Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
SGR 19/4599 en SGR 20/361
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft verweerder besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen, inhoudende onder meer het slopen van de bebouwing op het perceel voor zover nodig om direct instortingsgevaar weg te nemen. Voorts heeft verweerder bij besluit van 10 december 2019 de kosten van het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 541.585,81 op eiseres verhaald.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om de STAB als deskundige te benoemen. De STAB kwam – anders dan de adviseurs van verweerder – tot de conclusie dat er op 24 oktober 2018 geen direct gevaar bestond dat het gebouw zou instorten en dat er op die datum ook geen direct gevaar voor de omgeving van het gebouw was. De waarnemingen op 17 en 18 oktober 2018 gaven weliswaar aanleiding tot zorg over de draagconstructie, maar deze zorg had volgens de STAB eerst met een gedegen onderzoek bevestigd of weggenomen moeten worden. Volgens de STAB kunnen visuele waarnemingen uitsluitend tot de conclusie leiden dat sprake is van een slechte bouwkundige staat van het gebouw, maar gaat het te ver om op grond van deze waarnemingen in combinatie met de conclusies uit eerdere visuele inspecties te constateren dat sprake is van een acuut instortingsgevaar en een gevaar voor de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van de STAB voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en bevat het geen zodanige gebreken dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Met betrekking tot de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten acht de rechtbank van belang dat hieruit, met uitzondering van het rapport van 6 oktober 2020, niet volgt dat op 24 oktober 2018 sprake was van acuut instortingsgevaar. Uit deze rapporten volgt dat er vanwege de achteruitgang van de constructieve staat van de kerk grote zorgen waren over de stabiliteit en de draagkracht van de constructie en de veiligheid van omwonenden, onderscheidenlijk dat instortingsgevaar niet was uit te sluiten. Zorgen of twijfels over de constructieve staat van een gebouw of het niet kunnen uitsluiten van instortingsgevaar kunnen echter niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de conclusie dat sprake is van direct instortingsgevaar. Aan de conclusies in het rapport van 6 oktober 2020 kent de rechtbank geen doorslaggevende waarde toe. Deze rapportage is in essentie een bevestiging van de eerdere bevindingen, die in hoofdzaak waren gebaseerd op enkele lintvoegwaterpassingen en visuele waarnemingen. De STAB heeft in haar advies voldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze bevindingen niet gevolgd kunnen worden. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het rapport van de STAB aan haar oordeelsvorming ten grondslag zal leggen. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat op 24 oktober 2018 geen sprake was van acuut instortingsgevaar van de Turfmarktkerk, zodat voor verweerder geen aanleiding bestond om spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij begrip heeft voor het feit dat verweerder, meende dat ingrijpen nodig was, omdat de rapporten van 17 en 22 oktober 2018 de indruk wekten dat sprake was van een gevaarlijke situatie die om onmiddellijk ingrijpen vroeg. Verder is het de rechtbank duidelijk dat de bouwkundige staat van de kerk al langere tijd onderwerp van zorg van verweerder was, ook omdat vaststaat dat het instorten van de kerk zeer ingrijpende gevolgen had kunnen hebben voor de nabijgelegen woningen. De rechtbank kan er echter niet aan voorbijzien dat door de STAB achteraf is geconcludeerd dat de rapportages waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming niet kunnen worden onderschreven. Het besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, dat op deze rapportages is gebaseerd, kan daarom niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor de kostenverhaalsbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0116
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 19/4599 en SGR 20/361


uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. R.R. Beuker en mr. S.P. Dalmolen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: mr. T.N. Sanders).

Procesverloop

Inzake SGR 19/4599

Bij besluit van 24 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de Turfmarktkerk, gelegen aan de Turfmarkt 60 te Gouda, inhoudende onder meer het slopen van de bebouwing op het perceel voor zover nodig om direct instortingsgevaar weg te nemen.

Bij besluit van 3 juni 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 17 april 2020 een verweerschrift en op 23 februari 2021 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Inzake SGR 20/361

Bij besluit van 10 december 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder de kosten van het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 541.585,81 op eiseres verhaald.

Bij brief van 11 maart 2020 heeft eiseres haar zienswijze gegeven op bestreden besluit II en kenbaar gemaakt dat zij dit besluit betwist.

Verweerder heeft op 17 april 2020 een verweerschrift en op 23 februari 2021 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Inzake SGR 19/4599 en SGR 20/361

Op 11 juni 2020 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) als deskundige benoemd. De STAB heeft op
23 november 2020 een deskundigenbericht uitgebracht. Eiseres heeft op 3 februari 2021 op het STAB-rapport gereageerd. Op 4 februari 2021 heeft verweerder zijn reactie op het STAB-rapport ingediend.

Op 15 maart 2021 heeft verweerder een rapportage van prof. ir. S.N.M. Wijte van Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V. ingediend.

Op 26 maart 2021 heeft eiseres een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , bijgestaan door de gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door ing. B.A.L. van der Leij van Geelhoed Engineering B.V. als deskundige. Daarnaast waren namens verweerder [B] van de gemeente Gouda en mr. [C] van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) aanwezig.

Overwegingen

Feiten en achtergrond

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres heeft op 20 maart 2017 de Turfmarktkerk, gelegen aan de Turfmarkt 60 te Gouda (hierna ook wel aangeduid als ‘de kerk’ of ‘het perceel’), in eigendom verkregen. Eiseres heeft het perceel aangekocht met het voornemen om dit te herontwikkelen. Bij besluit van 8 september 2017 heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning voor het slopen van de kerk verleend.

1.2.

