Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4921

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/09/609755 / FA RK 21-2170
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag, verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens:

I. C/09/609063 / JE RK 21-604

II. C/09/609755 / FA RK 21-2170

III. C/09/609758 / FA RK 21-2171

IV. C/09/609764 / FA RK 21-2173

V. C/09/609768 / FA RK 21-2175

VI. C/09/609770 / FA RK 21-2176

VII. C/09/609773 / FA RK 21-2179

VIII. C/09/609772 / FA RK 21-2178

Datum uitspraak: 7 mei 2021

Beschikking van de Meervoudige Kamer

Beëindiging gezag; verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van de op 15 februari 2021 ingekomen verzoek (I) van:

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

en de op 26 maart 2021 ingekomen verzoeken (II-VIII) van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

1 [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

2 [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

3 [minderjarige 3] geboren op [geboortedag 3] 2009 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 3] ;

4 [minderjarige 4] geboren op [geboortedag 4] 2011 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 4] ;

5 [minderjarige 5] geboren op [geboortedag 5] 2013 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 5] ;

6 [minderjarige 6] geboren op [geboortedag 6] 2015 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 6] ;

7 [minderjarige 7] , geboren op [geboortedag 7] 2017 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 7] ;

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De rechtbank merkt in de verschillende verzoeken als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

gezamenlijk bijgestaan door mr. M.S. Krol, gevestigd te Rotterdam,

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

[pleegouders 1]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] ,

[pleegouders 2]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3] ,

[pleegouders 3] ,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 4] ,

[pleegouders 4]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 5] ,

[pleegouders 5]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 6] ,

[pleegouders 6]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 7] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek van de gecertificeerde instelling (I), met bijlagen;

- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek van 25 maart 2021;

- de verzoekschriften van de Raad (II t/m VIII), met bijlagen;

- het verweerschrift van de zijde van de advocaat van de ouders, ter zitting overgelegd;

- de beschikking d.d. 23 april 2021.

Op 23 april 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

- [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de pleegvader van [minderjarige 5] ;

- de pleegvader van [minderjarige 7] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Opgeroepen en niet verschenen zijn de overige pleegouders.

Feiten

- Bij beschikking van 23 april 2021 zijn de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] verlengd van 25 april 2021 tot 25 mei 2021. De verzoeken zijn voor het overige aangehouden.

Verzoeken

De Raad verzoekt het gezag van de ouders over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogdes over de kinderen. De Raad heeft de verzoeken als volgt onderbouwd. Alle zeven kinderen zijn inmiddels twee jaar onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Zij komen uit een zeer belaste opvoedsituatie, waarin de ouders ze onvoldoende zorg, stimulans en toezicht gaven. De kinderen waren verwaarloosd geraakt en de oudere kinderen droegen zorg voor hun jongere broertjes en zusjes. Voorts is een aantal van de kinderen seksueel misbruikt door een familielid en heeft in de thuissituatie tussen de kinderen onderling seksueel grensoverschrijdend gedrag plaatsgevonden. Alle kinderen tonen signalen van trauma en hebben een bovengemiddelde opvoedomgeving nodig. Sinds ze in verschillende pleeggezinnen verblijven, laten de kinderen een positieve ontwikkeling zien. Zij voelen zich hier veilig en krijgen de structuur die ze nodig hebben. In de afgelopen jaren is gewerkt aan de inzet van hulpverlening voor de ouders, maar dit is niet gelukt. De ouders blijven de problematiek onvoldoende erkennen en het lukte niet om de omgang tussen de ouders en de kinderen uit te breiden. Hierdoor was het ook niet mogelijk om te werken aan een thuisplaatsing. De aanvaardbare termijn is verlopen en een aantal van de kinderen stelt regelmatig vragen over waar zij zullen opgroeien. Het is daarom van belang dat zij duidelijkheid krijgen over hun opvoedperspectief en zich kunnen gaan richten op hun eigen ontwikkeling. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad dan ook om het gezag over alle zeven kinderen te beëindigen. Ondanks dat [minderjarige 1] bijna meerderjarig wordt, acht de Raad ook voor hem een gezagsbeëindiging van toegevoegde waarde. De ouders zijn wisselend in hun emotionele toestemming bij het verblijf van [minderjarige 1] in het gezinshuis. Met een gezagsbeëindiging is het voor hem duidelijk dat hij daar zal blijven, ook na zijn achttiende verjaardag. Een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv acht de Raad hierbij niet passend en zal niet tot een andere conclusie leiden. In de afgelopen jaren zijn veel verschillende hulpverleningsinstanties betrokken geweest en zij komen allen tot dezelfde conclusie.

