Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4967

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
C/09/607352 KG ZA 21-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding waarin eiser (een 76 jarige Nederlander die al 37 jaar in de VS gedetineerd is vanwege een aan hem opgelegde gevangenisstraf voor de (huur-)moord op zijn echtgenote en stiefdochter) onder meer vordert om gedaagde (de Staat) te gelasten een verzoek tot strafoverdracht te ondersteunen. Het gevorderde wordt afgewezen. De Minister heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen sprake is van binding met Nederland (zoals het Beleidskader behorend bij de WOTS vereist) en dat er geen reden is om in dit geval van het Beleidskader af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/607352 KG ZA 21-142

Vonnis in kort geding van 17 mei 2021

in de zaak van

[eiser] , gedetineerd in de Verenigde Staten van Amerika,

eiser,

advocaten mrs. T. de Boer en R.S. Imamkhan te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (meer speciaal de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de toewijzing van het verzoek van gedaagde om verplaatsing van de op 6 april 2021 geplande mondelinge behandeling;

- de door eiser overgelegde nadere producties;

- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 26 april 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser is op [geboortedatum] in [geboorteland] geboren. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft zich op [datum] 1965 vanuit [geboorteland] in [plaats] laten inschrijven. In 1967 heeft hij ruim een half jaar in Duitsland gewoond. Omstreeks 1970/1971 is eiser naar de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) geëmigreerd.

2.2.

Op 27 augustus 1983 zijn de echtgenote en stiefdochter van eiser in de VS vermoord. Op 10 april 1984 is eiser aangehouden in verband met die moorden. Eiser is sindsdien gedetineerd in de VS.

2.3.

Eiser is op 20 januari 1986 veroordeeld voor de twee moorden. Hij heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd gekregen van twee keer 25 jaar tot levenslang (voor de dubbele moord), alsmede van zes jaar (voor de uitlokking/het feit dat het ging om huurmoord), met daarbij de mogelijkheid van “parole”.

2.4.

Na de veroordeling van eiser zijn er meerdere procedures gevoerd over, kort gezegd, de betrouwbaarheid van de belangrijkste getuige in de strafzaken tegen eiser. Dit heeft ertoe geleid dat eiser in 2000 opnieuw is berecht voor dezelfde feiten in het kader van een herzieningsprocedure. Eiser is in die nieuwe procedure bij vonnis van 11 augustus 2000 opnieuw veroordeeld voor dezelfde feiten en wel tot dezelfde straffen. Die uitspraak is in hoger beroep bevestigd en sinds 13 augustus 2007 onherroepelijk.

2.5.

Een door eiser in 2015 ingediend verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling is afgewezen.

2.6.

De Amerikaanse autoriteiten hebben in 2015 aan gedaagde een aantal vragen gesteld over eiser en over de tenuitvoerlegging van de aan eiser in de VS opgelegde straf. Gedaagde heeft in zijn reactie daarop bevestigd dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woonplaats kan hebben als hij ervoor zou kiezen naar Nederland te komen. Daarnaast is meegedeeld dat eiser in de visie van de Minister van Rechtsbescherming. samengevat weergegeven, niet in aanmerking komt voor overbrenging ingevolge het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) omdat er sprake is van onvoldoende binding met de Nederlandse samenleving en er naar verwachting geen sprake zal zijn van een strafrestant dat eiser in staat stelt om de terugkeer in de samenleving vanuit detentie voor te bereiden. Daaropvolgend is door de Amerikaanse autoriteiten geen formeel verzoek tot strafoverdracht op grond van de VOGP gedaan.

2.7.

Een door eiser in 2018 ingediend verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling is afgewezen.

2.8.

Eiser heeft in 2019 bij de Amerikaanse autoriteiten een verzoek ingediend om te worden overgebracht naar Nederland. Daarop is nog niet beslist.

2.9.

Op 23 juni 2000 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen, waarin de regering wordt verzocht “zich maximaal in te spannen om [eiser] op korte termijn naar Nederland over te laten brengen, verzoeken tot overbrenging te honoreren en hiertoe zo nodig de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging te starten.” (hierna: de motie).