In opdracht van verweerder heeft Geelhoed Engineering B.V. (Geelhoed) op

13 oktober 2017 een rapportage uitgebracht. Daarin wordt naar aanleiding van een door twee toezichthouders van de ODMH en ing. B.A.L. van der Leij (Van der Leij) van Geelhoed op 27 september 2017 verrichte inspectie geconstateerd dat de kerk in slechte staat verkeert. Er is een hoekspant dat door lekwater enorm is aangetast en daardoor in een zeer kritische staat verkeert. Verder wordt een enorme scheur in de metselwerktoog tegenover de hoofdingang waargenomen, in combinatie met scheefstand van de achtergevel. Uit de rapportage blijkt verder van metselwerkpenantjes in de gevels die ondersteund worden door houten blokjes en een fundering die blootligt en in slechte staat verkeert. De fundering is volgens de rapportage mede verantwoordelijk voor verzakkingen en scheurvorming in de bovenbouw, maar zal niet binnen enkele jaren voor het bezwijken van constructieonderdelen zorgen. Geelhoed concludeert dat de kerk weliswaar in slechte staat verkeert, maar dat er geen direct gevaar van instorting is. Er kan volgens Geelhoed gerust een periode van twee jaar worden genomen om een goede procedure richting sloop van de kerk te voeren. Wel wordt geadviseerd om de constructie – met name de scheur in de toog – iedere drie maanden visueel te beoordelen. In geval van twijfel of van verslechtering dient een herinspectie plaats te vinden.

1.3.

Op 16 mei 2018 heeft een herinspectie plaatsvonden door inspecteur R. van der Linde (Van der Linde) van de ODMH en op 30 mei 2018 door Van der Linde van de ODMH en Van der Leij van Geelhoed. Op basis van de herinspectie van 30 mei 2018 concludeert Geelhoed in een rapportage van 11 juni 2018 dat de kerk in zeer slechte staat verkeert. De eerder geconstateerde gebreken zijn volgens Geelhoed gebleven of verergerd. Dit laatste geldt voor het hoekspant en de scheur in de achtergevel en mogelijk voor de scheur in de metselwerktoog. Weliswaar is er geen direct gevaar voor instorting, maar het is van belang om nu een goede procedure richting sloop van de kerk te voeren, aldus Geelhoed. Voor de sloop zullen steigers en stutten moeten worden aangebracht. Deze kunnen volgens Geelhoed echter slechts van tijdelijke aard zijn, aangezien de fundering en begane grond van de kerk in zeer slechte staat verkeren en feitelijk niet geschikt zijn om te dienen als basis voor steigers en stutten.

1.4.

Bij besluit van 25 juli 2018 heeft verweerder aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat de kerk moet worden gestut vóór 20 augustus 2018, zodat de constructie veilig is zowel voor omwonenden als met het oog op de uitvoering van de sloop. Tevens is bij dat besluit een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende het geheel slopen van de kerk (tot de fundering) vóór 30 september 2018. Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft verweerder de begunstigingstermijnen voor het stutten en slopen verlengd tot onderscheidenlijk 10 september 2018 en 1 december 2018. Verweerder heeft voorts geweigerd eiseres toestemming te geven voor een gedeeltelijke sloop van de kerk.

1.5.

In de periode van 3 augustus 2018 tot en met 10 september 2018 heeft eiseres de kerk laten stutten door het aanbrengen van trekstangen, ankerbalken op de vloer, baddingen op de gevelwanden en het plaatsen van ongeveer 10.000 m³ aan steigerwerk.

1.6.

Op 3 oktober 2018 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de getroffen maatregelen om de kerk te stutten niet toereikend zijn om de constructieve veiligheid van de kerk te waarborgen. Volgens verweerder heeft eiseres daarom niet voldaan aan de hiertoe strekkende last uit het besluit van 25 juli 2018. Verweerder heeft aangekondigd de kerk alsnog toereikend te gaan stutten en de hiermee gemoeide (voorbereidings)kosten te verhalen op eiseres.

1.7.

Op 17 en 18 oktober 2018 heeft verweerder wederom een inspectie van de kerk laten uitvoeren door twee toezichthouders van de ODMH, Van der Linde en
H. Netten (Netten), bijgestaan door een externe constructeur, ing. W. van Leeuwen, van adviesbureau Peters & Van Leeuwen B.V. (Peters & Van Leeuwen; thans Pelecon B.V.).

1.7.1.

Netten en Van der Linde hebben hun bevindingen vastgelegd in een handhavingsrapport van 17 oktober 2018 van de ODMH. Zij beschrijven dat de achtergevel van de kerk verder lijkt te wijken. Deze buikt uit en ligt niet meer in één lijn. Aan de buitenzijde is volgens de toezichthouders een lichte golvende lijn in de pannen waar te nemen. Voorts is binnen in de kerk de scheurvorming toegenomen, zodanig dat hierdoor licht naar binnen komt. Uit de ter plekke genomen foto’s blijkt volgens de toezichthouders dat het stucwerk in de hoek bij de latei is losgekomen. Tevens zijn in de overige delen van de achtergevel de scheuren toegenomen. Bovendien lijkt de toog boven verder te wijken en zijn de benen van de toog doorgescheurd. De toog in de nok is doormidden gescheurd en wijkt uiteen. De toezichthouders concluderen dat het verergeren van de scheurvorming nu op een kritisch punt begint te komen. De veranderingen van de afgelopen weken geeft volgens hen het beeld dat de achtergevel aan het werken is. Om dit te kunnen bevestigen hebben Netten en Van der Linde blijkens hun rapportage direct de hoofdaannemer namens de ODMH verzocht om metingen te laten verrichten en de resultaten hiervan voor te leggen aan ingenieursbureau Sweco Nederland (Sweco). Gezien het verslechteren van de conditie van de kerk betwijfelen Netten en Van der Linde of de kerk nog veilig te betreden is. Zij raden dan ook af de kerk te betreden totdat metingen zijn verricht en voorgelegd aan een constructeur.

