Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
20/204
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Hennepkwekerij geëxploiteerd. Op geld waardeerbareb werkzaamheden. Van belang voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie waarmee ze worden verricht en ongeacht of daarmee daadwerkelijk geld is verdiend. Eiser had hierover duidelijkheid moeten verschaffen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft geen administratie bijgehouden waaruit de aard en omvang van de werkzaamheden blijkt. Verweerder heeft zicht terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet was vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/204


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

In het besluit van 18 juli 2019 (primair besluit I) heeft verweerder een eerder genomen besluit van 16 juli 2019, waarbij eisers recht op bijstand per 1 juni 2019 werd ingetrokken, vervallen verklaard.

In een afzonderlijk besluit van 18 juli 2019 (primair besluit II) heeft verweerder eisers recht op bijstand over de periode van 29 maart 2019 tot en met 31 mei 2019 herzien en van eiser een bedrag van € 2.150,35 teruggevorderd.

In het besluit van 25 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I niet-ontvankelijk en tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus heeft er met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het beroep van eiser is alleen gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit II.
2. Bij de beoordeling daarvan gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt sinds 11 oktober 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser huurt sinds 17 januari 2018 een driekamerwoning op de [weg] in [plaats] . Op 31 mei 2019 is in die woning een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de politie van 31 mei 2019 is vermeld dat een fraude-inspecteur van netwerkbeheerder Stedin de stroomvoorziening van de hennepkwekerij heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat de stroom illegaal is afgenomen. Stedin heeft een schadeberekening gemaakt. Volgens deze berekening is de stroom afgenomen in de periode van 29 maart 2019 tot en met 31 mei 2019. Verweerder is er daarom vanuit gegaan dat eiser in deze periode, zonder dit te melden, een hennepkwekerij had. Dit heeft geleid tot het primaire besluit II.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder dat besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser in zijn woning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat eiser met die exploitatie op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Omdat eiser niet over een administratie beschikt over de aard en omvang van deze werkzaamheden, heeft verweerder het recht op bijstand over de periode van 29 maart tot en met 31 mei 2019 niet kunnen vaststellen. Het recht op bijstand is daarom volgens verweerder terecht herzien en teruggevorderd. Of eiser daadwerkelijk inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij is volgens verweerder niet relevant.
4. Eiser betwist niet dat hij in de periode van 29 maart 2019 tot en met 31 mei 2019, zonder dit aan verweerder te melden, in zijn woning een hennepkwekerij heeft gehad. Eiser vindt echter dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met die kwekerij geld heeft verdiend. Hij wijst er daarbij op dat uit vaste rechtspraak en het daarbij gehanteerde BOOM-rapport blijkt dat een normale kweekcyclus minimaal tien weken bedraagt en dat daaraan ook kosten verbonden zijn. De te beoordelen periode bedraagt hier negen weken, zodat er geen volledige oogst geweest kan zijn. Daarom moet worden aangenomen dat er geen inkomsten zijn geweest. Het besluit berust daarmee op een onjuiste grondslag. Er is geen sprake van een situatie waarin het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
5. Deze grond slaagt niet. Zoals verweerder in het bestreden besluit uiteen heeft gezet, is voor de onderhavige besluitvorming niet relevant of eiser daadwerkelijk inkomsten heeft genoten. Het feit dat in zijn woning een hennepkwekerij is aangetroffen, rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij daarvan exploitant is geweest. Ook als eiser uit die exploitatie geen inkomsten zou hebben genoten, dan nog heeft hij op geld waardeerbare activiteiten verricht. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet er namelijk van worden uitgegaan dat, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, in de kwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, gericht op het in bedrijf houden van de hennepkwekerij, waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is volgens vaste rechtspraak een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten.1Het lag daarom op de weg van eiser om over de omvang van die werkzaamheden duidelijkheid te verschaffen. Dat heeft hij niet gedaan. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de hier van belang zijnde periode niet kan worden vastgesteld.
6. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust en dat verweerder de bijstand over de hier van belang zijnde periode ten onrechte heeft herzien en teruggevorderd. Voorts is gesteld noch gebleken van dringende redenen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2021.

Griffier

rechter

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 zie bijv. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 januari 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:402