Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure. Wet wapens en munitie. Weigering bijschrijving Lever Action kogelgeweer op bestaand wapenverlof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.L. Schretlen)

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. den Ouden).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2018 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de Nationale Politie het verzoek om bijschrijving van een lever action kogelgeweer, merk Winchester 9422, kaliber .22WMR op het wapenverlof van eiser geweigerd.

Bij besluit van 2 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit vernietigd en een nieuw besluit genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de beroepen 19/6497 en 19/6499, plaatsgevonden op 11 februari 2021. Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus heeft de zitting via een Skype-verbinding plaatsgevonden.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser beoefent de schietsport. Eiser heeft verlof aangevraagd voor de bijschrijving op zijn bestaande wapenverlof van het lever action geweer merk Winchester 9422, kaliber .22WMR. Als lid van de Schietsportvereniging SV Juliana te Wassenaar wil hij met het aangevraagde wapen deelnemen aan interne competities en wedstrijden voor de disciplines ‘Klein Kaliber Geweer’ en ‘Lever Action Geweer’.

2 Bij het primaire besluit heeft de korpschef het verlof geweigerd omdat het wapen niet past binnen een door de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA) erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline. Het wapen valt niet binnen de wel bestaande discipline Klein Kaliber Geweer omdat de aanvraag betrekking heeft op kaliber .22 WMR (Winchester Magnum Rifle) en het gebruik van magnum munitie is uitgesloten. De korpschef heeft geoordeeld dat een redelijk belang voor de bijschrijving van het geweer ontbreekt.

Verweerder heeft het primaire besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het aangevraagde wapen niet valt onder de schietsportdiscipline Klein Kaliber Geweer of onder een andere schietsportdiscipline zoals opgenomen in de -nog vast te stellen- bijlage C8 van de Circulaire Wapens en Munitie (Cwm). Met het aangevraagde wapen wordt gebruik gemaakt van magnum munitie en het gebruik van deze munitie is uitgesloten onder de discipline Klein Kaliber Geweer. Ook bij andere schietsportdisciplines is gebruik van dit wapen niet toegestaan.

3 Op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm wordt een verlof slechts verleend indien een redelijk belang dit vordert. Het criterium ‘een ‘redelijk belang’ is nader uitgewerkt in het Besluit wapens en munitie (Bwm), de Regeling wapens en munitie (Rwm) en de Circulaire wapens en munitie (Cwm). In artikel 43a van de Rwm zoals dat luidt vanaf 11 oktober 2019 zijn de door verweerder erkende schietsportdisciplines als zodanig aangewezen. Op 1 februari 2020 is de Cwm 2019 in werking getreden. Hoewel ten tijde van het bestreden besluit de Cwm 2018 van toepassing was, heeft verweerder, vooruitlopend op de nieuwe regelgeving, het daarin vastgelegde beleid toegepast.

De schietsportdisciplines die zijn opgenomen in bijlage C8 van de Cwm 2019 zijn disciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en gangbare schietsportdisciplines zijn. Enkel ten aanzien van deze aangewezen disciplines wordt een redelijk belang aangenomen voor het voorhanden hebben van wapens en munitie. Vervolgens dient te worden vastgesteld of de individuele wapens (en munitie) geschikt zijn voor die te beoefenen discipline.

In Deel B, Hoofdstuk 2. Schietsport onder 2.1. Algemeen van de Cwm 2019 staat bij ‘redelijk belang’ onder meer het volgende vermeld:

“(…) De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een door mij in bijlage C8 aangewezen tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genoemd) in het verband van een schietvereniging. (…) Schietsportdisciplines zijn vastgesteld om te waarborgen dat onder meer wapens en schietterrein geschikt zijn om op veilige wijze de schietsport te beoefenen. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline. Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlage C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines.