2.10. (

De Amerikaanse advocaat van) eiser heeft op 15 september 2020 een gratieverzoek ingediend. Daarop is nog niet beslist.

2.11.

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft op 21 september 2020 de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan de motie. De Minister concludeert onder meer:

De doelen van de overdracht van strafvonnissen

Op 1 januari 2020 bevonden zich 1741 Nederlanders in buitenlandse detentie.5 Een deel hiervan wil terug naar Nederland om hier hun straf uit te zitten. De verantwoordelijkheid voor de (juridische) zorg van Nederlandse gedetineerden in het buitenland ligt bij de autoriteiten van de desbetreffende landen. De Nederlandse staat heeft op zijn beurt de verantwoordelijkheid om verzoeken tot overdracht van strafvonnissen in overeenstemming met de doelen van deze overdracht te behandelen. Het is namelijk niet zo dat iedere in het buitenland gedetineerde Nederlander in aanmerking komt voor een dergelijke overdracht.6 De overdracht moet bijdragen aan de doelen van het vergroten van resocialisatie en het verkleinen van het risico op recidive. Om te kunnen beoordelen of er in een specifieke casus wordt voldaan aan deze doelen, wordt gewerkt met verschillende vereisten. Voor personen die niet in een lidstaat van de Europese Unie zijn gedetineerd, staan deze in een op de situatie toepasselijk verdrag tot overdracht, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) als nationale regeling en het Beleidskader.

In de periode van 2016 tot en met 2019 is op respectievelijk 27, 67, 99 en 109 verzoeken tot overdracht naar Nederland afwijzend beslist omdat in deze zaken niet werd voldaan aan de vereisten.7 Voor zover het delict bekend is, zagen deze afgewezen zaken in overgrote mate op drugsdelicten. Daarnaast betrof het overwegend levensdelicten en mensenhandel.

In bovengenoemde zaken ging het om gedetineerden die niet voldeden aan het in het Beleidskader opgenomen criterium van binding met Nederland. (…)

Naast de woonplaats van de gedetineerde voorafgaand aan de arrestatie en de duur hiervan, wordt binding overigens ook beoordeeld op grond van aspecten als de plaats waar diegene werkte en de plaats waar het gezin of de familie verblijft.(…)

Afwijken van beleid

Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het mogelijk om af te wijken van de criteria uit het Beleidskader. Deze mogelijkheid is beperkt tot die gevallen waarin sprake is van bijzondere niet in het beleid verdisconteerde omstandigheden die maken dat vasthouden aan het beleid in dat specifieke geval tot onevenredige gevolgen leidt die niet in verhouding staan tot het doel van het betreffende beleid. Afwijken van beleid buiten de in de Awb geschetste mogelijkheid kan grote gevolgen hebben. Ten eerste leidt het tot precedentwerking. Dit ziet niet alleen op eerder afgewezen verzoeken, zoals de hierboven genoemde 302 verzoeken tussen 2016 tot en met 2019, die in aanmerking kunnen komen voor een herbeoordeling alsook op toekomstige gevallen die zich hierop kunnen beroepen. Ten tweede bestaat de kans dat sommige landen het vertrouwen in de Nederlandse staat verliezen en vervolgens niet langer bereid zijn te willen samenwerken op dit gebied. Dit zou niet alleen betekenen dat Nederlandse gedetineerden die wel aan alle vereisten voldoen niet naar Nederland kunnen worden overgebracht. Het zou ook inhouden dat de overdracht van buitenlandse gedetineerden vanuit Nederland naar het desbetreffende land niet meer mogelijk is. Dit is uiteraard onwenselijk. (…)

Er is nimmer een Wots-verzoek door de VS ingediend. Wel zijn er in 2015 vragen gesteld door de VS om te bezien of een Wots-verzoek opportuun zou zijn. Op grond van deze vragen heeft de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (IOS) in 2015 een inschatting gemaakt van de slagingskans van een eventueel officieel verzoek van de zijde van de VS. Resultaat hiervan was een mededeling aan de autoriteiten van de VS dat betrokkene niet aan de vereisten voldoet. Dit is ook eerder aan uw Kamer gemeld.

