Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4912

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
SGR 20/181
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres verplicht de ZW-uitkering van ex-werknemer door te betalen. Niet in geschil is dat ex-werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen geen loonvormende arbeid had hervat en dat dus geen sprake is van een bevredigend resultaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende inspanningen gericht op de re-integratie in het zogenoemde eerste en tweede spoor zonder dat eiseres daarvoor een deugdelijke grond had. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken voldoende steun voor het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat in de FML van de bedrijfsarts van 26 maart 2018 wordt vastgesteld dat ex-werknemer benutbare mogelijkheden heeft en dat hij in staat zou moeten zijn om vier uur per dag en twintig uur per week arbeid te verrichten. Dit komt geheel overeen met hetgeen de verzekeringsarts in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling en in zijn FML van 13 februari 2018 heeft vastgesteld. Duidelijk is dat ex-werknemer, ook volgens de bedrijfsartsen, in de periode in geding beschikte over benutbare mogelijkheden. Reeds om die reden hadden op zijn minst enige re-integratie-inspanningen in het eerste dan wel het tweede spoor verricht moeten worden. Eiseres heeft in het geheel niet onderzocht of er re-integratiemogelijkheden waren binnen het eigen bedrijf. Verder heeft zij het tweede spoor veel te laat ingezet. Het gestelde misverstand met het coachingbureau komt namelijk voor rekening en risico van eiseres en het gestelde life-event is op geen enkele wijze toegelicht dan wel onderbouwd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eiseres aanvoert geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de rapportages van de arbeidsdeskundigen waarop verweerder de loonsanctie en het bestreden besluit heeft gebaseerd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres tekort is geschoten in de inspanningen die in redelijkheid van haar verwacht mochten worden om ex-werknemer te re-integreren.

De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat door de gewijzigde wetgeving inzake de pensioengerechtigde leeftijd, ten tijde van het opleggen van de loonsanctie niet meer van haar verwacht kon worden dat zij re-integratie-inspanningen verrichtte. De wetswijziging waar eiseres op doelt, gold nog niet ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit. Gelet hierop kon niet van verweerder verlangd worden dat bij het opleggen van de loonsanctie al rekening werd gehouden met deze wetswijziging.

Tot slot overweegt de rechtbank dat aan de IVA-uitkering die inmiddels aan ex-werknemer is toegekend niet de betekenis toekomt die eiseres hieraan gehecht zou willen zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen uit de toekenning van een IVA-uitkering aan een (ex-)werknemer geen conclusies worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/181


uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

Stichting NBD Biblion, te Zoetermeer, eiseres

(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.M. Snijders).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], te [woonplaats] , hierna ook: ex-werknemer

(gemachtigde: mr. M.H. Elshof).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres verplicht de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) van exwerknemer door te betalen tot 3 maart 2020.

Bij besluit van 25 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 juli 2020 heeft eiseres gereageerd op het verweerschrift en de gronden van haar beroep nader aangevuld.

Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 2 februari 2021. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 4 januari 2021 aangegeven van mening te zijn dat de zaak schriftelijk, en dus zonder zitting, afgedaan kan worden. Desgevraagd hebben verweerder en derde-partij eveneens toestemming verleend om de zaak schriftelijk af te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 17 maart 2021 gesloten.

Overwegingen

1.1

Ex-werknemer, geboren op 20 oktober 1953, was laatstelijk werkzaam als applicatiebeheerder/helpdeskmedewerker voor gemiddeld 28,74 uur per week bij eiseres. Op 7 maart 2017 is ex-werknemer uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege lichamelijke klachten. Op 1 mei 2017 is ex-werknemer ziek uit dienst gegaan. Eiseres is eigenrisicodrager voor de ZW. Naar aanleiding van de eerstejaars-ZW beoordeling is het recht op een ZW-uitkering onverminderd voortgezet, omdat werd geoordeeld dat exwerknemer op 6 maart 2018 niet meer dan 65% van het maatmanloon kon verdienen.