4.1

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1455). Volgens eiser volgt uit deze jurisprudentie dat een redelijk belang reeds gelegen kan zijn in het op serieuze wijze beoefenen van een binnen de schietvereniging georganiseerde interne clubcompetitie. Omdat het aangevraagde wapen wordt gebruikt voor het serieus beoefenen van de schietsport in wedstrijd-/verenigingsverband is een redelijk belang reeds daarom aanwezig. In aanvulling daarop heeft eiser gesteld dat een verzoek is ingediend tot erkenning van de schietsportdiscipline ‘Lever Action Geweer’. Met het aangevraagde wapen wil eiser deze discipline in verenigingsverband gaan beoefenen. Verweerder heeft het Lever Action-schieten tot nu toe ten onrechte niet als gangbare discipline beschouwd. Een verzoek om erkenning van een overkoepelende discipline voor het schieten met Lever Action Wapens is in behandeling bij het Ministerie. In Duitsland en België vallen deze wapens onder de reguliere disciplines.

4.2

Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat met het opnemen van bijlage C8 in de Cwm 2019 tegemoet is gekomen aan de bezwaren van de Afdeling in de uitspraak van 6 mei 2015 en van de rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 2 oktober 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:4737) tegen het voorheen geldende beleid. Vooruitlopend op het nieuwe beleid is geoordeeld dat het door eiser aangevraagde wapen niet onder de schietsportdiscipline Klein Kaliber Geweer dan wel onder een andere discipline in bijlage C8 van de Cwm valt. Daarom bestaat er geen redelijk belang voor bijschrijving van het bewuste wapen.

4.3.1

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het verlof als bedoeld in artikel 28 van de Wwm een uitzondering vormt op het algemene verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm wordt een verlof slechts verleend wanneer een redelijk belang dit vordert. Dit criterium laat aan de overheid een grote speelruimte toe. Niet gauw zal worden aangenomen dat een redelijk belang het vordert dat een particulier een pistool of revolver voorhanden heeft; zelfverdediging zal slechts in uitzonderingsgevallen als redelijk belang worden erkend. Serieuze beoefening van de schietsport kan echter wel een redelijk belang opleveren (Kamerstukken II 1976/77, 14 413, nr. 3, blz. 34 en 35).

De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 mei 2015 geoordeeld dat het beleid dat slechts indien de sportschutter in wedstrijdverband een door de KNSA gereglementeerde of erkende tak van schietsport zal beoefenen, een redelijk belang wordt aangenomen, dit het criterium van het redelijk belang, gezien de tekst en historie van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmm, te buiten gaat en dat dit te meer geldt nu op grond van het bestaande beleid de bevoegdheid tot toezichthouden op de verlening van wapenverloven zonder wettelijke grondslag in feite wordt uitgeoefend door een privaatrechtelijke rechtspersoon (de KNSA). Dit beleid, zo oordeelde de Afdeling, gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg te buiten.

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 2 oktober 2018 geoordeeld dat het kaliber waarmee een sportschutter mag schieten en dat mede bepalend is voor de gevaarzetting van het wapen, niet geheel mag worden overgelaten aan een privaatrechtelijke organisatie, zoals de KNSA. Omdat het hier een wezenlijk onderdeel betreft van het wapenverlof, dat een uitzondering vormt op de hoofdregel dat het verboden is een wapen voorhanden te hebben, dient een dergelijke bepaling een uitdrukkelijke basis in de formele wet te vinden.

De rechtbank volgt niet de opvatting van eiser dat eerdergenoemde jurisprudentie grondslag biedt voor een zodanige uitleg van het begrip redelijk belang dat elke schietsportdiscipline die in verenigings-/wedstrijdverband serieus zou worden beoefend reeds een redelijk belang oplevert. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat een dergelijke interpretatie zou leiden tot wildgroei in de schietsport. Dit verdraagt zich niet met het restrictieve beleid op het gebied van wapenwetgeving dat is ingegeven door de grote gevaarzetting van vuurwapens en zou een groot handhavingsprobleem voor de politie betekenen.