Naar aanleiding van de inschatting van IOS heeft betrokkene een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman (Ombudsman). De Ombudsman heeft het ministerie eind 2015 om een nadere motivering op deze inschatting verzocht. Na ontvangst van de gevraagde motivering heeft de Ombudsman het standpunt ingenomen dat de motivering in het licht van de normen van behoorlijkheid voldoende was. Hierop heeft de Ombudsman de advocaat van betrokkene te kennen gegeven de klacht niet verder te zullen onderzoeken.

Op grond van de eerdere inschatting door IOS en het standpunt dat de Ombudsman in dezen heeft ingenomen, ben ik van mening dat vaststaat dat betrokkene niet voldoet aan het criterium binding als geformuleerd in het Beleidskader. Naast de afwezigheid van binding, is vermoedelijk evenmin sprake van een strafrestant. Betrokkene is immers al gedurende 36 jaar in de VS gedetineerd. Dat roept de vraag op of er in deze situatie aanleiding is om gebruik te maken van mijn bevoegdheid om af te wijken van beleid. Ik ben van mening dat dit niet het geval is. Mede gelet op bovenstaande opgesomde feiten en de uiteenzetting van het Beleidskader, is hier geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Anderszins afwijken van beleid heeft, zoals hierboven uiteengezet, grote negatieve gevolgen. Het zal niet alleen leiden tot ongewenste precedentwerking naar een groot aantal andere zaken, maar op den duur tevens de samenwerking met andere landen die zijn aangesloten op het Wots-verdrag negatief beïnvloeden.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de Nederlandse staat zich maximaal zal inzetten voor betrokkene, zij het niet door middel van het starten van een Wots-procedure, maar door samen met de juridische vertegenwoordigers van betrokkene in te zetten op een traject richting gratie.”

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair:

  1. gedaagde te gelasten om het verzoek tot strafoverdracht van eiser actief te ondersteunen door – uiterlijk binnen twee weken – namens hem op grond van artikel 2, derde lid, VOGP een verzoek tot strafoverdracht te initiëren en formeel kenbaar te maken bij de Amerikaanse autoriteiten, dan wel – binnen dezelfde termijn – schriftelijk bij de Amerikaanse autoriteiten kenbaar te maken dat het verzoek van eiser wordt ondersteund;

  2. gedaagde, ten behoeve van het gevorderde onder 1, te gelasten om aan de Amerikaanse autoriteiten kenbaar te maken dat hij in beginsel bereid is om de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen indien de Amerikaanse autoriteiten daarmee akkoord gaan en dat daarbij zowel de procedure van omzetting als voortzetting kan worden gevolgd;

  3. gedaagde te gelasten om – uiterlijk binnen twee weken – bij de Amerikaanse autoriteiten te informeren naar de voorwaarden op grond waarvan zij akkoord zouden gaan met een strafoverdracht en indien daaruit blijkt dat de Amerikanen zekerheid willen over de wijze van tenuitvoerlegging, voor te stellen dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging wordt gevolgd, waarbij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om advies wordt gevraagd, zodat de Amerikaanse autoriteiten zorgvuldig kunnen worden geïnformeerd over de gevolgen van strafoverdracht;

subsidiair:

  1. gedaagde te gelasten om, teneinde vast te stellen of het vereiste van zes maanden strafrestant inderdaad aan de orde is, advies in te winnen bij de bijzondere penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (of bij een andere geschikte instantie), waarbij eiser de mogelijkheid krijgt om zijn visie te geven op de zaak;

  2. gedaagde te verplichten tot het primair gevorderde indien uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van strafrestant;

met veroordeling van gedaagde in de proceskosten zoals vermeld in de dagvaarding dan wel de proceskosten tussen partijen te compenseren.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door te weigeren zijn verzoek tot strafoverdracht te ondersteunen. De Minister heeft in dit kader een discretionaire bevoegdheid, maar die wordt beperkt door de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Gedaagde handelt in strijd daarmee. Het wettelijke kader noch het beleidskader staat in de weg aan strafoverdracht en zeker niet aan een poging van Nederland om tot een strafoverdracht te komen. De overdracht kan op grond van het VOGP en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) gewoon worden uitgevoerd. De overdracht is in lijn met het resocialisatiedoel dat hieraan ten grondslag ligt. Eiser heeft, anders dan gedaagde stelt, binding met Nederland. Het vereiste van strafrestant staat voorts niet in de weg aan overbrenging. Als dit al anders zou zijn, dan geldt dat op het beleidskader een uitzondering gemaakt moet worden op grond van het evenredigheidsbeginsel. De gevolgen die het niet meewerken aan strafoverdracht voor eiser heeft, zoals in de dagvaarding nader beschreven, zijn voor hem onevenredig zwaar.