De gecertificeerde instelling heeft zich aangesloten bij de verzoeken van de Raad. Zij heeft voorts verzocht om – ingeval de rechtbank de verzoeken van de Raad afwijst – de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen voor de duur van respectievelijk de minderjarigheid ( [minderjarige 1] ) en de duur van elf maanden (overige kinderen). Door de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat alle kinderen een lange tijd nodig hebben gehad om te wennen in hun pleeggezinnen en zij hebben veel begeleiding nodig. In de afgelopen jaren is geprobeerd om de bezoeken uit te breiden en hulp in te zetten, maar dat is niet gelukt. Een thuisplaatsing is dan ook voor geen van de kinderen een optie. Het is echter wel belangrijk om de omgang tussen de ouders en de kinderen te verbeteren en mogelijk uit te breiden. In december 2020 is begeleiding gestart middels Video Home Training (VHT). De ouders laten hierbij voorzichtig positieve stappen zien, maar ze zijn ook hierbij wisselend in hun medewerking. De positieve punten zijn daarnaast onvoldoende om een thuisplaatsing mogelijk te maken. [minderjarige 1] verblijft sinds kort in een gezinshuis waar hij het naar zijn zin heeft en een enorme ontwikkeling doormaakt. Hij kan hier ook na zijn achttiende verjaardag blijven en is inmiddels gestart met GGZ-behandeling. Een beëindiging van het gezag van de ouders zal hem de bevestiging geven dat dit een definitieve plek voor hem is.

Het standpunt van de belanghebbenden

Namens en door de ouders is verweer gevoerd. De ouders kunnen zich niet verenigen met het verzoek van de Raad en zij zijn van mening dat niet aan de gronden voor een gezagsbeëindiging is voldaan. De ouders vinden dat ze wel degelijk voldoende inzicht in de problematiek van de kinderen hebben en voldoende opvoedvaardigheden bezitten om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Voorts is tot op heden onvoldoende hulpverlening ingezet en niet gewerkt aan een thuisplaatsing van de kinderen. De gecertificeerde instelling heeft slechts algemene doelen geformuleerd in een schriftelijke aanwijzing en de gecertificeerde instelling heeft alleen hulp ingezet van instanties waar de ouders hun vertrouwen in hebben verloren. Voorts blijkt uit het gedrag van de kinderen niet dat hun ontwikkeling wordt belemmerd door onzekerheid over hun opvoedperspectief. De kinderen ontwikkelen zich juist in een stijgende lijn. Dit maakt dat in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hulpverlening ingezet moet worden, zodat er gewerkt kan worden aan een thuisplaatsing. Dit geldt temeer nu de VHT een opdracht van de rechtbank was, pas net gestart is en derhalve nog moet worden bezien of de ouders voldoende kunnen aansluiten bij de kinderen. Inzake het seksueel misbruik geven de ouders aan dat zij dit niet ontkennen, maar dat ze het zelf nooit gesignaleerd hebben. Ten aanzien van [minderjarige 1] is in het bijzonder naar voren gebracht dat hij bijna meerderjarig wordt. Een gezagsbeëindiging heeft dan ook geen meerwaarde ten opzichte van een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot zijn achttiende verjaardag. [minderjarige 1] kan ook wanneer hij achttien jaar is geworden in zijn gezinshuis blijven; een gezagsbeëindiging maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande is namens ouders primair verzocht om de verzoeken tot gezagsbeëindiging af te wijzen. Subsidiair is verzocht de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor maximaal een half jaar te verlengen en hierbij een deskundigenonderzoek te gelasten, als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De benoeming van een deskundige kan tot de beslissing in de zaak leiden, nu dit duidelijkheid zal geven over de mogelijkheden van de ouders en de hulpverlening die nodig is. Daarnaast verzet het belang van de kinderen zich niet tegen een deskundigenonderzoek, nu het onderzoek met name betrekking zal hebben op de ouders. Mocht de rechtbank desondanks toch overgaan tot een gezagsbeëindiging, dan zouden de ouders graag zien dat zij beter en uitgebreider contact met alle pleegouders krijgen.

