Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5037

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1649
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is terecht een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend aan werknemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/1444 en SGR 20/1649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser, sub 1] , te [woonplaats] , eiser 1

(gemachtigde: mr. O.W.G. van Petegem),

de Korpschef van politie, te Apeldoorn, eiser 2

(gemachtigde: K.M.M. Monteban en arts-gemachtigde: I. Özkan),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. A. Arabkhani).

In de zaak SGR 20/1649 heeft eiser 2 als derde-partij deelgenomen.

Procesverloop

In het besluit van 8 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser 1 per

16 mei 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

In het besluit van 24 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aparte bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 19 april 2021 gevoegd op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde Monteban.

Overwegingen

Geen toestemming.

1. Eiser 1 heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken aan de derde-partij die medische gegevens bevatten. Om die reden kan de rechtbank in deze uitspraak die medische stukken niet inhoudelijk weergeven. De rechtbank zal in deze uitspraak de medische klachten van eiser 1 daarom slechts in algemene zin benoemen.

Wat vooraf ging aan deze procedures.

2. Eiser 1 is sinds 1979 werkzaam bij eiseres 2. Hij was laatstelijk werkzaam als wijkagent voor gemiddeld 33,18 uur per week. Eiser 1 is op 19 mei 2016 voor dit werk uitgevallen met rug- en knieklachten. Ook heeft hij last van psychische klachten. Aan hem is een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Op 16 februari 2018 heeft eiser 1 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 26 april 2018 is aan eiser 2 een loonsanctie opgelegd. Eiser 2 heeft tot 16 mei 2019 het loon doorbetaald van eiser 1.

De besluitvorming.

3.1

De verzekeringsarts heeft op 15 april 2019 een rapport uitgebracht. De beperkingen van eiser 1 heeft deze arts vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 april 2019. Er zijn beperkingen vastgesteld in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. De arbeidsdeskundige vindt eiser 1 aan de hand van de FML geschikt voor een aantal functies. Op basis van die functies is het arbeidsongeschiktheidspercentage 76,87%. In het primaire besluit heeft verweerder daarom aan eiser 1 een WGA-uitkering toegekend per 16 mei 2019. De mate van arbeidsongeschiktheid is 35 tot 80%.

3.2

Eiser 1 heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser 2, die het risico draagt voor de uitkering, heeft hiertegen ook bezwaar gemaakt. De arts bezwaar en beroep (b&b) G.M.J. Hanssen heeft in zijn rapport van 4 december 2019 de belastbaarheid van eiser 1 heroverwogen. Deze heroverweging is getoetst en akkoord bevonden door verzekeringsarts b&b R. Kox. Uit het rapport volgt dat de arts b&b een aantal aanvullende beperkingen heeft vastgesteld. Deze beperkingen hebben betrekking op de psychische klachten en de knieklachten van eiser 1 en staan vermeld in de aangepaste FML van 16 december 2019. De arbeidsdeskundige b&b heeft aan de hand van deze FML een herbeoordeling verricht. Hij vindt twee functies ongeschikt voor eiser 1 en heeft deze daarom laten vervallen. Omdat het gaat om twee reservefuncties blijft het arbeidsongeschiktheidspercentage onveranderd 76,87%. In het bestreden besluit heeft verweerder daarom het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunt van eiser 1.

4. Eiser 1 voert aan dat hij zich niet kan verenigen met de aangepaste FML omdat hij op meer punten beperkt is. Ook vindt hij de geduide functies niet passend gezien zijn beperkingen. Ter zitting is namens eiser 1 - kort samengevat - aangevoerd dat door de verzekeringsartsen bij het vaststellen van de beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met de beschikbare medische informatie van de behandelaars van eiser 1 en van de bedrijfsarts. Er zijn diverse psychiatrische diagnoses op eiser 1 van toepassing. Ook de lichamelijke klachten zijn onderschat.

Standpunt van eiser 2.

5. Het beroep van eiser 2 richt zich alleen op de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Hij voert - kort samengevat - aan dat de geduide functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) de belastbaarheid van eiser 1 overschrijdt.