Alhoewel er een reële kans is dat eiser ten onrechte is veroordeeld, ligt de vraag of dat zo is in dit geding niet voor. Volgens eiser staat echter wel vast dat er veel dingen fout zijn gegaan bij zijn veroordeling. Dat maakt het feit dat eiser tijdens zijn strafproces en daarna onvoldoende consulaire bijstand van gedaagde heeft ontvangen zo kwalijk. Gedaagde is onder meer tekort geschoten in zijn informatieplicht over de mogelijkheid van strafoverdracht en ten aanzien van het aanstellen van een vertrouwensadvocaat. Gedaagde kan nu een deel van de door hem gemaakte fouten rechtzetten door eiser te helpen met een terugkeer naar Nederland, zodat hij de laatste jaren van zijn leven in de buurt van zijn familie kan doorbrengen. Niets staat daar aan in de weg. De angst voor precedentwerking hierbij is ongegrond. De zaak van eiser kent immers unieke feiten en omstandigheden.

3.3.

Gedaagde voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Inleiding

4.1.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van het gevorderde in dit geding het volgende voorop. Eiser heeft altijd ontkend dat hij schuldig is aan de twee (huur)moorden, waarvoor hij is veroordeeld, zoals vermeld onder de feiten. Eiser heeft in dit geding meermaals daaraan gerefereerd en ook uitvoerig toegelicht wat er in het eerste strafproces allemaal is misgegaan. Er heeft echter een herzieningsprocedure plaatsgevonden waarin eiser, volgens de onweersproken stelling van gedaagde, is bijgestaan door een zeer kundig advocaat en waarbij de jury volledig is geïnformeerd over de omstandigheden rondom de eerste veroordeling. Eiser is in die procedure opnieuw veroordeeld voor het plegen van de twee moorden en hij heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd gekregen van twee keer 25 jaar tot levenslang (voor de dubbele moord), alsmede van zes jaar (voor de uitlokking/het feit dat het ging om een huurmoord). Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat er in de herzieningsprocedure sprake is geweest van een onaanvaardbare rechtsgang. De voorzieningenrechter moet er in dit geding dan ook van uitgaan dat eiser terecht is veroordeeld. De vraag of eiser wel of niet schuldig is aan hetgeen waarvoor hij is veroordeeld, kan in dit geding dan ook geen rol spelen.

Beoordelingskader

4.2.

Op grond van de WOTS kan een in het buitenland opgelegde straf in Nederland ten uitvoer worden gelegd als er tussen de betreffende buitenlandse staat en Nederland een verdrag geldt. De VS en Nederland zijn beide partij bij het VOGP.

4.3.

Zoals gedaagde terecht stelt heeft de Minister op grond van de WOTS en het VOGP een grote mate van beleidsvrijheid bij het wel of niet instemmen met een verzoek om overdracht van tenuitvoerlegging van een buitenlandse straf. In artikel 3 lid 1 aanhef en onder f van het VOGP is bepaald dat een gevonniste persoon alleen kan worden overgebracht als zowel de staat van veroordeling als de staat van tenuitvoerlegging het eens zijn over de overbrenging. De aangezochte staat is niet verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot overneming of overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis. Daarom zijn in het verdrag ook geen weigeringsgronden opgenomen. De Minister heeft dus de vrijheid om wel of niet in te stemmen met een verzoek tot overneming. Deze vrijheid volgt ook uit de wetsgeschiedenis van de WOTS. In dit verband wordt verwezen naar de memorie van antwoord op het desbetreffende wetsvoorstel (Kamerstukken II, 1984/85, 18 129, nr. 6, p. 12), waaruit volgt dat het wetsontwerp niet voorziet in rechtsgangen voor een veroordeelde indien, anders dan hij zou wensen, besloten wordt de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet over te nemen. Zo’n rechtsgang zou, aldus de memorie van antwoord, niet passen in het systeem van de wet, omdat dit zou veronderstellen dat de veroordeelde een afdwingbaar recht zou hebben te kiezen waar hij een aan hem opgelegde ten uitvoer gelegd wil zien.

