Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
C-09-585860-HA ZA 20-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek tussentijds hoger beroep melkveefosfaatreferentiezaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/585860 / HA ZA 20-8

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiser]

te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

advocaat: mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. M.R. Botman.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2797, hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken;

- het faxbericht van 14 april 2021 waarin de rechtbank namens de Staat wordt verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis;

- het faxbericht van 21 april 2021 waarin namens [eiser] wordt bepleit het verzoek van de Staat af te wijzen.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Het verzoek van de Staat aan de rechtbank om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis dient aan de volgende uitgangspunten te worden getoetst. In artikel 337 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk kan worden ingesteld met dat van het eindvonnis, behoudens het in dit verband niet relevante geval dat in het tussenvonnis een voorlopige voorziening is getroffen. Vastgehouden moet worden aan het door de wetgever aan deze wettelijke bepaling ten grondslag gelegde uitgangspunt dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven.

2.2.

Voor een uitzondering op de onder 2.1 weergegeven hoofdregel is - met het oog op de rechtszekerheid – slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. De bevoegdheid tot het maken van een uitzondering op bedoelde hoofregel is overgelaten aan het procesbeleid van de rechter. Bij bijzondere procesrechtelijke redenen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende zwaarwegende redenen bestaan om van de hoofdregel af te wijken. Het verzoek van de Staat is namelijk in wezen gegrond op de omstandigheid dat de Staat zich niet kan vinden in een aantal tussenbeslissingen, te weten het (causaliteits)oordeel inhoudende dat [eiser] geen reële mogelijkheid had tot bedrijfsuitbreiding, het oordeel over het beroep op de formele rechtskracht en het oordeel over de uitgangspunten die hebben te gelden bij het vaststellen van de hoogte van de schade. Laatstgenoemde uitgangspunten betreffen de periode waarover die schade begroot dient te worden en de hoeveelheid vee die [eiser] in de hypothetische situatie zonder onrechtmatig besluit zou hebben gehouden.

2.6.

Dat het gerechtshof in hoger beroep mogelijk tot andere oordelen komt, kan niet gelden als een bijzondere procesrechtelijke reden in voornoemde zin.

Deze mogelijkheid bestaat namelijk in (bijna) elke zaak. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de door de Staat bestreden oordelen in het tussenvonnis geen controversiële rechtsvragen betreffen. Het gaat voornamelijk om feitelijke oordelen. Het deskundigenonderzoek naar de omvang van de schade zal verder naar verwachting niet bijzonder kostbaar of tijdrovend zijn. Met [eiser] is de rechtbank ten slotte van oordeel dat het argument van de Staat dat het tussenvonnis gevolgen kan hebben voor vergelijkbare zaken evenmin als een bijzondere procesrechtelijke reden kan gelden. Daarbij weegt mee dat van het bestaan van vergelijkbare civiele zaken niet gebleken is.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst af het verzoek van de Staat tot het openstellen van hoger beroep tegen het tussenvonnis;

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2021 voor het nemen van de in 4.31. van het tussenvonnis omschreven akte door beide partijen;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.