Beoordeling door de rechtbank.

6. De rechtbank moet aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en of het standpunt van verweerder met betrekking tot de geschiktheid van eiser 1 voor de geduide functies per de datum in geding juist is. Bij deze beoordeling geldt als uitgangspunt de datum 16 mei 2019. Dit is de datum in geding.

7. Verweerder heeft zijn besluiten gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Hij mag die rapporten volgen als aan drie voorwaarden is voldaan. De rapporten moeten dan:

- op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;

- geen tegenstrijdigheden bevatten, en;

- voldoende begrijpelijk zijn.

Als de eisende partij van mening is dat een rapport niet aan deze voorwaarden voldoet, dan moet hij uitleggen waarom hij dat vindt. Als hij het niet eens is met de beoordeling van de verzekeringsartsen, dan moet hij informatie van een andere arts inbrengen waaruit blijkt dat de beoordeling onjuist is. Het is niet genoeg als hij alleen zijn gezondheidsklachten noemt.

8. Verder stelt de rechtbank voorop dat het tot de deskundigheid van de verzekeringsartsen behoort om uit het geheel van medische onderzoeksbevindingen beperkingen voor arbeid voor de betrokkene af te leiden en in de FML op te nemen, ongeacht hoe eiser 1 zijn klachten ervaart en/of verwoordt.

Medische grondslag van het bestreden besluit

9.1

De rechtbank vindt dat het rapport van arts b&b Hanssen gelet op de onderzoeksactiviteiten die zijn verricht, zorgvuldig tot stand is gekomen. Deze arts heeft eiser 1 op de hoorzitting gezien en hij heeft eiser 1 zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. Uit het rapport blijkt dat alle klachten die eiser 1 heeft en ook alle beschikbare stukken van zijn behandelaars, zijn meegenomen bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rapportages zijn inzichtelijk, bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies zijn logisch.

9.2

De rechtbank ziet verder geen aanleiding om de uitkomst van het medisch onderzoek onjuist te vinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de arts b&b méér beperkingen heeft aangenomen in de FML dan de primaire verzekeringsarts. Juist vanwege de psychische klachten en de kniepijn die eiser 1 ervaart, heeft de arts b&b extra beperkingen aangenomen. Hierbij heeft hij rekening gehouden met de diagnoses die op psychisch gebied van toepassing zijn op eiser en die staan vermeld in de medische informatie van de behandelaars van eiser. De beroepsgrond van eiser 1 dat hij ook op de beoordelingspunten vasthouden en verdelen van de aandacht, herinneren en handelingstempo beperkt is, volgt de rechtbank niet. De reden hiervan is dat eiser 1 in beroep geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij op de datum in geding op medisch objectieve gronden meer beperkt is dan in de (aangepaste) FML is vastgelegd. Ook in de beschikbare medische informatie ontbreken concrete aanknopingspunten dat eiser beperkt is op de hiervoor genoemde beoordelingspunten.

9.3.1

Eiser 1 voert ook aan dat de arts b&b hem ten onrechte niet beperkt vindt voor knielen en hurken (beoordelingspunt 4.22 van de FML). De bij dit beoordelingspunt door de arts b&b gegeven toelichting had volgens eiser 1 op zijn minst moeten leiden tot een lichte beperking. Die toelichting komt erop neer dat eiser 1 wel kan knielen of hurken, maar moeite heeft met het overeind komen vanuit knieling of hurk.

9.3.2

De rechtbank ziet geen aanleiding om deze beroepsgrond te volgen. Uit het rapport van de arts b&b volgt dat eiser 1 aangewezen is op kniesparend werk. Hiervoor zijn door de eerste verzekeringsarts diverse beperkingen vastgelegd in de FML. Deze beperkingen zijn door de arts b&b aangevuld met beperkingen voor buigen, trappenlopen, geknield en/of gehurkt actief zijn en de hiervoor genoemde beperkende toelichting bij onderdeel knielen of hurken. Het is niet objectief gebleken dat eiser hiermee tekort is gedaan.

9.3.3.