4.4.

Gezien het vorenstaande moet de voorzieningenrechter zich zeer terughoudend opstellen in haar toetsing van (de rechtmatigheid van) het handelen van de gedaagde in deze. Voor rechterlijk ingrijpen kan hooguit plaats zijn indien geoordeeld zou moeten worden dat de Minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing om niet aan de Amerikaanse autoriteiten te laten weten dat gedaagde bereid is de tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde straf over te nemen. Dat is volgens eiser het geval. Gedaagde weerspreekt dat.

Beleidskader; toepasselijkheid

4.5.

De toenmalig Minister van Justitie heeft het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland (hierna: het Beleidskader) uiteengezet in een brief van 5 november 2007 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2007/08, 31200-VI, nr. 30). Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat vereisten in het Beleidskader, als hij daaraan al niet voldoet, niet voor hem gelden, omdat het Beleidskader niet van kracht was ten tijde van zijn arrestatie noch van zijn (eerste) definitieve veroordeling in 2000, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. Het in het Beleidskader opgenomen beleid is weliswaar pas schriftelijk vastgelegd in 2007, maar betrof, zoals gedaagde bij conclusie van antwoord onweersproken heeft aangevoerd, niet de invoering van een nieuwe regeling maar een vastlegging van wat de praktijk was gedurende de jaren vanaf de invoering van de WOTS in 1988.

4.6.

De stelling van eiser dat het Beleidskader nog niet gold ten tijde van zijn arrestatie in 1984 is juist, maar op dat moment kon eiser nog geen aanspraak maken op overdracht van een aan hem opgelegde straf. Dat kan pas als er sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare, onherroepelijke rechterlijke beslissing.

Beleidskader; inhoud

4.7.

Over de ratio van het WOTS-beleid staat in het Beleidskader onder meer het volgende vermeld:

“De reden waarom Nederland streeft naar overbrenging van Nederlanders in buitenlandse detentie is niet allereerst humanitair van aard (te zware straf of detentieomstandigheden die niet stroken met onze opvattingen), maar is gericht op resocialisatie, namelijk in het land waar men woont. (…) Verkorting van straffen of onmiddellijke invrijheidsstelling is geen doel van de Wots. De Wots en Wots-verdragen zijn derhalve penitentiaire instrumenten. (…)”

Verder geldt volgens het Beleidskader als vereiste voor overdracht dat een gedetineerde in het buitenland binding moeten hebben met Nederland. Dit is in het Beleidskader zo geformuleerd:

“Het Nederlanderschap alleen is niet voldoende; binding met Nederland is een harde voorwaarde voor overbrenging. Reïntegratie in de Nederlandse samenleving is immers zinloos als er geen wezenlijke relatie is met Nederland. Als een veroordeelde de Nederlandse nationaliteit heeft of een vreemdeling (inclusief EU-burgers) is met een verblijfstitel, die hij niet verliest, en in Nederland woonachtig is, komt hij in beginsel voor overbrenging in aanmerking. Bij het bepalen of er sprake is van binding wordt onder meer gekeken naar waar betrokkene feitelijk woonachtig is (inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, GBA) en hoe lang, waar hij werkt, waar het gezin verblijft dan wel de familie en zo meer. Een Nederlandse veroordeelde die niet in Nederland woont en van wie onvoldoende gebleken is dat Nederland het land is waar hij na afloop van zijn detentie weer de draad zal oppakken, komt niet in aanmerking voor overbrenging. Daarvan is sprake in het geval betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken door zijn hoofdverblijf naar een land buiten Nederland te verplaatsen en geen sociale banden met Nederland meer heeft. In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging gediend.”

