Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4916

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/09/598640 / HA ZA 20-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Uitleg testament

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Proces-verbaal

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/598640 / HA ZA 20-848

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 mei 2021

in de zaak van

[eiser] , te [plaats 1] , [land] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,

tegen

1 [gedaagde sub 1] , te [plaats 2] ,

2. [gedaagde sub 2], te [plaats 3] ,

3. [gedaagde sub 3], te [plaats 2] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté te Eindhoven.

Eiser wordt hierna [eiser] genoemd en gedaagden respectievelijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende een provisionele vordering ex artikel 223 Rv, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 24 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van 10 mei 2021. Verschenen zijn [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat en [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bijgestaan door hun advocaat voornoemd.

1.2.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Van het verhandelde ter zitting is apart proces-verbaal opgemaakt.

2 De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak

2.1.

wijst de vorderingen af;

2.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident

2.3.

wijst de vorderingen af;

2.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beoordeling

in de hoofdzaak

3.1.

Op [datum] 2020 is overleden de heer [de erflater] (hierna erflater). Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd. Hij had drie kinderen, [gedaagde sub 3] , [eiser] en [gedaagde sub 2] .

3.2.

Het gaat in deze procedure onder meer over de vraag wie de erven van erflater zijn. Volgens [eiser] is dit mogelijk ook [gedaagde sub 3] . Gelet hierop heeft [eiser] terecht [gedaagde sub 3] gedagvaard.

3.3.

Erflater heeft een testament nagelaten, gedateerd 14 februari 1991. In dit testament heeft hij [gedaagde sub 2] tot zijn enig erfgenaam en executeur benoemd. [gedaagde sub 2] heeft gedaagde onder één, [gedaagde sub 1] , gemachtigd om namens hem de executeurswerkzaamheden te verrichten.

3.4.

[eiser] vindt dat het testament van erflater moet worden uitgelegd en dat die uitleg als gevolg heeft dat hij enig dan wel mede erfgenaam van erflater is.

3.5.

Op basis van de wet behoeft een testament pas te worden uitgelegd als de bewoordingen van een testament onduidelijk zijn. Het hof Den Haag heeft geoordeeld (7 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:722) dat een testament dat bij het opstellen ervan duidelijk was, door latere ontwikkelingen alsnog onduidelijk kan worden en dan toch moet worden uitgelegd.

3.6.

Op zich is de tekst van het testament van erflater duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: [gedaagde sub 2] is de enige erfgenaam en executeur. [eiser] vindt echter dat latere ontwikkelingen het testament onduidelijk hebben gemaakt. Het is aan [eiser] die zich op de rechtsgevolgen hiervan beroept om dit te stellen en zo nodig te bewijzen.

Voor het antwoord op de vraag of zich ontwikkelingen hebben voorgedaan is van belang wat erflater in 1991 beoogd heeft te willen regelen na zijn overlijden. Ook op dit punt rusten de stelplicht en de bewijslast op [eiser] . Daarbij geldt voor hem als handicap dat er geen verklaring van erflater zelf voorhanden is waaruit volgt wat zijn reden was voor het benoemen van [gedaagde sub 2] als enig erfgenaam in 1991.

3.7.

[eiser] heeft gewezen op de omstandigheid dat hij in 1991 geen dan wel slecht contact met erflater had. Hij woonde toen in Oostenrijk. Volgens [eiser] was dit minder goede contact de reden om hem te onterven. Het contact tussen erflater en [eiser] was de laatste jaren voor de dood van erflater echter weer goed, terwijl erflater geen contact meer had met [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] . Erflater heeft ook aan het einde van zijn leven gezegd dat hij wilde dat [eiser] zijn erfgenaam werd. Omdat [eiser] toen goed contact had met erflater en [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] niet, bevestigt deze uitspraak van erflater volgens [eiser] dat het hebben van goed contact voor erflater aanleiding was om [gedaagde sub 2] in 1991 tot zijn erfgenaam te benoemen.

Omdat tussen [gedaagde sub 2] en erflater geen contact meer was maar [gedaagde sub 2] nog wel steeds als enig erfgenaam in het testament staat, heeft het testament van erflater geen duidelijke zin meer en is daarom onduidelijk geworden. Aldus is volgens [eiser] de ontwikkeling in de onderlinge verhouding tussen erflater en zijn kinderen een latere ontwikkeling die het testament onduidelijk maakt.