Daarbij komt dat de verzekeringsarts niet de keuze heeft om op het onderdeel knielen of hurken een lichte beperking aan te nemen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de informatie die hierover te vinden is in de Basisinformatie CBBS (de versie van 6 mei 2013). Deze informatie heeft de rechtbank als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. Er kan op onderdeel 4.22 van de FML alleen een beperking worden aangenomen indien de betrokkene in een minderheid van het aantal uren per werkdag hooguit tien keer per uur kan knielen of hurken. Een dergelijke beperking is bij eiser 1 niet vastgesteld en blijkt ook niet uit de door de verzekeringsarts gegeven toelichting op dit onderdeel. Er is in beroep door eiser 1 ook geen (nieuwe) medische informatie van de behandelend sector overgelegd op basis waarvan twijfel over de beoordeling van zijn knieklachten door de arts b&b had kunnen ontstaan.

9.4.1

Eiser heeft in beroep een besluit van verweerder van 18 juni 2020 overgelegd. Dit betreft een deskundigenoordeel en is gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 26 mei 2020. Uit dit rapport volgt dat er voor eiser 1 geen duurzame re-integratiemogelijkheden zijn bij de werkgever. Eiser 1 concludeert hieruit dat de in deze zaak geduide functie huishoudelijk medewerk gebouwen daarom niet als passend kan worden beschouwd. Dit geldt ook voor de andere geduide functies.

9.4.2

De rechtbank volgt deze beroepsgrond niet. Het betreffende deskundigenoordeel is namelijk opgesteld in een ander kader dan de Wet WIA, namelijk de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden van betrokkene. Bij de toepassing van de Wet WIA wordt de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld. Deze laatste beoordeling is voorbehouden aan de verzekeringsartsen van het Uwv. Verder ziet het deskundigenoordeel niet op de situatie van eiser 1 rond de datum in geding.

9.5

De rechtbank vindt dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

10.1

Aan de hand van de aangepaste FML vindt de arbeidsdeskundige b&b de functies machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) passend voor eiser 1.

De reservefuncties administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) vindt de arbeidsdeskundige b&b ongeschikt en deze functies zijn komen te vervallen.

10.2.1

Eiser 1 voert aan dat in de functies machinaal metaalbewerker en productiemedewerker industrie zijn belastbaarheid ten aanzien van de beoordelingspunten 1.9.7 (aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken) en 1.9.8 (aangewezen zijn op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is) wordt overschreden. In deze functies wordt namelijk verwacht dat werknemer, na een rustige inwerkperiode, de verwachte productiesnelheid kan halen.

10.2.2

Deze beroepsgrond treft geen doel omdat in de Resultaat functiebeoordelingen van de bedoelde functies de beoordelingspunten 1.9.7 en 1.9.8 niet staan vermeld. Dit betekent dat er geen kenmerkende belasting is op die punten en er dus geen sprake is van veelvuldige deadlines of productiepieken en een hoog handelingstempo. De rechtbank verwijst in dit verband naar het door verweerder in beroep ingediende nadere rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 8 april 2020 waarin dit ook naar voren komt. De rechtbank volgt het standpunt van de arbeidsdeskundige b&b dat het moeten behalen van een productiesnelheid niet wil zeggen dat daarmee het werktempo boven de normaalwaarde komt.

10.3.1

Ook voert eiser 1 aan dat de functie huishoudelijk medewerker gebouwen vanwege de beperkingen die zijn gesteld binnen rubriek 4 (dynamische handelingen) van de FML, niet passend is voor hem. Verder vindt eiser 1 dat in deze functie sprake is van veelvuldige (klant)contacten. Dit maakt eiser 1 op uit de functiebeschrijving waarin staat vermeld dat er omgang is met ander personeel en patiënten en ook veelvuldig overleg met ander personeel. Eiser 1 wijst erop dat de functies administratief ondersteunend medewerker en de huishoudelijk medewerker zijn komen te vervallen vanwege het klantcontact. Het bevreemd eiser 1 dat de functie huishoudelijk medewerker gebouwen ondanks het klantcontact wel geschikt worden geacht voor hem.