In het Beleidskader is het volgende opgenomen over “Humanitaire overwegingen”

Bij toepassing van het voorgestelde beleid kunnen meer Nederlanders in buitenlandse detentie in aanmerking komen voor overbrenging. Twee categorieën blijven daar echter buiten vallen:

1. Nederlanders in buitenlandse detentie die geen binding met Nederland hebben.

2. een kleine categorie gevallen waarbij de rechtsgang op een onaanvaardbare manier is verlopen. Hoewel dat humanitair gezien schrijnende gevallen kunnen zijn, is de Wots hier niet het juiste instrument; dat zou immers betekenen dat Nederland vonnissen zou overnemen die naar Nederlandse normen (zo) niet uitgevoerd kunnen worden en waarbij Nederland dus het recht niet heeft betrokkenen te detineren. De aangewezen mogelijkheden voor Nederland liggen hier veeleer op het terrein van de diplomatie. Te denken valt aan consulaire en eventueel juridische bijstand, aandringen op uitzetting, vrijlating of gratie enzovoort.”

Beleidskader; bindingsvereiste

4.8.

Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser – van wie vaststaat dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, maar ten tijde van zijn arrestatie al geruime tijd niet in Nederland maar in de VS woonachtig was – niet aan het bindingsvereiste voldoet. Niet kan worden geoordeeld dat de Minister in redelijkheid niet tot dat standpunt heeft kunnen komen. Daarbij is acht geslagen op het volgende.

4.9.

Eiser heeft vóór 1971 weliswaar enkele jaren in Nederland gewoond, maar ook in Duitsland en (overwegend) in [geboorteland] , in dat laatste land in ieder geval tot 1965 (zie 2.1). Vanaf in ieder geval 1971 heeft eiser zich met zijn gezin gevestigd in de VS. Aanwijzingen voor concrete plannen van eiser om naar Nederland te verhuizen in de periode dat hij in de VS woonde voorafgaand aan zijn arrestatie in 1984, zijn de voorzieningenrechter niet gebleken. Gedaagde heeft terecht aangevoerd dat de enkele wens om ná tenuitvoerlegging van de straf zich in Nederland te vestigen in het Beleidskader irrelevant is. Een andere weging en invulling van de voorwaarde van binding zou ertoe leiden dat iedere veroordeelde Nederlander met familie in Nederland in aanmerking zou komen voor overbrenging, ook als niet gesproken kan worden van een wezenlijke relatie met Nederland. Eiser heeft nog diverse andere omstandigheden naar voren gebracht die volgens hem met zich brengen dat er wel binding is met Nederland, maar die omstandigheden overtuigen niet, noch op zichzelf, noch in samenhang bezien. De omstandigheid dat eiser de mogelijkheid om terug te keren altijd heeft opengehouden, althans dat dit volgens zijn verklaring en volgens de verklaring van zijn zuster het geval is, is hiertoe zoals gezegd onvoldoende. Dat geldt ook voor het feit dat eiser nog sociale banden heeft in Nederland. Dat zal, zoals gedaagde terecht heeft opgemerkt, voor vrijwel iedere Nederlander gelden, die voor een woonplaats buiten Nederland heeft gekozen.

4.10.

De voorzieningenrechter volgt gedaagde ook in zijn stelling dat de omstandigheden dat eiser gebruik heeft gemaakt van het stemrecht dat hij heeft vanwege zijn Nederlandse nationaliteiten en in Nederland AOW heeft opgebouwd geen zelfstandige blijk van binding geven. De verwijzing door eiser naar zijn familie die in Nederland woont, de nauwe band die hij met hen heeft en de wens om in hun nabijheid te zijn, betreft op dit moment alleen zijn zuster en niet nader aangeduide neven en/of nichten, terwijl in de VS zijn zoon en kleinkinderen wonen. De omstandigheid dat eiser de Nederlandse taal perfect beheerst, levert ook geen aanknopingspunt voor binding op.

4.11.

Het onder 4.8 vermelde oordeel brengt met zich dat de stellingen van partijen over en weer over het vereiste van een strafrestant en of daar in dit geval sprake van is, onbesproken kunnen blijven. Eiser voldoet immers reeds op grond van dat oordeel niet aan de vereisten van het Beleidskader om voor overbrenging in aanmerking te komen.

Beleidskader; resocialisatiedoel

4.12.