1.7.2.

Peters & Van Leeuwen concludeert in de rapportage van 22 oktober 2018 dat de scheurvorming inmiddels zo ver is toegenomen dat zo snel mogelijk maatregelen moeten worden genomen. Als gevolg van de voortschrijdende verzakking van de fundering, met name bij de rechterachterzijde van de kerk, doet zich plaatselijk ernstige scheurvorming voor. De achteraanbouw scheurt volgens Peters & Van Leeuwen af van het hoofdgebouw en trekt het metselwerk mee. Ter plaatse van de toog van het hoofdgebouw is ook sprake van ernstige scheurvorming. Verder is de constructie van twee spanten op één van de hoekpunten van de kerk gevaarlijk slecht door lekkage. Omzichtig handelen en verticale ondersteuning van de twee spanten is vereist, nu plaatselijk versterken niet mogelijk wordt geacht. De conclusie is dat sprake is van gevaar voor instorting, welk gevaar alleen kan worden weggenomen door de kerk te slopen, aldus Peters & Van Leeuwen.

1.8.

Op 23 oktober 2018 heeft de burgemeester van Gouda een noodverordening uitgevaardigd, onder andere inhoudende dat de bewoners van de vijf aan de Turfmarktkerk grenzende woningen hun woningen die dag om 20.00 uur verlaten moeten hebben omdat de ernstige vrees is ontstaan dat de gevel van de Turfmarktkerk grenzend aan het Clarissenhof zal instorten.1

1.9.

Naar aanleiding van de bevindingen uit de rapportages genoemd in 1.7.1 en 1.7.2, heeft verweerder het primaire besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang genomen en het handhavingsbesluit van 25 juli 2018 ingetrokken. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de Turfmarktkerk zich inmiddels in een zodanig slechte bouwkundige staat bevindt dat sprake is van direct instortingsgevaar. Dat betekent volgens verweerder dat sprake is van een overtreding van artikel 1a van de Woningwet en van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit). Er is immers sprake van gevaar voor de gezondheid en veiligheid van mensen die de bebouwing dan wel het perceel betreden en voor mensen in de nabije omgeving van de kerk, aldus verweerder. Volgens verweerder is het niet langer verantwoord om de resterende stutwerkzaamheden in afwachting van de sloop van de bebouwing voor 1 december 2018 uit te voeren. Het is volgens verweerder niet mogelijk om het instortingsgevaar op korte termijn weg te nemen anders dan door (gedeeltelijke) sloop van de bebouwing. Verweerder kondigt in het primaire besluit aan de volgende herstelmaatregelen te treffen om het gevaar weg te nemen:

  • -

    het ontoegankelijk maken van het perceel en de daarop aanwezige bebouwing;

  • -

    het stutten van de bebouwing ter voorbereiding van de sloopwerkzaamheden;

  • -

    het slopen van de bebouwing voor zover nodig om het instortingsgevaar weg te nemen;

  • -

    het afvoeren van het vrijkomende sloopafval;

  • -

    het zodanig stutten van de (eventueel) na de sloop resterende bebouwing dat geen gevaar ontstaat.

1.9.1.

Verweerder is op 25 oktober 2018 begonnen met het (voorbereiden van het verder) stutten van de kerk.

1.10.

Met ingang van 3 november 2018 om 10.00 uur heeft de burgemeester de noodverordening ingetrokken, omdat deze niet langer noodzakelijk werd geacht. In het intrekkingsbesluit2 is toegelicht dat na het uitvoeren van stabiliserende werkzaamheden aan de Turfmarktkerk sprake was van een veilige situatie voor de omgeving van de kerk, dat de kerkgevel niet langer als instabiel werd beschouwd en dat de veiligheid van mensen, dieren en goederen niet langer in direct gevaar was.

1.11.

Op 13 november 2018 heeft verweerder een aanvang gemaakt met de sloop van de kerk.

1.12.

Op 28 november 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 29 november 2018 heeft eiseres verweerder verzocht de sloopwerkzaamheden te staken. Bij e-mail van 29 november 2018 heeft verweerder eiseres medegedeeld geen aanleiding te zien om de sloopwerkzaamheden te staken. Vervolgens heeft eiseres op 30 november 2018 een aanvullend bezwaarschrift ingediend en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 18/7866).

1.13.

Op 30 november 2018 om 14:00 uur heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen inhoudende dat het primaire besluit wordt geschorst tot na de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.14.

Op 8 december 2018 hebben toezichthouders Netten en Van der Linde van de ODMH de situatie ter plekke geïnspecteerd. Zij hebben onder meer geconstateerd dat de scheuren verder lijken te wijken en dat onderin de toog een scheur waarneembaar is waardoor licht naar binnen schijnt. De toezichthouders adviseren deze situatie te laten beoordelen door de constructeur van Geelhoed.

1.14.1.

In opdracht van verweerder heeft Van der Leij van Geelhoed op 10 december 2018 de bouwkundige toestand van de kerk nogmaals beoordeeld. In zijn rapportage van
10 december 2018 concludeert Geelhoed dat de kerk zich in een zeer slechte constructieve staat bevindt en dat niet valt uit te sluiten dat de kerk kan instorten. De reeds uitgevoerde stut- en sloopwerkzaamheden beperken dit gevaar volgens Geelhoed, maar nemen het niet weg. De stutwerkzaamheden zijn namelijk onvoldoende om de kerk in zijn huidige toestand voor langere tijd in stand te laten zonder instortingsgevaar. Een spoedige sloop is daarom noodzakelijk. Volgens Geelhoed is het slopen van de kerk tot zes meter vanaf het maaiveld een veilige hoogte. Er zijn dan geen versterkingen nodig en het instortingsgevaar zal vermoedelijk zijn geweken, aldus Geelhoed.