Lever Action Geweer

4.3.2

Niet in geschil is dat de schietsportdiscipline Lever Action Geweer niet als een door verweerder erkende schietsportdiscipline is opgenomen in bijlage C8. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nu geen sprake is van een beoefening van een door verweerder in bijlage C8 aangewezen schietsportdiscipline er geen redelijk belang voor het voorhanden hebben van het wapen kan worden aangenomen.

Dat de Winchester Lever Action Shooters Society Holland inmiddels een verzoek om toelating/erkenning van de discipline Lever Action Geweer bij de minister heeft ingediend, waarop nog niet is beslist, maakt dit niet anders.

Verweerder heeft terecht gesteld niet gebonden te zijn aan de uitvoeringspraktijk van andere landen waar gekozen is voor een andere invulling van de nationale wapenwetgeving.

5.1

Eiseres betoogt dat verweerder van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan door voor de motivering van zijn beslissing te verwijzen naar bijlage C8 -waarin de Lever Action Competitie niet is opgenomen- van de Cwm 2019 die ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld en pas op 1 februari 2020 in werking is getreden. Verweerder had uit moeten gaan van de Cwm 2018 en de vaste jurisprudentie op grond waarvan de beoordeling van het redelijk belang niet mag worden beperkt tot toetsing van de bestaande KNSA-disciplines.

5.2

Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat het beleid zoals vastgelegd in de Cwm 2019 ten tijde van het bestreden besluit weliswaar nog niet in werking was getreden maar wel als vaste gedragslijn werd gehanteerd. Vooruitlopend op dit nieuwe beleid is een voldoende gemotiveerde beslissing genomen.

5.3

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14201), dat zolang het nieuwe beleid nog niet in werking is getreden verweerder niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar dit beleid maar de redenen voor toepassing daarvan in het besluit zelf moet motiveren. In het bestreden besluit

en in de verweerschriften van 12 februari 2020 en 22 oktober 2020 is voldoende uiteengezet en gemotiveerd om welke redenen in het onderhavige geval een redelijk belang niet kan worden aangenomen. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder heeft gewezen op de noodzaak van strenge regulering van het wapenbezit, gelet op de grote gevaarzetting daarvan. Voor een veilige en gecontroleerde beoefening van de schietsport is het noodzakelijk dat, naast het hebben van een redelijk belang en het niet aanwezig zijn van vrees voor misbruik, de wapens waarmee en de schietbaan of het schietterrein waarop geschoten wordt, geschikt moeten zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Om dit te bereiken zijn onder andere schietsportdisciplines vastgesteld.

Klein Kaliber Geweer

6.1

Eiser betoogt in zijn aanvullende beroepschrift van 19 april 2020 dat de discipline Klein Kaliber Geweer ten tijde van de aanvraagdatum van 1 maart 2018 viel onder de betreffende KNSA-discipline en daadwerkelijk werd beoefend binnen de Schietvereniging Juliana. Eiser meent, onder verwijzing naar de interne werkinstructie van de korpschef dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het verlof aan hem zou worden verleend. Weliswaar is in mei 2018 het Schiet- en Wedstrijdreglement Wapengroep III ‘Klein Kaliber Geweer’ gewijzigd waarbij de kaliberaanduiding is aangepast van .22 naar .22LR zodat het aangevraagde wapen niet langer onder die discipline valt, maar ook na die wijziging zijn nog diverse verloven verleend voor identieke wapens onder de genoemde discipline. Er is dan ook niet eenduidig beslist.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aangevraagde wapen onder geen enkele aangewezen discipline valt. Het subsidiaire standpunt is, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, dat magnummunitie volgens de ISSF Rifle Rules en het Schiet- en Wedstrijdreglement van de KNSA is uitgesloten. Verweerder erkent dat de korpschef verloven voor soortgelijke vuurwapens als die van eiser ten behoeve van de schietsport heeft verleend. Voor zover deze verloven zijn verleend op basis van een vergelijkbare situatie als die van eiser zullen deze worden ingetrokken. Nieuwe, soortgelijke, aanvragen zullen worden afgewezen. Daarbij wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de verlofhouders die nu nog onder de Overgangsregeling Gebruiksgeweer vallen.