10.3.2

Ook vindt eiser de functie huishoudelijk medewerker gebouwen niet passend omdat hij, gelet op het aanvullende rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 8 april 2020, op een aangepaste wijze dient te knielen (het zogenoemde schuttersputje houding).

10.3.3

Eiser 2 vindt de functie huishoudelijk medewerker gebouwen eveneens niet passend voor eiser 1. Hij heeft uiteengezet dat de belastbaarheid van eiser 1 wordt overschreden op de beoordelingsaspecten 1.9.5 (aangewezen zijn op een voorspelbare werksituatie zonder sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden), 1.9.7 (aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken), 1.9.8 (aangewezen zijn op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is), 2.8.1 (omgaan met conflicten) en 2.12.1 (aangewezen zijn op werk waarin weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is).

10.3.4

De eerste beroepsgrond die eiser 1 met betrekking tot de functie huishoudelijk medewerker gebouwen heeft aangevoerd, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. De functie is geselecteerd aan de hand van de aangepaste FML. Er is bij het duiden van de functie dus rekening gehouden met de beperkingen die van toepassing zijn op eiser 1. De signaleringen die door het CBBS zijn gepresenteerd als teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, zijn door de arbeidsdeskundige b&b voorzien van een toelichting. Dit geldt ook voor de signaleringen die in rubriek 4 voorkomen. Ook die zijn afdoende gemotiveerd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar hetgeen staat vermeld in het nadere rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 8 april 2020. Hierin heeft de arbeidsdeskundige b&b op uitvoerige wijze uiteengezet dat geen sprake is van overschrijdingen op de aspecten lopen, trappenlopen, klimmen, knielen en hurken. De arbeidsdeskundige b&b heeft erkend dat eiser moeite heeft om vanuit een knielende houding overeind te komen. De rechtbank leidt uit de (aanvullende) motivering van de arbeidsdeskundige b&b af dat er in de bedoelde functie geen sprake van een overschrijding van het knielen en hurken omdat de frequentie van deze handelingen laag is. Dit volgt ook uit de Resultaat functiebeoordeling waarin staat vermeld dat tijdens 4 werkuren 5 maal ongeveer 1 minuut achtereen geknield en/of gehurkt wordt. De rechtbank volgt het standpunt van de arbeidsdeskundige b&b dat dit geen hoge frequentie is. Dat de arbeidsdeskundige b&b hierbij heeft geadviseerd om een andere knielhouding aan te nemen (schutterspuntje houding) maakt de bedoelde functie niet ongeschikt voor eiser 1.

10.3.5

De beroepsgrond van eiser 1 dat in de functie huishoudelijk medewerker gebouwen sprake is van klantcontact treft geen doel omdat er geen klantcontact voorkomt in deze functie. Dit volgt uit het feit dat beoordelingspunt 2.12.1 (aangewezen zijn op werk waarin weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is) niet staat vermeld in de Resultaat functiebeoordeling van deze functie. Dit betekent dat er geen kenmerkende belasting op dit punt is. Evenmin staat in de functiebeschrijving vermeld dat contact met patiënten voorkomt. Wel heeft de betrokken medewerker veelvuldig kort overleg met het verplegend personeel, maar een dergelijk contact valt niet onder klantcontact als bedoeld onder 2.12.1. De vergelijking met de functies administratief ondersteunend medewerker en de huishoudelijk medewerker, waarin klantcontact wel expliciet staat vermeld in de Resultaat functiebeoordelingen, gaat daarom mank.

10.3.6

De beroepsgronden die eiser 2 met betrekking tot de functie huishoudelijk medewerker gebouwen heeft aangevoerd, treffen evenmin doel. In de Resultaat functiebeoordeling van de functie huishoudelijk medewerker gebouwen staan de beoordelingspunten 1.9.5, 1.9.7, 1.9.8 niet vermeld. Dit geldt ook voor 2.12.2 zoals hiervoor is overwogen. Er komt in de functie dus geen kenmerkende belasting voor op die punten. Dit volgt ook uit de motivering die de arbeidsdeskundige b&b met betrekking tot de functiebelasting van deze functie in zijn rapport van 23 december 2019 (elfde pagina) heeft gegeven. Ook is er geen overschrijding van de belastbaarheid van eiser daar waar het gaat om omgaan met conflicten (punt 2.8.1). In de Resultaat functiebeoordeling staat bij dit punt namelijk vermeld dat geen sprake is van een kenmerkende belasting.