1.2

Op 3 december 2018 heeft ex-werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat eiseres niet voldoende heeft gedaan om ex-werknemer te reintegreren en dat eiseres daarom tot 3 maart 2020 de ZW-uitkering van ex-werknemer moet doorbetalen. De WIA-aanvraag is als gevolg hiervan niet behandeld. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op het rapport van zijn arbeidsdeskundige van 2 januari 2019. Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.3

Op 19 juni 2019 heeft eiseres verweerder verzocht de opgelegde loonsanctie te bekorten. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een arbeidsdeskundige de re-integratie-inspanningen van eiseres beoordeeld. Volgens deze arbeidsdeskundige heeft eiseres een deugdelijke grond om de re-integratieactiviteiten te staken, omdat ex-werknemer binnen één jaar de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken en als gevolg daarvan vrijgesteld is van reintegratieverplichtingen. Bij brief van 11 juli 2019 heeft verweerder ex-werknemer medegedeeld dat de loonsanctie van eiseres per 21 augustus 2019 eindigt en dat derhalve beoordeeld zal worden of ex-werknemer per deze datum in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 2 augustus 2019 met ingang van 21 augustus 2019 een loongerelateerde uitkering op grond van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten krachtens de Wet WIA aan ex-werknemer toegekend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat terecht een loonsanctie aan eiseres is opgelegd. Onder verwijzing naar de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) van 21 november 2019 handhaaft verweerder het standpunt dat de reintegratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Volgens verweerder is het onderzoek naar de mogelijkheden voor re-integratie in het eigen werk (het eerste spoor) en naar re-integratie in werk bij een andere werkgever (het tweede spoor) te laat opgestart. Eiseres heeft volgens verweerder geen deugdelijke grond voor dit verzuim. Op grond van de toen geldende wet- en regelgeving was ex-werknemer pas vanaf 20 juni 2019 vrijgesteld van zijn verplichting tot het verrichten van reintegratieactiviteiten. Volgens verweerder had eiseres dus tot 20 juni 2019 de mogelijkheid om het verzuim te herstellen.

3. Eiseres voert in beroep het volgende aan. Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat ex-werknemer als gevolg van de gewijzigde wetgeving met betrekking tot de pensioengerechtigde leeftijd achteraf gezien al per 20 februari 2019 vrijgesteld was van zijn re-integratieverplichtingen. Als gevolg van deze wetswijziging had, achteraf gezien, geen loonsanctie opgelegd mogen worden. Op grond van de ten tijde van de besluitvorming geldende wetgeving zou ex-werknemer vanaf 20 juni 2019 vrijgesteld zijn van zijn re-integratie-verplichtingen. In de periode tussen het einde van de wachttijd, 3 maart 2019, en 20 juni 2019 had eiseres de vermeende tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen niet kunnen herstellen en niet alsnog een bevredigend re-integratieresultaat kunnen bereiken. Daar had verweerder volgens eiseres rekening mee moeten houden bij de heroverweging. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de gestelde tekortkomingen in de reintegratie-inspanningen het opleggen van een loonsanctie redelijkerwijze niet rechtvaardigt, aangezien eiseres geen re-integratiekansen gemist heeft. In het eerste ziektejaar had ex-werknemer geen benutbare mogelijkheden. Toen ex-werknemer wel in staat werd geacht re-integratiewerkzaamheden te verrichten, werd door de arbeidsdeskundige van Solutions!-vpr echter aangegeven dat het zeer moeilijk zou worden om passend werk te vinden voor ex-werknemer. Eiseres erkent dat het tweede spoor te laat is ingezet, echter dit is volgens haar te wijten aan een misverstand. Volgens eiseres hadden bovendien de in de bezwaarfase naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder een ‘ingrijpend life event’ binnen het gezin van ex-werknemer, meegenomen moeten worden in de (her)beoordeling. Verweerder had moeten motiveren welk doel de loonsanctie dient, nu ex-werknemer vanaf 20 juni 2019 vrijgesteld was van het verrichten van re-integratie-activiteiten en verweerder uiteindelijk per 21 augustus 2019 aan hem een uitkering ingevolge de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) heeft toegekend. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd en gaat aan de redelijkheidstoets voorbij, aldus eiseres.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Voor (ex-)werknemers die na twee jaren ziekte een aanvraag op grond van de Wet WIA indienen, wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenaamde poortwachtertoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.