De kern van de WOTS is de overname of overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen met als doel de resocialisatie van de overgebrachte gedetineerde. Voor zover de stellingen van eiser zo moeten worden begrepen dat hij meent reeds aanspraak te kunnen maken op overdracht omdat dit in lijn is met het resocialisatiedoel van het beleid, verwerpt de voorzieningenrechter die stellingen. In het Beleidskader is dit immers uitgewerkt, waarbij nader is bepaald aan welke criteria gedetineerden moeten voldoen om voor overbrenging naar Nederland in aanmerking te komen. Een van die criteria is, zoals hiervoor vermeld, dat moet zijn voldaan aan het bindingsvereiste.

4.13.

Eiser heeft in dit verband nog opgemerkt dat hij uiteindelijk toch naar Nederland terug zal komen, omdat hij na zijn vrijlating niets meer te zoeken heeft in de VS en hij de VS vermoedelijk zelfs zal moeten verlaten/uitgezet zal worden. Deze omstandigheid brengt echter niet mee dat Nederland dus als de “eigen samenleving” moet worden aangemerkt, in de zin van de WOTS, het VOGP en het Beleidskader, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt. De omstandigheid dat uitzetting alleen naar Nederland zou kunnen plaatsvinden betekent niet dat er daarom sprake is van de in het Beleidskader bedoelde binding met Nederland.

Afwijken van het Beleidskader wegens fouten in consulaire bijstand?

4.14.

Eiser heeft een aantal omstandigheden genoemd dat er volgens hem toe moet leiden dat de Minister in zijn specifieke geval ondanks het vorenstaande toch zijn medewerking aan overdracht zou moeten verlenen. Hij heeft daartoe onder meer toegelicht dat gedaagde diverse fouten heeft gemaakt in het verlenen aan hem van consulaire bijstand. Gedaagde is volgens hem onder meer tekort geschoten in zijn informatieplicht over de mogelijkheid van strafoverdracht en ten aanzien van het aanstellen van een vertrouwensadvocaat.

4.15.

Ook als dit zo zou zijn – en er dus voorbij zou worden gegaan aan de gemotiveerde betwisting hiervan door gedaagde, die uitvoerig heeft toegelicht dat en welke vormen (reguliere en bijzondere) consulaire bijstand aan eiser is verleend – kan dit er naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet toe leiden dat de Minister daarom nu anders zou moeten beslissen dan overeenkomstig het Beleidskader. De enige reden daarvoor zou kunnen zijn als eiser door de handelwijze van gedaagde de kans is ontnomen om eerder al een geslaagd verzoek tot overdracht te doen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter onvoldoende gebleken dat dit het geval is. Het Beleidskader – met daarin het bindingsvereiste – gold immers toen ook al. Het is niet duidelijk geworden waarom, als eiser eerder een dergelijk verzoek zou hebben gedaan, dat toen wel zou zijn geslaagd/er toen anders over dit vereiste zou zijn geoordeeld. Evenmin is gemotiveerd door eiser gesteld of anderszins gebleken dat zijn strafrechtelijke veroordeling voor de twee (huur)moorden had kunnen worden voorkomen indien gedaagde hem meer of andere (consulaire) bijstand zou hebben geboden.

4.16.

Hierbij is nog daargelaten dat een verzoek tot overbrenging pas kan worden gedaan als sprake is van een onherroepelijke beslissing. Dat is het geval sinds 13 augustus 2007, na het hoger beroep tegen de veroordeling van eiser in het nieuwe herzieningsproces en de daarna nog door eiser benutte rechtsmiddelen, die geen verandering hebben gebracht in de veroordeling van eiser. Of eiser eerder in zijn veroordeling zou hebben berust en niet zou hebben doorgeprocedeerd als dat met zich zou hebben gebracht dat hij dan aanspraak had kunnen maken op overdracht van de tenuitvoerlegging van zijn straf aan Nederland, zoals eiser in dit geding naar voren heeft gebracht, is een vraag die nu niet meer kan worden beantwoord. Gezien de stellige ontkenning van eiser dat hij de moorden heeft gepleegd, waarin hij tot op heden volhardt, gelet op al de door eiser gevoerde procedures en op zijn weigering om te bekennen in ruil voor strafvermindering, acht de voorzieningenrechter dit niet erg waarschijnlijk. Gezien hetgeen onder 4.15 is overwogen is dit echter niet relevant voor de beslissing in dit geding.