De pleegvader van [minderjarige 5] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 5] ook al voor de uithuisplaatsing regelmatig in het pleeggezin kwam en dat de pleegvader al jarenlang bij het gezin betrokken is. [minderjarige 5] heeft in de afgelopen twee jaar een positieve ontwikkeling laten zien en is een blij kind. Hij heeft echter wel behoefte aan duidelijkheid en de pleegvader zou de keuze om het gezag te beëindigen begrijpen, hoe ingrijpend en moeilijk die beslissing ook is.

De pleegvader van [minderjarige 7] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 7] volgende maand zal starten op het medisch kinderdagverblijf. Hij heeft in de afgelopen tijd stappen gezet in zijn ontwikkeling, maar het is nodig dat er vanuit verschillende disciplines naar hem wordt gekeken. Voor wat betreft de gezagsbeëindiging is de pleegvader van [minderjarige 7] dezelfde mening toegedaan als de pleegvader van [minderjarige 5] .

Beoordeling

Verzoek tot deskundigenonderzoek

De rechtbank zal allereerst ingaan op het verzoek van de zijde van (de advocaat van) de ouders tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv. Uit dit artikel volgt dat de rechtbank in zaken betreffende de ondertoezichtstelling of de gezagsbeëindiging een onafhankelijk deskundige kan benoemen, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind (de kinderen) zich hiertegen niet verzet.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de kinderen zich verzet tegen een deskundigenonderzoek. Zij overweegt hiertoe als volgt. Bij alle kinderen is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging: ze hebben kindeigen-problematiek en ze hebben trauma opgelopen in de thuissituatie. De kwetsbare positieve ontwikkeling van de kinderen in de afgelopen periode is niet gebaat bij een ingrijpend onderzoek. Dit geldt ook als, zoals door de advocaat van de ouders is gesteld, het onderzoek met name betrekking zal hebben op de opvoedvaardigheden van de ouders. De problematiek van de kinderen en hun bovengemiddelde opvoedvraag zal immers een rol spelen bij het bepalen van de eventuele mogelijkheid van een thuisplaatsing en dus zullen ook de kinderen betrokken moeten worden in het onderzoek. Daarnaast leert de ervaring dat een deskundigenonderzoek veel tijd in beslag neemt. De aanvaardbare termijn van de kinderen is inmiddels verstreken, zoals hieronder nader uiteengezet zal worden, en de kinderen ervaren onzekerheid over hun opvoedperspectief. Zij stellen vragen over waar zij zullen opgroeien en kampen met loyaliteitsproblemen. Het is dan ook niet in hun belang om deze onzekerheid nog langer te laten voortduren. Het belang van de kinderen bij duidelijkheid gaat voor het belang van de ouders bij een deskundigenonderzoek. De rechtbank zal het verzoek van (de advocaat van) de ouders dan ook afwijzen.