6. Ingevolge artikel 7:658a, eerste en tweede lid, van het BW is de werkgever verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de (ex-)werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever de inschakeling van de (ex-)werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt verweerder of de werkgever en (ex-)werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

7. In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is onder andere bepaald dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verweerder het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW (…) verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

8. Ingevolge artikel 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten, is de uitkeringsgerechtigde die de leeftijd heeft bereikt waarop hij binnen één jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, vrijgesteld van onder meer de sollicitatieplicht uit artikel 30 van de Wet WIA.

9. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (hierna: de Beleidsregels) heeft verweerder een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en (ex-)werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en
(ex-)werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de
(ex-)werknemer. Indien verweerder het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling in het bijzonder worden gekeken naar datgene wat door de werkgever en (ex-)werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien er geen bevredigend reintegratieresultaat is bereikt, maar verweerder de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is eveneens het geval als verweerder de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en (ex-)werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de (ex-)werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

10. Het besluit tot oplegging van de in geding zijnde loonsanctie is een door verweerder ambtshalve genomen besluit met een voor eiseres belastend karakter. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 dient verweerder aannemelijk te maken dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re‑integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Verweerder dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren.

11. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ex-werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen geen loonvormende arbeid had hervat. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Dit brengt mee dat verweerder kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende inspanningen gericht op de re-integratie in het zogenoemde eerste en tweede spoor zonder dat eiseres daarvoor een deugdelijke grond had.

12.1

Blijkens de zogenoemde Eerstejaarsevaluatie van 1 maart 2018 was ex-werknemer niet werkzaam en volgens de bedrijfsarts niet dan wel in zeer beperkte mate belastbaar. Op advies van de bedrijfsarts is ex-werknemer gestart met vrijwilligerswerk om zijn belastbaarheid op te bouwen. Op 26 maart 2018 heeft de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van ex-werknemer in kaart gebracht en geconcludeerd dat ex-werknemer in beperkte mate beschikt over duurzame benutbare mogelijkheden. Volgens de bedrijfsarts is ex-werknemer op basis van de aldus opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) belastbaar voor vier uur per dag respectievelijk twintig uur per week. Op 28 juni 2018 heeft een arbeidsdeskundige van Solutions!-vpr advies uitgebracht over de re-integratie-mogelijkheden van ex-werknemer. Deze arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat ex-werknemer niet in staat is om het eigen werk te verrichten, ook niet in aangepaste vorm, en dat er op dat moment in het bedrijf van eiseres ook geen geschikte functies voor ex-werknemer zijn. Volgens deze arbeidsdeskundige is ex-werknemer evenmin in staat om passende arbeid bij een andere werkgever te verrichten. Nu volgens de arbeidsdeskundige niet uitgesloten is dat ex-werknemer in de toekomst verder herstelt, adviseert hij om een re-integratiecoach in te schakelen om ex-werknemer te activeren en te ondersteunen in het vinden van toekomstig passend werk. Op 26 september 2018 heeft een bedrijfsarts van arbodienst ArdoSZ exwerknemer op het spreekuur gezien en geconcludeerd dat ex-werknemer over benutbare mogelijkheden beschikt en dat de FML van 26 maart 2018 nog altijd actueel is. Op 25 oktober 2018 is ex-werknemer aangemeld bij een re-integratiecoach. Blijkens het rapport van deze re-integratiecoach van 8 november 2018 bestaat de begeleiding van exwerknemer uit het zoeken naar passende mogelijkheden op het gebied van een arbeidsherstelplek of werkervaringsplaats. Uit de zogenoemde ‘Eindevaluatie van het plan van aanpak WIA’ van 22 november 2018 is het arbeidsdeskundig advies van
28 juni 2018 gevolgd en is op het moment van de evaluatie geen succesvolle werkhervatting bewerkstelligd. Ex-werknemer verricht twee keer drie uur per week vrijwilligerswerk en daarnaast is het tweede spoor ingezet.