6.3

De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde wapen niet past binnen een in de bijlage C8 van de Cwm 2019 aangewezen discipline en dat het verbod op het gebruik van magnum munitie zich overigens verzet tegen bijschrijving van het wapen op eisers wapenverlof. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, nu niet duidelijk is op basis waarvan de eerder wel verstrekte verloven zijn verleend. Voor zover eiser zich baseert op een interne werkinstructie van de politie kan hij daaraan geen rechten ontlenen en hoefde verweerder hiermee bij de beoordeling geen rekening te houden. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat een onderzoek zal worden ingesteld en dat dit mogelijk tot intrekking van ten onrechte verleende verloven zal leiden. Dat de door eiser geschetste gang van zaken tot misverstanden kan leiden bij aanvragers acht de rechtbank voorstelbaar, en overigens onwenselijk.

7.1

Eiser betoogt voorts dat uit het stelsel van verlofverlening blijkt dat het in feite nog steeds de KNSA is die, in weerwil van de genoemde uitspraak van de Afdeling, bepaalt voor welke wapens/kalibers wel of niet verlof wordt verleend. Als een schietvereniging een verlofaanvraag ondertekent voor een andere dan een KNSA-discipline (zoals bijvoorbeeld voor de discipline ‘Lever Action Geweer’) dan kan de KNSA de certificering van de schietvereniging intrekken.

7.2

De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. Uit het nieuwe beleid blijkt duidelijk dat de verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van de disciplines niet langer bij de KNSA maar bij verweerder berust.

8.1

Eiser verzoekt de rechtbank, ondanks het feit dat hij de aanvraag voor die discipline heeft ingetrokken, in te gaan op de vraag of het aangevraagde wapen valt onder de discipline ‘Historische Wapens Pope’.

8.2

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de aanvraag voor de discipline Pope is ingetrokken. Gelet hierop valt de beoordeling of het aangevraagde wapen onder deze discipline valt, buiten de omvang van het geding.

9.1

In de brieven van 4 en 28 januari 2021 stelt eiser onder meer dat als gevolg van de wijziging van het Schiet- en Wedstrijdreglement op 20 mei 2018 zijn wapen automatisch van een Klein Kaliber Geweer een Groot Kaliber Geweer is geworden, zodat het, gelet op het historisch karakter van het wapen met een militaire achtergrond, alsnog onder de discipline GK Militair Geweer is komen te vallen zoals opgenomen in bijlage C8. Eiser stelt dat hij alsnog een aanvraag voor die discipline gaat indienen en verzoekt de rechtbank de uitkomst van deze verlofaanvraag in de onderhavige procedure te betrekken.

9.2

De rechtbank overweegt dat nu er geen besluit voorligt dat betrekking heeft op deze discipline, het verzoek van eiser reeds daarom moet worden afgewezen.

10 De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek een brief van eiser d.d. 5 april 2021 ontvangen. Hierbij zijn een aantal stukken overgelegd die door verweerder in het kader van een verzoek gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur, openbaar zijn gemaakt. Gelet op deze stukken is verzocht om heropening van het onderzoek. In artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 is bepaald dat na sluiting van het onderzoek ter zitting ingediende stukken buiten beschouwing blijven, tenzij deze aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en laat deze dan ook verder buiten beschouwing.

11 Gelet op het voorgaande kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het redelijk belang, zoals bedoeld in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm van eiser bij het verlof voor het aangevraagde wapen ontbreekt. Verweerder heeft het verzoek om bijschrijving terecht geweigerd.

12 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Hetgeen meer of anders is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.