1.15.

In opdracht van eiseres heeft ing. S. Serbout van Ingenieursbureau SABO (SABO) de situatie ter plekke geïnspecteerd op 10 december 2018. Daarnaast heeft hij de rapportage van Peters & Van Leeuwen van 22 oktober 2018 en de rapportages van Geelhoed van 13 oktober 2017 en 11 juni 2018 bestudeerd. In een rapportage van 14 januari 2019 concludeert SABO dat het verrichten van een onderzoek naar de (mate van verslechtering van de) bestaande fundering fundamenteel is om tot een goed oordeel over de constructieve staat van de kerk te kunnen komen. Volgens SABO zijn de door Geelhoed en Peters & Van Leeuwen getrokken conclusies enkel gebaseerd op een ondeugdelijke visuele inspectie en missen zij diepgang in de status van de constructie. De (ontwikkeling van de wijdte van de) scheuren en de scheefstanden zijn volgens SABO ten onrechte niet opgemeten. Om te kunnen betogen dat een gebouw al dan niet gesloopt moet worden, worden visuele inspecties in beginsel acceptabel geacht. Gelet op de complexiteit van het vaststellen van de oorzaken en de inschatting van het veiligheidsrisico van dit soort panden is het in dit geval volgens SABO echter te kort door de bocht om op deze wijze de conclusie te trekken dat het gebouw op instorten staat. Volgens SABO is in dit geval geen gedegen onderzoek verricht zoals dit verwacht mag worden bij dit soort gebouwen. SABO ziet wat de scheurvormingen betreft veel overeenkomsten met soortgelijke gebouwen, waarbij is aangetoond dat geen sprake was van direct instortingsgevaar.

1.16.

Bij uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:15112) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder heeft de sloopwerkzaamheden vervolgens hervat.

1.17.

In een rapportage van 15 maart 2019 heeft Van der Leij van Geelhoed gereageerd op het rapport van SABO. Geelhoed concludeert dat de vaststellingen door diverse ingenieursbureaus en de inspecteurs van ODMH van de schade aan en slechte en onveilige constructieve staat van de Turfmarktkerk, tot stand zijn gekomen volgens een in de constructiewereld gebruikelijke en voldoende methodiek. In de rapportage wordt bestreden dat een louter visuele inspectie onbetrouwbaar is en wordt erop gewezen dat de aangetroffen scheuren in de kerk dusdanig groot waren dat normale beoordelingsmethodes hier niet van toepassing waren.

1.18.

Eiseres heeft bij brief van 29 maart 2019 op het rapport van Geelhoed gereageerd. Vervolgens heeft verweerder op 10 april 2019 op de reactie van eiseres gereageerd. Ten slotte heeft eiseres op 24 april 2019 op de reactie van verweerder gereageerd.

De standpunten van partijen

2. Bij bestreden besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Gelet op de bevindingen tijdens de inspecties en de verkregen informatie over de bouwkundige staat van de kerk bestond volgens verweerder op 24 oktober 2018 de redelijke verwachting dat sprake was van instortingsgevaar en daarmee van een overtreding van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet en artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Het na de inspecties verrichten van lintvoegmetingen had volgens verweerder geen aanleiding kunnen geven om tot een andere conclusie te komen. De enkele omstandigheid dat uit de op 18 oktober 2018 en 14 november 2018 verrichte lintvoegmetingen zou volgen dat op dat moment sprake was van een zeer stabiele achtergevel maakt dit volgens verweerder niet anders. Dit zegt immers weinig over de verslechtering van de staat van de kerk en de gevaarzetting voor het instorten als zodanig, aldus verweerder. De eerder al geconstateerde ernstige scheurvorming en de doormidden gescheurde toog en de zichtbare gevolgen hiervan maakten reeds duidelijk dat de toestand dermate ernstig was dat tot onmiddellijke sloop moest worden overgegaan. Volgens verweeder blijkt uit de rapportages van Sweco en van Peters & Van Leeuwen dat eiseres onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de door haar verrichte stutwerkzaamheden niet volledig dan wel van onvoldoende kwaliteit waren. Gelet op de alarmerende staat van de kerk ten tijde van het primaire besluit en de hierdoor aanwezige gevaarzetting en de omstandigheid dat de eerder genomen maatregelen niet toereikend bleken, kon volgens verweerder worden besloten tot het nemen van de in het primaire besluit genoemde herstelmaatregelen. Naar de mening van verweerder kon in redelijkheid niet van hem gevergd worden dat alleen stutwerkzaamheden zouden worden verricht, zodat eiseres de sloop zelf kon uitvoeren. Verweerder had geen vertrouwen meer in eiseres, omdat eiseres in de periode voorafgaand aan het primaire besluit niet voortvarend genoeg had gehandeld. Volgens verweerder is eiseres voldoende tijd geboden om de stutwerkzaamheden naar behoren uit te voeren, maar heeft dit niet geleid tot het gewenste resultaat. Gelet op deze omstandigheden stelt verweerder zich op het standpunt dat hij er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om direct vervolgstappen te nemen om het instortingsgevaar definitief te beëindigen en niet te volstaan met minder vertrekkende maatregelen.

3. In beroep heeft eiseres tegen bestreden besluit I – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres betoogt in de eerste plaats dat geen sprake was van een overtreding. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat zij haar zorgplicht heeft veronachtzaamd en dat op 24 oktober 2018 sprake was van acuut instortingsgevaar. Eiseres bestrijdt in dit verband de deugdelijkheid van de rapportages waarop verweerder zich in zijn besluitvorming heeft gebaseerd en stelt dat verweerder ten onrechte informatie over de ontwikkeling van de bouwkundige staat van de kerk, de genomen verstevigingsmaatregelen en de effecten daarvan buiten beschouwing heeft gelaten.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Voor zover al sprake zou zijn van instortingsgevaar, dan is dat volgens eiseres ontstaan nadat verweerder op 27 september 2018 bij wijze van bestuursdwang stutwerkzaamheden in de kerk is gaan uitvoeren. Vanaf dat moment rustte de zorgplicht met betrekking tot de constructieve veiligheid van de kerk op verweerder, aldus eiseres. Als het instortingsgevaar in die periode is ontstaan, dan dient dit volgens eiseres aan verweerder te worden toegerekend.