12.2

Naar aanleiding van de WIA-aanvraag heeft de primaire arbeidsdeskundige de reintegratie-inspanningen van eiseres beoordeeld. In de rapportage van 2 januari 2019 concludeert de primaire arbeidsdeskundige dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn. Volgens de primaire arbeidsdeskundige is eiseres te laat gestart met reintegratiebegeleiding in het tweede spoor en heeft zij ten onrechte niet gekeken naar de re-integratiemogelijkheden in het eerste spoor. Ten tijde van de eerstejaarsevaluatie waren er re-integratiemogelijkheden, echter is pas in november 2018 het tweede spoor ingezet. Verder is eiseres er ten onrechte de gehele ziekteperiode van uitgegaan dat exwerknemer geen dan wel marginale arbeidsmogelijkheden had op basis van het advies van de bedrijfsarts van 19 januari 2018 en het arbeidsdeskundig advies van de arbeidsdeskundige van Solutions!-vpr van 28 juni 2018. Eiseres had volgens de primaire arbeidsdeskundige uit moeten gaan van de FML van de bedrijfsarts van 26 maart 2018 en de FML van de primaire verzekeringsarts van 13 februari 2018, waaruit blijkt dat exwerknemer wel functionele mogelijkheden heeft. De primaire arbeidsdeskundige concludeert dan ook dat eiseres geen deugdelijke grond heeft voor het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen en dat eiseres daarom alsnog de mogelijkheden binnen het eigen bedrijf dan wel buiten het eigen bedrijf dient te onderzoeken.

12.3

De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapport van 21 november 2019 het standpunt van de primaire arbeidsdeskundige onderschreven en eveneens geconcludeerd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht heeft zonder daar een deugdelijke grond voor te hebben. Volgens de arbeidsdeskundige b&b is verweerder er terecht van uitgegaan dat ex-werknemer pas vanaf 20 juni 2019 vrijgesteld zou worden van zijn reintegratieverplichtingen. Dit betekent dat eiseres tot 20 juni 2019 de gelegenheid had om de geconstateerde tekortkomingen in het re-integratietraject te herstellen. Eiseres had direct nadat ex-werknemer belastbaar werd geacht op 26 maart 2018 moeten starten met het tweede spoor, aldus de arbeidsdeskundige b&b. Re-integratie-activiteiten in het tweede spoor kunnen na de Eerstejaarsevaluatie enkel achterwege blijven als er binnen drie maanden een concreet perspectief is op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie in eigen, aangepast of ander werk dat zo veel mogelijk aansluit bij de functionele mogelijkheden. Een dergelijk concreet perspectief was er in dit geval niet, hetgeen volgens de arbeidsdeskundige b&b betekent dat het tweede spoor tijdig ingezet had moeten worden. Volgens de arbeidsdeskundige b&b is het gebrek aan voldoende re-integratie-inspanningen eiseres aan te rekenen, nu een werkgever verantwoordelijk is voor het handelen of nalaten van de door hem ingeschakelde partijen.

13.1

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken voldoende steun voor het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat in de FML van de bedrijfsarts van 26 maart 2018 wordt vastgesteld dat ex-werknemer benutbare mogelijkheden heeft en dat hij in staat zou moeten zijn om vier uur per dag en twintig uur per week arbeid te verrichten. Dit komt geheel overeen met hetgeen de verzekeringsarts in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling en in zijn FML van 13 februari 2018 heeft vastgesteld. Daarnaast heeft een bedrijfsarts van arbodienst ArdoSZ in de rapportage van 26 september 2018 geconcludeerd dat de FML van 26 maart 2018 nog steeds actueel is.

13.2

Het is vaste rechtspraak van de CRvB2 dat ook als de arbeidsmogelijkheden beperkt worden ingeschat, maar er strikt genomen geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, van een werkgever gevergd kan worden dat hij in enige mate re‑integratie‑inspanningen verricht. Uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie. Een complexe en onzekere medische toestand levert voor de werkgever geen deugdelijke grond op om re-integratieactiviteiten achterwege te laten.

