Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening buiten zitting, beroep niet tijdig beslissen zal naar oordeel voorzieningenrechter niet ontvankelijk verklaard worden want beslistermijn nog niet verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/3421

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening van

Stichting Behoud Wilhelminapark en Geesten, te Oegstgeest, verzoekster

(gemachtigde mr. M. van Duijn),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Matters).

Procesverloop

Verzoekster heeft op 3 mei 2021 aan verweerder een verzoek gedaan om stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Verzoekster heeft op 11 mei 2021 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2 De voorzieningenrechter stelt met partijen vast dat de uiterlijke wettelijke beslistermijn ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob van vier weken, nog niet is verstreken.

Verzoeksters betoog dat in dit geval een kortere beslistermijn geldt kan de voorzieningenrechter niet volgen. De enkele stelling dat verzoekster de opgevraagde stukken nodig heeft om haar achterban te consulteren, een standpunt te bepalen en raadsleden via inspraak te informeren, voordat op 20 mei 2021 de raadscommissie ‘Oordeelsvorming Ruimte’ de herontwikkeling van Landgoed Endegeest bespreekt, maakt niet dat verweerder gehouden is een kortere beslistermijn te hanteren. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het verzoekster vrij stond om op een eerder moment het openbaarmakingsverzoek bij verweerder te doen.

In het verweerschrift van 12 mei 2021 geeft verweerder aan druk bezig te zijn om met de beschikbare medewerkers het verzoek verder af te handelen en zo spoedig mogelijk op het verzoek te beslissen. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor verzoeksters betoog dat verweerder niet zo spoedig mogelijk zal beslissen. Daarnaast heeft verweerder vooruitlopend op het besluit reeds het advies van de Monumentencommissie Oegstgeest ten aanzien van Landgoed Endegeest openbaar gemaakt. Ook hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder informatie verstrekt zodra dit mogelijk is. Dat verweerder sowieso al te laat was met het openbaar maken van dit advies zoals verzoekster stelt, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3 De voorzieningenrechter ziet alles in overweging nemende, met verweerder, geen reden om van de wettelijke beslistermijn af te wijken. Dat betekent dat de beslistermijn nog niet is verstreken. Het beroep vanwege ‘niet tijdig beslissen’ zal daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard worden.

4 De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.