Eiseres bestrijdt voorts dat sprake was van een spoedeisende situatie. In dit verband wijst eiseres erop dat verweerder al op 17 oktober 2018 is geïnformeerd over de bouwkundige staat van de kerk, zonder dat dit tot onmiddellijk optreden heeft geleid. Bovendien bevreemdt het eiseres dat de omwonenden van de kerk na het intrekken van de noodverordening al weer naar hun woningen konden terugkeren, terwijl op dat moment slechts zeer beperkte werkzaamheden aan de kerk waren uitgevoerd. Volgens eiseres duidt dit erop dat de situatie niet dermate spoedeisend was dat haar geen begunstigingstermijn gegund kon worden.

Ten slotte voert eiseres aan dat de door verweerder getroffen maatregelen disproportioneel zijn. Het is onduidelijk welke stutwerkzaamheden door verweerder zijn verricht, maar het was volgens eiseres in ieder geval onnodig om de kerk geheel te slopen. Ook in dit verband wijst eiseres erop dat de omwonenden van de kerk al op 3 november 2018 naar hun woningen mochten terugkeren, terwijl er op dat moment volgens eiseres nog geen aanvullende stut- en sloopwerkzaamheden waren uitgevoerd. Kennelijk kon verweerder met enkele minieme ingrepen de veiligheid van de omgeving garanderen, aldus eiseres.

3.1.

Bij brief van 11 maart 2021 heeft eiseres gemotiveerd kenbaar gemaakt dat zij bestreden besluit II betwist.

4. In zijn verweerschrift en ter zitting heeft verweerder er onder meer op gewezen dat voor het aannemen van een overtreding van artikel 1a van de Woningwet niet noodzakelijk is dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een gevaar voor de gezondheid of veiligheid. Het gaat er volgens verweerder om of er ten tijde van het primaire besluit dusdanige twijfel bestond en mocht bestaan over de staat van de kerk dat onmiddellijk ingrijpen gerechtvaardigd was. In dit geval bestonden volgens verweerder op 24 oktober 2018 redelijke twijfels over de constructieve staat van de Turfmarktkerk. Op basis van de handhavingsrapportage van 17 oktober 2018 en de rapportage van Peters & Van Leeuwen van 22 oktober 2018 mocht dan ook worden aangenomen dat sprake was van een overtreding van artikel 1a van de Woningwet en mocht worden besloten tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, aldus verweerder. Volgens verweerder komt een beslissing over het toepassen van spoedeisende bestuursdwang per definitie onder hoge druk tot stand. Het is een besluit dat in het heetst van de strijd wordt genomen, waarbij het bestuursorgaan snel moet handelen. Dat is zeker het geval wanneer sprake is van een potentieel levensbedreigende situatie zoals in deze zaak het geval was. Om die reden moet volgens verweerder een grote mate van terughoudendheid worden betracht bij het ‘met de kennis van nu’ beoordelen van besluiten over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Verweerder bepleit daarom dat het primaire besluit moet worden beoordeeld aan de hand van de kennis en informatie waarover verweerder destijds beschikte. Dat betekent volgens verweerder dat de rechtmatigheid van het primaire besluit niet wordt aangetast door informatie die achteraf is verkregen.

Op basis van de omstandigheden van het geval en de op dat moment beschikbare informatie was het volgens verweerder niet reëel om van hem te verwachten dat eerst uitgebreid onderzoek werd verricht naar de bouwkundige staat van de kerk alvorens tot ingrijpen te besluiten. Gelet op de grote potentiële gevolgen van het instorten van de Turfmarktkerk, de (verwachte) stormachtige weersomstandigheden en het gebrek aan vertrouwen in eiseres, was de keuze om niet te volstaan met het stutten van de kerk maar de kerk ook tot veilige hoogte te slopen, goed te rechtvaardigen, aldus verweerder. De steiger- en stutwerken waren volgens verweerder slechts tijdelijke constructies, bedoeld om de sloopwerkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, maar niet geschikt om het instortingsgevaar blijvend weg te nemen.

Ten slotte meent verweerder dat ook de beoordeling van de gemaakte kosten met grote terughoudendheid moet plaatsvinden. Er moet volgens verweerder rekening gehouden worden met de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheden dat de kosten onder tijdsdruk, met grote haast, met grote belangen in het spel en op basis van de kennis van toen zijn gemaakt.

Het advies van de STAB

5. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de STAB als deskundige te benoemen voor het uitbrengen van advies. Zij heeft de STAB in de eerste plaats de vraag voorgelegd of zij, op basis van de informatie in de dossiers, de conclusies in het handhavingsrapport van de ODMH van 17 oktober 2018 en in het rapport van Peters & Van Leeuwen van 22 oktober 2018 onderschrijft.

5.1.

