sessienummer 208, p. 198.

29 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 266, p. 199.

30 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 268, p. 199.

31 Radon 2, een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , d.d. 28 maart 2017, sessienummer 509, p. 200.

32 Radon 2, proces-verbaal stemherkenning tap: [verdachte] , p. 870

33 Radon 2, proces-verbaal stemherkenning tap: [medeverdachte 2] , p. 868

34 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 504.

35 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 508.

36 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 508-509.

37 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 510.

38 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 511.

39 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 511.

40 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 512.

41 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 512, met bijlage op p. 525.

42 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 512, met bijlage op p. 532.

43 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 512.

44 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 513.

45 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 535.

46 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 536.

47 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 536.

48 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 536, met bijlage op p. 542.

49 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 536.

50 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 537.

51 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 537-538.

52 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538, met bijlage op p. 543.

53 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 538.

54 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 539, met bijlage op p. 545.

55 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 539, met bijlage op p. 541.

56 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 539-540.

57 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546.

58 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 546-547.

59 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547.

60 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547 met bijlagen op p. 549-550.

61 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547.

62 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 547.

63 Radon 2, een geschrift, te weten een ongedateerd proces-verbaal van bevindingen, p. 548.

64 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 552-553.

65 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553.

66 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553.

67 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 551.

68 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553, met bijlage op p. 556.

69 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 553, met bijlage op p. 555.

70 Radon 2, kennisgeving van inbeslagneming beslag uit pseudokoop d.d. 14-2-2017, p. 608-609.

71 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 613.

72 Radon 2, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 1141-1142, met bijlage op p. 1143-1169.

73 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 1171-1172, met bijlagen op p. 1173-1194.

74 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 125-126.

75 Radon 2, proces-verbaal van bevindingen, p. 1230 met bijlage op p. 1231.

76 Verklaring deskundige Voogt afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2021.

77 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016180142, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 136).