Afwijken van het Beleidskader wegens zwaarwegende belangen en humanitaire aspecten/de motie?

4.17.

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde genoegzaam heeft toegelicht dat en waarom hij geen ruimte ziet om in dit geval af te wijken van het vaste beleid dat in zaken als deze wordt gehanteerd. Afwijking is alleen mogelijk in die gevallen waarin sprake is van bijzondere niet in het beleid verdisconteerde omstandigheden die maken dat vasthouden aan het beleid in dat specifieke geval tot onevenredige gevolgen leidt die niet in verhouding staan tot het doel van het betreffende beleid. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat, voor zover het weigeren van een WOTS-verzoek enig doel van het toepasselijke beleid zou dienen, dit dan niet in verhouding staat tot de onevenredig zware gevolgen die het niet meewerken aan strafoverdracht voor hem heeft en dat er sprake is van willekeur. Daartoe is het volgende redengevend.

4.18.

Weliswaar zit eiser op hoge leeftijd (hij is thans 76 jaar oud) en met een broze gezondheid inmiddels al heel lang in detentie, maar dat is – uiteindelijk – op grond van een onherroepelijke veroordeling van eiser voor zeer ernstige misdrijven. Zoals onder 4.1 is overwogen, zijn in het eerste strafproces fouten gemaakt, maar dit was bekend en is meegewogen in de herzieningsprocedure, waarin eiser desondanks opnieuw voor dezelfde strafbare feiten en tot dezelfde straffen is veroordeeld. Voor zover eiser van mening is dat zijn (uiteindelijke) veroordeling tot stand kwam na een onaanvaardbare rechtsgang en/of te wijten is aan gebrekkige consulaire bijstand, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. Eiser stelt gedurende zijn detentie slachtoffer te zijn geweest van mishandeling, racisme en andere vernederingen en wijst op de lange duur van zijn detentie. Zoals vermeld in het Beleidskader zijn een te zware straf of detentieomstandigheden die niet stroken met onze opvattingen echter geen reden waarom Nederland streeft naar overbrenging van Nederlanders in buitenlandse detentie. De stelling dat eiser in eenzaamheid in de gevangenis in de VS stelt te zullen sterven, kan een afwijking van het beleid evenmin rechtvaardigen. Immers, zijn zoon en twee kleinkinderen, met wie eiser een goede band heeft, wonen ook de VS en kunnen hem daar bezoeken. Daarmee is van de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van redelijkheid en billijkheid evenmin sprake.

4.19.

Dat gedaagde in het verleden de WOTS wél op humanitaire gronden heeft toegepast in gevallen waarin geen sprake was van binding of strafrestant als bedoeld in het Beleidskader, is door eiser niet aannemelijk gemaakt, terwijl dat, gelet op de betwisting van gedaagde, wel op zijn weg had gelegen. Op basis van deze kale stelling kan geen willekeur worden aangenomen.

4.20.

De door de Tweede Kamer aangenomen motie, vermeld onder 2.9, kan er ook niet toe leiden dat wordt aangenomen dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser handelt als niet aan die motie wordt voldaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Minister genoegzaam heeft toegelicht dat en waarom hij geen ruimte ziet om in dit geval af te wijken van het vaste beleid dat in zaken als deze wordt gehanteerd en ook dat het beleid bestendig wordt gevoerd. De conclusie dat geen sprake is van bijzondere niet in het beleid verdisconteerde omstandigheden die maken dat vasthouden aan het beleid in dit specifieke geval tot onevenredige gevolgen leidt die niet in verhouding staan tot het doel van het betreffende beleid, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk en niet onredelijk.

4.22.

Eiser kan dan ook niet van gedaagde verlangen dat in zijn geval van dit beleid wordt afgeweken, temeer nu een dergelijke afwijking – zoals gedaagde terecht stelt – ongewenste precedentwerking zal hebben.

Conclusie

4.23.

Voor toewijzing van het gevorderde is gelet op al het vorenstaande geen plaats. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding op de wijze zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan gedaagde te betalen, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat eiser bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2021.

ts