Op 23 november 2020 heeft de STAB advies uitgebracht. Blijkens het verslag is het onderzoek verricht door drs. B.T. Koopmans, ir. R. Schuur, ing. R. de Vogel van de STAB en heeft de STAB daarnaast ir. J.W.M. Bovend’Eerdt, ir. J. Galjaard en ing. M.J.C. van de Leur van ABT B.V. (ABT) ingeschakeld om, onder de verantwoordelijkheid en begeleiding van de STAB, mee te werken aan het onderzoek. De STAB heeft eerst per e-mail vragen gesteld aan en stukken opgevraagd bij partijen. Daarna hebben adviseurs Bovend’Eerdt, Galjaard, Van de Leur, Koopmans en De Vogel door middel van videobellen gesprekken gevoerd met partijen op 31 juli 2020. Na deze gesprekken zijn desgevraagd aanvullende stukken verstrekt door verweerder. Op 12 september 2020 heeft STAB-adviseur Schuur een locatieonderzoek verricht, waarbij foto’s van de huidige situatie zijn gemaakt. Vervolgens heeft de STAB het conceptadvies op 25 september 2020 aan partijen voorgelegd. Beide partijen hebben op 2 november 2020 schriftelijk op dit conceptadvies gereageerd.

5.2.

In haar advies komt de STAB tot de conclusie dat er op 24 oktober 2018 geen direct gevaar bestond dat het kerkgebouw zou instorten en dat er op die datum ook geen direct gevaar voor de omgeving van het gebouw was.

De waarnemingen op 17 en 18 oktober 2018 gaven weliswaar aanleiding tot zorg over de draagconstructie, maar deze zorg had volgens de STAB eerst met een gedegen onderzoek bevestigd of weggenomen moeten worden. De verrichte visuele waarnemingen en lintvoeg-waterpassingen, waar het handhavingsrapport van de ODMH van 17 oktober 2018 en het rapport van Peters & Van Leeuwen van 22 oktober 2018 in hoofdzaak op gebaseerd zijn, geven de STAB onvoldoende aanleiding om te stellen dat tot onmiddellijke sloop van het kerkgebouw overgegaan moest worden. Met betrekking tot de uitgevoerde lintvoetwaterpassingen merkt de STAB op dat deze, vanwege de meetonnauwkeurigheid, niet geschikt zijn om actuele zakkingssnelheden van een bouwwerk vast te stellen. Daarbij overweegt de STAB dat voor het inzichtelijk maken van de zetting van een gebouw of de toename van scheurvorming, eerst een nulmeting moet worden verricht. Daarna moeten met enige regelmaat in de tijd herhalingsmetingen van dezelfde punten worden uitgevoerd. De STAB stelt vast dat niet is gebleken dat dit in deze kwestie is gedaan. De STAB kent aan de uitgevoerde lintvoegwaterpassingen uitsluitend een signalerende rol toe. Op grond van deze lintvoegwaterpassingen concludeert de STAB dat deze – gesteld dat zij hiervoor al gebruikt zouden mogen worden – geen aanwijzing geven dat sprake was van een snelle verslechtering van de bouwkundige staat van de kerk. Bovendien had, in aanvulling op de beoordeling van de fundering van de kerk, volgens de STAB een analyse gemaakt moeten worden van de stabiliteit van de bovenbouw. In het dossier heeft de STAB geen aanwijzingen aangetroffen dat een dergelijke beschouwing is gemaakt.

Ten aanzien van de geconstateerde zettingsverschillen in de langsrichting van de gevel stelt de STAB vast dat deze tot scheurvorming in het metselwerk hebben geleid, maar geen invloed hebben gehad op de stabiliteit van (de gevels) van het gebouw. Deze zettingen zouden daarom niet zonder meer tot instorting van het gebouw hebben geleid.

Over de vastgestelde scheefstand van de gevels merkt de STAB op dat de gemeten scheefstanden geen enkele invloed hadden op de stabiliteit van de kerk en geen gevaar voor de constructie vormden.

Met betrekking tot de geconstateerde scheurvorming stelt de STAB voorop dat verticale scheuren geen invloed hebben op de stabiliteit en dus niet tot instortingsgevaar leiden. De aangetroffen horizontale scheuren in de achtergevel rechtvaardigen die conclusie volgens de STAB evenmin. De scheurwijdte lijkt op het beschikbare fotomateriaal beperkt en omdat de achtergevel door de achterbouw van het orgel en door de aansluiting met het dakvlak werd gesteund, leidde de uitbuiking van de achtergevel niet tot acuut gevaar van instorting.

Over de scheurvorming in de toog overweegt de STAB dat op de foto’s in het dossier niet zichtbaar is tot welke hoogte de scheur doorloopt en dat de enige foto’s die een redelijk beeld geven van de scheurvorming (van 30 mei 2018) een toestand laten zien die weinig is veranderd ten opzichte van de situatie acht maanden eerder. Volgens de STAB is bovendien van belang dat de foto’s binnen in de kerk zijn genomen, zodat hierop niet zichtbaar is dat de toog in de kopgevel boven het houten binnenplafond nog circa vier meter hoger doorstak. De STAB is van mening dat ondanks de scheurvorming nog altijd evenwicht bestond tussen de twee helften van de gevel en dat er geen sprake van was dat de scheur in de toog tot instorting zou leiden.

De doorgerotte oplegging van het spantbeen had volgens de STAB uiteindelijk wel tot instorting van de kerk kunnen leiden. Als in de loop der tijd meerdere spantbenen op deze wijze zouden worden aangetast, zou dit tot het bezwijken van de kap leiden. Dat was nu echter nog niet het geval. De STAB acht het aannemelijk dat de draagwerking van de totale kap van de kerk inmiddels op een andere manier plaatsvond en dat de kap dus niet op basis van één falend spantbeen zou zijn bezweken.

Volgens de STAB kunnen visuele waarnemingen uitsluitend tot de conclusie leiden dat sprake is van een slechte bouwkundige staat van de kerk, maar gaat het te ver om op grond van deze waarnemingen in combinatie met de conclusies uit eerdere visuele inspecties te constateren dat sprake is van een acuut instortingsgevaar en een gevaar voor de omgeving. De STAB onderschrijft de conclusies in de rapporten van 17 en 22 oktober niet.