10.4

Ook overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om de geduide functies niet passend te achten voor eiser 1. De signaleringen die door het CBBS zijn gepresenteerd als teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, zijn door de arbeidsdeskundige b&b voorzien van een toelichting. Op basis daarvan is aannemelijk dat de belasting in de functies de belastbaarheid van eiser 1 niet te boven gaat.

10.5

De rechtbank vindt dat verweerder de geselecteerde functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

11. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser 1 op de datum in geding op toereikende gronden heeft vastgesteld op 35 tot 80%.

12. De beroepen zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van eiser 1 en eiser 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van S.J.W. Stort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage:

Beoordelingspunt 4.22 Knielen of hurken

1. Definitie

In CBBS is 'knielen of hurken’ het buigen van knieën en heupen om het lichaam op één of beide knieën of beide voeten te laten rusten, en kort daarna weer terugkeren in de uitgangshouding.

2. Interpretatiekader

Dit beoordelingspunt gaat over kortdurend (hooguit een minuut) knielen of hurken. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling is inclusief een frequentie van tien keer per uur.

De activiteit knielen of hurken dient er toe om de handen of het hoofd in de vereiste positie te brengen om een handeling op- of dicht bij de grond uit te voeren. Bijvoorbeeld om te inspecteren of een kabelaansluiting in orde is (hoofd) en die aansluiting in orde te maken (handen). Of om een ordner uit de onderste rij uit een kast te pakken (hoofd en handen).

Naast 4.10 Buigen is knielen of hurken de tweede manier om grondbereik te realiseren. Met dit beoordelingspunt 4.22 wordt dynamisch knielen en hurken beoordeeld.

Statisch knielen of hurken, het werken in een knielende of hurkende houding, wordt beoordeeld met beoordelingspunt 5.5 Geknield of gehurkt actief zijn.

3. Beoordeling functionele mogelijkheden door de verzekeringsarts

FML-score

0 normaal, kan knielend of hurkend met de handen de grond bereiken (een muntstuk oprapen).

1. beperkt, kan niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond bereiken.

Score tussen twee waarden

De frequentie per uur speelt hier een belangrijke rol bij de functieselectie. Bij een score beperkt worden niet alleen functies met een frequentie van meer dan 10 per uur, maar ook veel functies met een frequentie tot en met 10 per uur verworpen. Daarom scoort de verzekeringsarts hier alleen beperkt als hij van mening is dat knielen of hurken in slechts een minderheid van het aantal uren per werkdag hooguit 10 keer per uur mag voorkomen – met eventueel in de toelichting de maximale frequentie per uur. De arbeidsdeskundige krijgt dan potentieel geschikte functies gepresenteerd met een signalering. In alle andere gevallen waarin de verzekeringsarts van mening is dat de frequentie tot hooguit 10 keer per uur moet worden beperkt scoort hij toch normaal en geeft in de toelichting aan wat de maximale frequentie per uur mag zijn. CBBS geeft bij elke geselecteerde functie een signalering af op grond van de toelichting, dus ongeacht de frequentie4. Door deze manier van werken voorkomt de verzekeringsarts dat functies waarin knielen of hurken voorkomt met een lage frequentie (vanaf 1 keer per uur) en tenminste de helft van het aantal uren per werkdag, worden verworpen (het betreft ongeveer tweederde van het functiebestand).

4. Beoordeling eisen in arbeid door de arbeidsdeskundig analist

De arbeidsdeskundig analist kent één belastingpunt voor het scoren van knielen en hurken. Op basis van de aangegeven waarden van de arbeidsdeskundig analist geeft CBBS de belasting voor de beoordelingspunten 4.22 Knielen of hurken en 5.5 Geknield of gehurkt actief zijn weer.