Beëindiging gezag

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] . Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de ouders niet in staat zijn gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer op zich te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] zijn ruim twee jaar geleden onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst wegens ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders en ernstige ontwikkelingsproblemen bij de kinderen. Het lukte de ouders niet om de kinderen de zorg en aandacht te bieden die zij nodig hadden, waardoor de kinderen op fysiek, affectief en pedagogisch vlak verwaarloosd raakten. Voorts is een aantal van de kinderen slachtoffer geworden van seksueel misbruik door een familielid en heeft vervolgens seksueel grensoverschrijdende gedrag tussen de kinderen onderling plaatsgevonden. De kinderen zijn beschadigd geraakt door deze situatie en hebben een ontwikkelingsachterstand opgelopen. Dit uit zich bij elk van de kinderen in signalen van trauma en een bovengemiddelde opvoedvraag. Sinds de kinderen in een pleeggezin zijn geplaatst, hebben ze allemaal een positieve ontwikkeling doorgemaakt en ze zijn gebaat bij de structuur en rust die hun huidige opvoedomgeving ze biedt. Desondanks laten zij allemaal kindsignalen zien en hebben ze een ontwikkelingsachterstand. [minderjarige 2] laat geparentificeerd gedrag zien en kampt met een laag zelfbeeld. [minderjarige 3] heeft loyaliteitsproblemen en hij zit zo vol met zorgen en de gebeurtenissen uit het verleden dat zijn ontwikkeling stilstaat. Hij is ontremd en heeft moeite om zijn grenzen aan te geven. [minderjarige 4] laat weinig emoties zien en zij heeft moeite om haar gevoelens te uiten. Ze heeft daarnaast een benedengemiddelde woordenschat ten gevolge van onderontwikkeling en voelt zich door het seksuele grensoverschrijdende gedrag niet veilig bij een aantal van haar broers en haar zus. Het gedrag van [minderjarige 5] is juist sociaal wenselijk, hij heeft moeite om zijn mening te uiten. Hij was aanvankelijk erg angstig in het pleeggezin en raakte overstuur van ADL-handelingen als bijvoorbeeld tandenpoetsen. Bij [minderjarige 6] zijn vermoedens van een taal- en spraakstoornis en er bestaan zorgen over haar seksuele ontwikkeling. [minderjarige 6] heeft last van drukte, overprikkeling en tics. Tot slot laat [minderjarige 7] opstandig gedrag zien en heeft hij regelmatig last van driftbuien. Hij loopt achter in zijn spraak en motoriek en bij spanningen heeft hij last van tics. Hij is inmiddels aangemeld bij een medisch kinderdagverblijf om hem verder te observeren.

In de afgelopen jaren is geprobeerd om de ouders inzicht te laten verkrijgen in de ernst van de situatie, de omgang vorm te geven en uit te breiden en hulpverlening in te zetten om op deze wijze te kunnen werken aan een thuisplaatsing van de kinderen. Hoewel de ouders stellen dat de gecertificeerde instelling te weinig hulpverlening heeft ingezet, blijkt uit de Raadsrapporten dat sinds 2013 hulpverlening bij het gezin is betrokken is geweest in zowel het vrijwillig als het gedwongen kader. De ouders blijven de problematiek echter grotendeels ontkennen en tonen onvoldoende inzicht in de ernst van de problemen en de gevolgen die de problematische opvoedsituatie en de traumatische gebeurtenissen voor de kinderen hebben. De omgangsmomenten met de kinderen verliepen lange tijd moeizaam. Ondanks hun goede wil, tonen de ouders weinig initiatief en zij voelen onvoldoende aan wat de kinderen (op emotioneel vlak) nodig hebben. Het lijkt nu met de inzet van VHT beter te gaan, maar de kinderen blijven hersteltijd nodig hebben na de omgangsmomenten. Daar komt bij dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. De voorzichtige positieve punten die de ouders bij de VHT laten zien, zijn daarnaast onvoldoende om binnen afzienbare tijd een thuisplaatsing mogelijk te maken. De kinderen zijn inmiddels ruim twee jaar uit huis geplaatst en verblijven op perspectiefbiedende plekken. Een aantal van de kinderen stelt hierbij regelmatig vragen over de plek waar zij zullen opgroeien en ervaren onzekerheid over hun situatie. Het is voor hun ontwikkeling van belang dat zij een stabiele, duidelijke en definitieve opvoedplek hebben, waar zij begeleid worden in hun trauma en ontwikkelingsachterstand. De combinatie van een bovengemiddelde opvoedvraag, de ernst van de problematiek en de minimale stappen die in de afgelopen jaren door de ouders in dit kader zijn gezet, maakt dat een gezagsbeëindiging de geëigende vervolgstap is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] toewijzen. Hierbij tekent de rechtbank echter wel aan dat gewerkt zal moeten blijven worden aan het vormgeven en uitbreiden van een onbelaste omgang met de ouders en het behouden van de band tussen ouders en kinderen.