De reacties op het advies van de STAB

6. Eiseres sluit zich aan bij deze conclusie van de STAB. Volgens eiseres is met het onderzoek van de STAB genoegzaam komen vast te staan dat er geen sprake was van enig instortingsgevaar.

7. In zijn reactie van 4 februari 2021 stelt verweerder zich samengevat op het standpunt dat de rechtbank niet mag uitgaan van het STAB-advies, omdat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en ernstige gebreken bevat. Volgens verweerder heeft de STAB de methodologie, uitgangspunten en toetsingscriteria voor het onderzoek onvoldoende toegelicht en is de terminologie onzorgvuldig. De STAB heeft bijvoorbeeld niet toegelicht wat zij onder instortingsgevaar verstaat en wanneer hier sprake van zou zijn, terwijl dat een cruciaal punt in het onderzoek is. Daarnaast kan de STAB op basis van de beschikbare feiten niet concluderen dat er geen sprake was van (acuut) instortingsgevaar, aldus verweerder. Dit standpunt baseert de STAB op de mening van één deskundige, ABT, terwijl vier andere, door verweerder ingeschakelde, deskundigen, Pelecon B.V. (Pelecon; voorheen Peters & Van Leeuwen B.V.), Geelhoed, Aveco de Bondt B.V. en Witteveen+Bos N.V , rapporteren dat er wel instortingsgevaar was of dat instortingsgevaar niet kon worden uitgesloten. Verder is het verweerder niet duidelijk of de STAB concludeert dat (1) de kerk in absolute zin nooit had kunnen instorten, (2) de kerk wel kon instorten maar niet op korte termijn, (3) de STAB niet kan vaststellen of de kerk zou zijn ingestort maar dat het niet aannemelijk is dat dit op korte termijn zou gebeuren of (4) dat de STAB niet kan vaststellen of de kerk zou zijn ingestort, omdat er geen nader onderzoek is verricht. De formuleringen van de STAB zijn volgens verweerder tegenstrijdig op dit punt. Verweerder is het er voorts niet mee eens dat, ondanks het feit dat de visuele waarnemingen volgens de STAB aanleiding tot zorg over de draagconstructie gaven, het gebrek aan metingen en berekeningen ten nadele van verweerder wordt uitgelegd. Verweerder stelt dat het ontbreken van dergelijke informatie juist ten nadele van eiseres uitgelegd zou moeten worden, omdat de zorgplicht die op eiseres rust meebrengt dat zij bij twijfel zekerheid moet kunnen geven over de constructieve veiligheid van haar gebouw. Nu niet kon worden uitgesloten dat dat de kerk op instorten stond, was per definitie sprake van instortingsgevaar, aldus verweerder.

7.1.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder een advies van prof. ir. S.N.M. Wijte van Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V. (Hageman) van 15 maart 2021 ingediend. Volgens Hageman is op basis van de beschikbare stukken evident dat de constructie niet voldeed aan de eisen van het Bouwbesluit (NEN 8700) en was duidelijk dat eiseres niet voornemens was om de constructie aan deze eisen te laten voldoen. Er was volgens Hageman in dit geval, gelet op de reeds langer voorgenomen sloop van de kerk, geen enkele noodzaak om een uitgebreid monitoring systeem op te zetten of alsnog berekeningen uit te voeren om aan te tonen dat de constructie niet voldeed aan NEN 8700. De stellingen van SABO en de STAB dat een achteruitgang uitsluitend kan worden vastgesteld op basis van uitgevoerde metingen doet volgens Hageman onvoldoende recht aan de deskundigheid van de betrokkenen en houdt ook geen rekening met de situatie. Volgens Hageman hebben Sabo en de STAB bij de door hen uitgevoerde analyse verder onevenredig veel gekeken naar de fundering, waarbij het uitgevoerde herstel de dreiging voor de constructieve veiligheid voor een groot deel had weggenomen, en is te weinig aandacht besteed aan de constructieve staat van de metselwerkwanden en de houten dakconstructie. Volgens Hageman heeft verweerder terecht geconcludeerd dat op 24 oktober 2018 een reëel instortingsgevaar bestond.

8. Op 26 maart 2021 heeft eiseres gereageerd op verweerders reactie op het STAB-rapport van 4 februari 2021, het aanvullende verweerschrift van 23 februari 2021 en de contra-expertise van Hageman van 15 maart 2021. Samengevat weergegeven handhaaft eiseres haar eerder ingenomen standpunten dat er op 24 oktober 2018 geen sprake was van acuut instortingsgevaar en dat verweerder in redelijkheid ook niet mocht aannemen dat hiervan sprake was op basis van een enkele, zonder daglicht uitgevoerde, visuele waarneming van een commerciële partij. Volgens eiseres was er dan ook geen enkele reden en rechtsgrond voor verweerder om rigoureus over te gaan tot de sloop van de kerk. Een paar dagen later werd immers al vastgesteld dat de constructie na enkele aanpassingen voorlopig voldoende stabiel was. Er was dan ook geen sprake van een spoedeisend geval. De door verweerder ingediende stukken leiden niet tot een andere conclusie, aldus eiseres.

