Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure. Wet op de rechtsbijstand,toevoeging, advocaat staat niet ingeschreven op het vereiste rechtsgebied

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4623

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2020 heeft verweerder een aanvraag voor een toevoeging aan eiser afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 7 april 2021 via een Skypeverbinding. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over ?

1. Eiser is gescheiden. Hij beschikt over een vonnis waarin een omgangsregeling met zijn dochter is vastgesteld. Omdat zijn ex-vrouw de regeling niet nakomt, zijn dwangsommen vastgesteld. Eiser wil deze dwangsommen executeren. Hiervoor heeft hij een advocaat ingeschakeld. De advocaat heeft vervolgens een toevoeging aangevraagd.

2 Verweerder vindt dat eiser niet in aanmerking komt voor een toevoeging. De advocaat van eiser staat op het vereiste rechtsgebied namelijk niet ingeschreven bij de Raad voor rechtsbijstand (Raad).

Wat vinden partijen in beroep ?

3 Volgens eiser handelt verweerder in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door hem het recht op toegang tot de rechter te ontzeggen. Eiser verwijst voor dit standpunt naar literatuur en arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Tijdens de zitting heeft eiser gezegd dat verweerder van een verkeerde zaakscode is uitgegaan. De procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd, gaat namelijk alleen over het executeren van dwangsommen en heeft niets te maken met het personen- en familierecht.

4 Verweerder heeft op het beroep gereageerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank ?

5 Op grond van artikel 1 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) wordt onder rechtsbijstand verstaan: ‘de rechtskundige bijstand ten behoeve van het rechtsbelang van de rechtzoekende’. Ook volgens de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter moet bij toepassing van de Wrb niet van de rechtsvraag worden uitgegaan, maar van het rechtsbelang waarop de aanvraag om toevoeging betrekking heeft.1 Dit betekent dat ook naar de oorsprong van het geschil moet worden gekeken. Het gaat in deze zaak weliswaar om een executiegeschil, maar dit geschil hangt nauw samen met de omgangsregeling. De executie van de dwangsommen vloeit immers direct voort uit - en ligt in het verlengde van - de procedure over de omgangsregeling. De beroepsgrond van eiser dat het alleen om een executiegeschil gaat, slaagt dus niet.

6 Voor zaken over een omgangsregeling geldt dat een advocaat met de specialisatie personen- en familierecht bij de Raad moet zijn ingeschreven. Als de advocaat niet als zodanig is ingeschreven, wordt de aanvraag afgewezen. De inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. Verweerder is daaraan gehouden. Niet in geschil is dat de advocaat op wiens naam de toevoeging is aangevraagd, niet bij de Raad is ingeschreven met de vereiste specialisatie. De toevoeging is dan ook terecht geweigerd.

7 De beroepsgrond dat de afwijzing van de toevoeging in strijd is met artikel 6 van het EVRM slaagt niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, kan eiser gebruikmaken van andere advocaten die wel staan ingeschreven met de specialisatie Personen- en Familierecht. Het recht van eiser op toegang tot de rechter is dus niet in de kern aangetast. De literatuur en de arresten waar eiser naar heeft verwezen, kunnen hem niet baten. Die gaan immers over griffierecht en daar is eiser in deze toevoegingsprocedure van vrijgesteld.

8 De rechtbank gaat voorbij aan de opmerking van eiser ter zitting dat hij vorig jaar een identieke zaak bij de Hoge Raad gewonnen heeft waarvoor wel een toevoeging was afgegeven. Eiser heeft hierover zelf verklaard dat die zaak een kwestie betrof met een pleegzorginstelling. Van een vergelijkbaar geval is dus geen sprake.

Conclusies

9 Het beroep is ongegrond. Nu de besluiten van verweerder rechtmatig zijn, gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van eiser op de zitting om een redelijk uurtarief voor verletkosten vast te stellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Dit is de uitspraak van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak ?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3815.