Ten aanzien van [minderjarige 1] oordeelt de rechtbank echter anders. In zijn geval acht de rechtbank een gezagsbeëindiging niet passend, gelet op het navolgende. [minderjarige 1] is, net als zijn broertjes en zusjes, lange tijd opgegroeid in een onveilige en onvoldoende ondersteunende opvoedsituatie. Hij is inmiddels echter zeventien jaar en zal in augustus van dit jaar meerderjarig worden. Dit maakt dat het gezag van de ouders over ongeveer vier maanden hoe dan ook zal eindigen. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden welke meerwaarde een gezagsbeëindiging in dit geval zal hebben boven de minder ingrijpende maatregel van de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot de meerderjarigheid. Immers, wanneer [minderjarige 1] meerderjarig wordt, kan hij zelf beslissen waar hij gaat wonen. Het is positief dat hij ook ná zijn achttiende verjaardag in het gezinshuis kan blijven, en het is aan de GI om hem te begeleiden naar volwassenheid en bij het maken van een juiste keuze over zijn woonplaats nadat hij meerderjarig is geworden. Een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, welke hieronder besproken zullen worden, bieden hiertoe voldoende kader. Het verzoek tot gezagsbeëindiging van [minderjarige 1] zal dan ook worden afgewezen.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 9 februari 2021 schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] te aanvaarden.

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Nu het gezag van de ouders over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 7] wordt beëindigd, komt de rechtbank ten aanzien van hen niet toe aan het verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen en zal het verzoek ten aanzien van hen worden afgewezen.

Ten aanzien van [minderjarige 1] komt de rechtbank wel toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, nu het verzoek tot beëindiging van het gezag over [minderjarige 1] is afgewezen. De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Er is bij [minderjarige 1] onverkort sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Door de hiervoor reeds beschreven opvoedsituatie heeft hij een behoorlijke ontwikkelingsachterstand opgelopen. Hij heeft veel sturing en stimulans nodig bij activiteiten en in het bijzonder bij zijn persoonlijke hygiëne. Voorts bestaan er zorgen over zijn seksuele ontwikkeling en hij kampt met loyaliteitsproblemen ten opzichte van zijn ouders. Sinds kort is [minderjarige 1] verhuisd naar een gezinshuis. Hij laat hier grote stappen zien in zijn ontwikkeling en heeft het enorm naar zijn zin. Hij kan hier ook na zijn achttiende verjaardag blijven. Om deze plek te waarborgen, passende hulpverlening voor [minderjarige 1] te blijven inzetten en om ervoor te zorgen dat hij de juiste begeleiding krijgt naar zijn volwassenheid, is het van belang dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd totdat [minderjarige 1] meerderjarig wordt.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van

de vader:

- [de man] geboren op [geboortedag 8] 1969 te [woonplaats] ,

en

de moeder:

- [de vrouw] , geboren op [geboortedag 9] 1973 te [woonplaats] ,

over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [minderjarige 3] geboren op [geboortedag 3] 2009 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2011 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [minderjarige 5] geboren op [geboortedag 5] 2013 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [minderjarige 6] , geboren op [geboortedag 6] 2015 te [geboorteplaats 2] ,

  • -

    [minderjarige 7] geboren op [geboortedag 7] 2017 te [geboorteplaats 2] ,

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarigen:

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] van 25 mei 2021 tot 31 augustus 2021, met behoud van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

en

verlengt de aan Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering verleende machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 25 mei 2021 tot 31 augustus 201, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021 door mr. C.F. Mewe, mr. A.J. Japenga en mr. J.C. van Dries, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.