13.3

Duidelijk is dat ex-werknemer, ook volgens de bedrijfsartsen, in de periode in geding beschikte over benutbare mogelijkheden. Reeds om die reden hadden op zijn minst enige re-integratie-inspanningen in het eerste dan wel het tweede spoor verricht moeten worden. Dat de arbeidsdeskundige van Solutions!-vpr in de rapportage van 28 juni 2018 geconcludeerd heeft dat ex-werknemer niet in staat is om het eigen werk te vervullen, ook niet in aangepaste vorm, en dat eiseres op dat moment geen passend werk kan bieden, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze arbeidsdeskundige geeft immers zelf aan dat sprake is van een momentopname en heeft eiseres daarom geadviseerd om nieuwe vacatures in de gaten te houden en te onderzoeken en beoordelen of deze werkzaamheden geschikt zijn voor ex-werknemer. Daarnaast heeft deze arbeidsdeskundige eiseres geadviseerd om een re-integratiecoach in te schakelen om ex-werknemer te activeren en te ondersteunen in het vinden van toekomstig passend werk. Eiseres heeft het advies van deze deskundige wat betreft het eerste spoor echter niet opgevolgd en in het geheel niet meer onderzocht of er re-integratiemogelijkheden waren binnen het eigen bedrijf. Verder heeft eiseres het tweede spoor veel te laat ingezet. Pas in oktober respectievelijk november 2018 is immers een re-integratietraject gestart bestaande uit het ‘sollicitatieklaar’ maken van ex-werknemer en uit coaching en activering. Dat het tweede spoor te laat is ingezet, wordt door eiseres ook erkend in het aanvullende beroepschrift van 2 maart 2020. De redenen die eiseres voor de vertraging in het opstarten van het tweede spoor aanvoert, namelijk een misverstand met het externe coachingbureau en een ingrijpend life-event bij ex-werknemer, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat hiervoor een deugdelijke grond bestond als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Het gestelde misverstand met het coachingbureau komt namelijk voor rekening en risico van eiseres en het gestelde life-event is op geen enkele wijze toegelicht dan wel onderbouwd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eiseres aanvoert geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de rapportages van de arbeidsdeskundigen waarop verweerder de loonsanctie en het bestreden besluit heeft gebaseerd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres tekort is geschoten in de inspanningen die in redelijkheid van haar verwacht mochten worden om ex-werknemer te re-integreren.

14. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat door de gewijzigde wetgeving inzake de pensioengerechtigde leeftijd, ten tijde van het opleggen van de loonsanctie niet meer van haar verwacht kon worden dat zij re-integratie-inspanningen verrichtte. De wetswijziging waar eiseres op doelt, de inwerkingtreding van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd, is op 1 januari 2020 in werking getreden3 en gold dus nog niet ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit. De rechtbank acht het redelijk dat verweerder vanaf 5 juli 2019, de datum van de publicatie van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd in het Staatsblad, is gaan anticiperen op de op handen zijnde wijziging van artikel 7a van de Algemene ouderdomswet. Gelet hierop kon niet van verweerder verlangd worden dat bij het opleggen van de loonsanctie al rekening werd gehouden met deze wetswijziging. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht heeft aangenomen dat ex-werknemer op basis van de wet- en regelgeving die op het moment van het opleggen van de loonsanctie gold, op 20 juni 2020 de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Als gevolg hiervan diende eiseres tot 20 juni 2019 re-integratie-inspanningen te verrichten. Dat tussen het einde van de wachttijd op 3 maart 2019 en 20 juni 2019 nog maar een relatief korte periode gelegen was, doet hier niet aan af. De rechtbank ziet in die enkele omstandigheid geen aanleiding om te oordelen dat het niet langer redelijk was om van eiseres te verlangen dat zij de geconstateerde gebreken in de re-integratie zou trachten te herstellen. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat uit vaste rechtspraak volgt dat sprake is van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting, aangezien een positief resultaat op voorhand niet hoeft vast te staan.4

15. Tot slot overweegt de rechtbank dat aan de IVA-uitkering die inmiddels aan ex-werknemer is toegekend niet de betekenis toekomt die eiseres hieraan gehecht zou willen zien. Volgens vaste rechtspraak5 kunnen uit de toekenning van een IVA-uitkering aan een (ex-)werknemer geen conclusies worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan. De toekenning van een dergelijke uitkering heeft achteraf plaatsgevonden op basis van andere beoordelings-maatstaven dan aan de orde zijn in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever.

16. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzitter, en mr. O.M. Harms en
mr. J.C.A. de Poorter, leden, in aanwezigheid vanmr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit is een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:94, en 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.

3 Zie Stb. 2019, 246.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:94.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:163.