Het oordeel van de rechtbank

9. Voor de wet- en regelgeving die op deze zaak van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

10. Beoordeeld moet worden of in dit geval sprake was van een situatie waarin verweerder handhavend kon optreden door het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. In dit verband wordt overwogen dat voor het aannemen van een schending van artikel 1a van de Woningwet niet noodzakelijk is dat wordt aangetoond dat zich een gevaarlijke of onveilige situatie voordoet. Voldoende is dat redelijkerwijs te verwachten is dat de staat van een bouwwerk gevaar voor de gezondheid of de veiligheid oplevert.3 Of verweerder deze redelijke verwachting mocht hebben, dient te worden beoordeeld aan de hand van de bij verweerder ten tijde van het primaire besluit aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens.4

11. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit dit beoordelingskader volgt dat slechts beperkt gewicht kan worden toegekend aan ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden na het primaire besluit en aan gegevens die na het nemen van dat besluit bekend zijn geworden. Het beoordelingskader sluit naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit dat betekenis toekomt aan informatie die dateert van na het primaire besluit en die een ander licht werpt op de bij verweerder ten tijde van het primaire besluit aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens. Ook bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit als hier aan de orde, dient immers beoordeeld te worden of de gegevens waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk juist zijn. Bij die beoordeling kan gewicht toekomen aan een achteraf opgesteld advies van een deskundige waarin onderzoek is verricht naar de kennis en gegevens waarover het bestuursorgaan beschikte ten tijde van het primaire besluit. Een ander oordeel zou er immers toe kunnen leiden dat een besluit rechtmatig moet worden bevonden, ook als achteraf wordt vastgesteld dat dit is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie.

12. In deze zaak heeft de rechtbank de STAB verzocht om advies uit te brengen. In beginsel mag de rechtbank afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van de STAB voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en bevat het geen zodanige gebreken dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De STAB heeft het dossier bestudeerd, met beide partijen een gesprek gevoerd, ontbrekende stukken opgevraagd en locatieonderzoek verricht. Daarnaast heeft de STAB de reacties van beide partijen op het conceptrapport en de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten meegewogen en gemotiveerd toegelicht in hoeverre hierin aanleiding werd gezien om de eigen conclusies aan te vullen of te wijzigen. Dat deze reactie van de STAB op de deskundigenrapporten van verweerder tekortschiet, is de rechtbank niet gebleken. De conclusies van de STAB zijn bovendien duidelijk en voorzien van een navolgbare onderbouwing.

Met betrekking tot de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten acht de rechtbank voorts van belang dat hieruit, met uitzondering van het rapport van Pelecon van 6 oktober 2020, niet volgt dat op 24 oktober 2018 sprake was van acuut instortingsgevaar. Uit deze rapporten volgt dat er vanwege de achteruitgang van de constructieve staat van de kerk grote zorgen waren over de stabiliteit en de draagkracht van de constructie en de veiligheid van omwonenden, onderscheidenlijk dat instortingsgevaar niet was uit te sluiten. Zorgen of twijfels over de constructieve staat van een gebouw of het niet kunnen uitsluiten van instortingsgevaar kunnen echter niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de conclusie dat sprake is van direct instortingsgevaar. Aan de conclusies in het rapport van Pelecon van 6 oktober 2020 kent de rechtbank geen doorslaggevende waarde toe. Deze rapportage is in essentie een bevestiging van de eerdere bevindingen van Pelecon (destijds: Peters & Van Leeuwen) die in hoofdzaak waren gebaseerd op enkele lintvoegwaterpassingen en visuele waarnemingen. De STAB heeft in haar advies voldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze bevindingen niet gevolgd kunnen worden.

12.2.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het rapport van de STAB aan haar oordeelsvorming ten grondslag zal leggen. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat op 24 oktober 2018 geen sprake was van acuut instortingsgevaar van de Turfmarktkerk, zodat voor verweerder geen aanleiding bestond om spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

12.3.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij begrip heeft voor het feit dat verweerder, toen hij de rapportages van 17 en 22 oktober 2018 ontving, meende dat ingrijpen nodig was. De rapporten van de ODMH en van Peters & Van Leeuwen van 17 en 22 oktober 2018 wekten immers de indruk dat sprake was van een gevaarlijke situatie die tot onmiddellijk ingrijpen noopte. Verder is het de rechtbank duidelijk dat de bouwkundige staat van de kerk al langere tijd onderwerp van zorg van verweerder was, ook omdat vaststaat dat het instorten van de kerk zeer ingrijpende gevolgen had kunnen hebben voor de nabijgelegen woningen. De rechtbank kan er echter niet aan voorbijzien dat door de STAB achteraf is geconcludeerd dat de rapportages waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming niet kunnen worden onderschreven. Op grond van die rapportages heeft verweerder dus ten onrechte de verwachting gevormd dat de Turfmarktkerk op 24 oktober 2018 vanwege zijn bouwkundige staat een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid opleverde. Verweerder heeft zich gebaseerd op informatie waarvan achteraf is vastgesteld dat deze onvoldoende steun bood aan het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Het besluit dat op deze rapportages is gebaseerd, kan daarom niet in stand blijven.

12.4.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Verweerder heeft het primaire besluit ten onrechte genomen en dit besluit ten onrechte in bezwaar gehandhaafd. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven derhalve geen bespreking. De rechtbank zal bestreden besluit I vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I.

De kostenverhaalsbeschikking

13. Het beroep van eiseres tegen bestreden besluit I heeft ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II, nu eiseres bestreden besluit II heeft betwist.

13.1.

Nu het beroep gericht tegen bestreden besluit I gegrond is, is het beroep gericht tegen bestreden besluit II eveneens gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II. Dat betekent dat verweerder de kosten die zijn gemaakt in verband met het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, niet op eiseres kan verhalen.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het rapport van de STAB, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit I;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit II;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.335,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,-aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzitter, en mr. M. Munsterman en
mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid vanmr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE: Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Ingevolge hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang in geval van een overtreding.

Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

  1. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

  2. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.

(…)

6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast.

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Artikel 5:31c

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

(…)

Woningwet

Artikel 1a

1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

2. Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

(…)

Bouwbesluit 2012

Artikel 7.22

Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

  1. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

  2. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

  3. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

  4. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

1 Gemeenteblad 2018, 228243

2 Gemeenteblad 2018, 240039.

3 AbRvS 17 april 2020, ECLI:NL:RVS:2017:1067

4 Zie bijvoorbeeld AbRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1283