3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verhouding tussen erflater en [eiser] aan het einde van zijn leven goed was. Wel is in geschil of die onderlinge verhouding de reden was om [eiser] in 1991 te onterven. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] hebben verklaard dat erflater destijds met een andere reden [gedaagde sub 2] als enig erfgenaam in zijn testament heeft opgenomen: hij had een baan in de zorg en zou daardoor minder goed dan de twee anderen in de toekomst in staat zijn om een eigen huis te financieren. Erflater zou ook regelmatig tegen [gedaagde sub 3] hebben gezegd dat ze het toch niet erg vond dat [gedaagde sub 2] alles erfde zodat hij ook een huisje kon kopen en aan [gedaagde sub 2] hebben aangeboden voor andere huisvesting te zullen zorgen. Volgens [gedaagde sub 3] heeft erflater dit nog in 2015 tegen haar gezegd.

3.9.

Tegenover deze verklaring van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] heeft [eiser] onvoldoende feiten en of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] in 1991 is onterfd omdat de relatie tussen hem en erflater minder goed was in die periode. Bij dit oordeel weegt mee dat [eiser] geen verklaring heeft gegeven voor het onterven van [gedaagde sub 3] . Dat de relatie met [gedaagde sub 3] ook minder goed was in 1991, is bovendien gesteld noch gebleken. Tijdens de zitting heeft [gedaagde sub 3] nog gezegd dat ze contact had met vader in die periode. Hij is in die periode opa geworden.

3.10.

In het verlengde hiervan is ook niet komen vast te staan dat zich sinds 1991 ontwikkelingen hebben voorgedaan die het testament van erflater onduidelijk maken. Daarom behoeft het testament dan ook niet te worden uitgelegd.

3.11.

[eiser] heeft nog gesteld dat erflater in 2020 tegen zijn vriendin [A] en tegen [eiser] en zijn vrouw heeft gezegd dat hij [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] wilde onterven. Toen [eiser] hem daarop voorstelde dat alle kinderen gewoon zouden erven, zou erflater het hiermee eens zijn geweest. Erflater heeft echter noch het een noch het ander vastgelegd in een testament, waardoor hij niet op de in de wet voorgeschreven wijze zijn laatste wil kenbaar heeft gemaakt. Het wijzigen van een testament of herroepen van een laatste wil is alleen mogelijk door het laten opmaken van een ander testament of notariële akte. Dat heeft erflater niet gedaan, wellicht (zo suggereert [eiser] althans) omdat hij was vergeten dat hij ooit een testament had laten opstellen. De schoonzus van erflater heeft ook verklaard dat dit het geval is. Maar ook in zo een situatie moet de rechtbank op grond van de wet ervan uitgaan dat een gemaakt testament de laatste wil van erflater weergeeft en kan zij het testament niet terzijde schuiven op basis van de veronderstelling dat dit waarschijnlijk niet (meer) was wat erflater wilde.

3.12.

De door [eiser] overgelegde handgeschreven notitie maakt het oordeel van de rechtbank dat het testament uit 1991 rechtsgeldig is en niet hoeft te worden uitgelegd niet anders. Zelfs als erflater deze notitie (vlak) voor zijn dood heeft geschreven, blijkt hieruit niet dat hij hiermee de bedoeling had om zijn eerdere testament uit 1991 te wijzigen of zelfs helemaal opzij te schuiven. Voor zover de bedoeling van erflater wel uit de notitie zou blijken, voldoet de notitie niet aan de wettelijke vereisten die gelden voor het vastleggen van een laatste wil.

3.13.

[eiser] heeft wel recht op zijn legitieme portie. Ook op dit punt is de wet duidelijk. Erflater is overleden in 2020. Dit betekent dat het erfrecht van toepassing is dat nu geldt. En dit betekent weer dat [eiser] als legitimaris geen erfgenaam is en dat zijn legitieme portie gelijk is aan de helft van hetgeen hij zou hebben geërfd als hij niet onterfd was. In dit geval is dat 1/6e deel van de nalatenschap op het moment van overlijden van erflater.

3.14.

Deze procedure betreft een geschil in de familiesfeer. Dit vindt de rechtbank een reden om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat beide partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

in het incident

3.15.

De rechtbank wijst direct een eindvonnis. Gelet hierop hebben gedaagden geen belang meer bij hun vordering in het incident. Daarom heeft de rechtbank deze vordering afgewezen.

3.16.

Deze procedure betreft een geschil in de familiesfeer. Dit vindt de rechtbank een reden om ook de proceskosten in het incident te compenseren. Dat betekent dat beide partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. A.C. Bordes, rechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 12 mei 2021.

WAARVAN PROCES-VERBAAL