Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4886

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/09/598135 / JE RK 20-1977
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/598135 / JE RK 20-1977

Datum uitspraak: 15 april 2021

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 20 augustus 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] hierna te noemen: de vader,

BRP-geregistreerd briefadres te [plaats] en thans verblijvende in Nederland op een voor de rechtbank onbekend adres,

bijgestaan door advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum, gevestigd te Den Haag,

en

[de vrouw] hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats]

bijgestaan door advocaat: S.M. Hoogenraad, gevestigd te Den Haag.

Het procesverloop

Bij beschikking van 1 september 2020, bij beschikking van 1 december 2020 en het proces-verbaal van 24 maart 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van te ondertoezichtstelling, te weten tot 12 september 2021, aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- de voornoemde (tussen)beschikkingen van 1 september 2020 en 1 december 2020;

- het proces-verbaal van 24 maart 2021.

Op 15 april 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [vertegenwoordigers van de GI] , namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. De zorgen over [minderjarige] zijn de afgelopen tijd toegenomen. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Er is geen zicht op de thuissituatie en de moeder werkt niet mee aan de hulpverlening. De hulpverlening heeft om die reden de zaak ook afgesloten. De vader en de moeder bieden [minderjarige] onvoldoende structuur en veiligheid. Hij heeft een gameverslaving ontwikkeld en er zijn zorgen over zijn schoolgang. Er zijn voorts zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft weinig tot geen contact met leeftijdsgenoten en lijkt in een sociaal isolement te leven. Tot op heden is het nog niet gelukt een passende plek voor [minderjarige] te vinden, omdat de vader en de moeder geen emotionele toestemming geven voor het verblijf van [minderjarige] elders. Gebrek aan instemming van de ouders wordt door instellingen als een contra-indicatie gezien, aangezien [minderjarige] als gevolg daarvan in een loyaliteitsconflict terecht kan komen. Gelet op de toenemende zorgen is de gecertificeerde instelling echter van mening dat een uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk is en niet langer uitgesteld kan worden. Onderzoek naar de thuissituatie van de vader in Londen heeft geen informatie opgeleverd. De vader heeft aan de jeugdbeschermer geen informatie willen verstrekken over zijn situatie in Nederland. De jeugdbeschermer zegt ter zitting toe onderzoek naar de thuissituatie bij de vader in Nederland op te pakken. De zorgen over [minderjarige] en de onzekerheid over zijn woonsituatie zijn echter van dusdanige omvang dat aanhouden van het verzoek niet in zijn belang is. Het te verrichten onderzoek kan plaatsvinden gedurende een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling verklaard dat op basis van het advies vanuit het Expertiseteam, thans gedacht wordt aan een crisis pleeggezin of een logeerhuis waar hij de structuur en stabiliteit kan krijgen die hij nodig heeft.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. [minderjarige] verblijft thans bij haar thuis en de zorgen zijn de afgelopen periode afgenomen. [minderjarige] gaat naar school, haalt goede cijfers en hij krijgt goed te eten. Daar komt bij dat het onjuist is dat er geen zicht op [minderjarige] verkregen kan worden. De gecertificeerde instelling heeft daartoe onvoldoende moeite gedaan. De moeder is meer dan bereid aan alle geboden hulpverlening mee te werken. Bovendien heeft zij de maatregelen vanuit de overheid opgevolgd rondom het coronavirus en daardoor is er vorig jaar weinig hulpverlening over de vloer geweest. Dit valt haar niet te verwijten. De moeder en [minderjarige] zijn erg hecht en een uithuisplaatsing is traumatisch voor hem en daarmee schadelijk voor zijn ontwikkeling. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.

Door en namens de vader is eveneens verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader blijft bij het standpunt dat [minderjarige] bij de moeder moet blijven wonen. Als de rechtbank dit standpunt niet volgt, dan moet [minderjarige] bij hem komen wonen. [minderjarige] wil graag bij zijn moeder blijven en de vader steunt hem daarin. De vader is daarnaast ook in staat [minderjarige] een veilige opvoedomgeving te bieden. De vader is docent en weet hoe hij met kinderen moet omgaan. Ook gaat hij met [minderjarige] op bezoek bij familie en kennissen en helpt hij [minderjarige] bij zijn schoolwerk. De samenwerking met de gecertificeerde instelling verloopt niet goed en de jeugdbeschermer heeft onvoldoende ondernomen om zijn woonsituatie in Londen en thans in Nederland te onderzoeken. De vader is van mening dat zijn woonsituatie in Nederland de komende periode onderzocht dient te worden. In afwachting van dit onderzoek bepleit de vader voor aanhouding van het verzoek.

Beoordeling

Op grond van artikel 265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De rechtbank begrijpt op basis van de ter zitting voorgestelde plaatsing bij een crisis pleeggezin of een logeerhuis dat de gecertificeerde instelling de rechtbank verzoekt om een machtiging uithuisplaatsing in de categorie van een voorziening voor pleegzorg dan wel van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

De rechtbank is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] is en dat bij het uitblijven van deze machtiging de veiligheid in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] onvoldoende is gewaarborgd. De zorgen over de opvoedomgeving van [minderjarige] bij de moeder bestaan al geruime tijd. Herhaaldelijk is geoordeeld, zowel door de rechtbank als in hoger beroep, dat de ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder ernstig wordt bedreigd. In 2019 is geoordeeld dat de thuissituatie dermate onveilig was dat [minderjarige] uit huis werd geplaatst. Deze uithuisplaatsing heeft [minderjarige] als traumatisch ervaren en bij beschikking van 19 december 2019 is in verband daarmee de verlenging tot machtiging uithuisplaatsing afgewezen. [minderjarige] werd weer thuisgeplaatst onder de voorwaarde dat de moeder zou meewerken aan de hulpverlening vanuit 10 voor toekomst. Dit traject is op 23 oktober 2020 beëindigd door 10 voor toekomst, omdat het niet is gelukt met de moeder aan de gestelde doelen te werken. De moeder zégt wel dat zij voldoende medewerking verleent, maar dat is niet te zien aan de handelingen en acties van de moeder. De moeder geeft ter zitting aan dat zij de hulpverlening vorig jaar buiten de deur heeft gehouden, omdat het in strijd zou zijn met de maatregelen van de overheid in verband het met coronavirus. De gecertificeerde instelling en de hulpverleners van Tien voor Toekomst kennen de regels en richtlijnen van het RIVM ook en hebben die in hun werkwijze geïncorporeerd. De moeder had erop mogen en moeten vertrouwen dat hulpverlening in overeenstemming met de richtlijnen zou worden aangeboden. Het lijkt er echter op dat zij de crisismaatregel heeft aangewend om [minderjarige] aan het zicht en aan de hulpverlening te onttrekken. Het voor het raam houden van [minderjarige] , zodat de gecertificeerde instelling hem kon zien, kan naar het oordeel van de rechtbank moeilijk als ‘het bieden van zicht op [minderjarige] ’s ontwikkeling’ worden aangemerkt. Ook de gesprekken tussen [minderjarige] en de schoolmaatschappelijk werker zijn niet van de grond gekomen. De school heeft laten weten dat het tot op heden niet is gelukt, vanwege de lockdown, maar ook vanwege het ontbreken van een akkoord van de ouders dat de school met [minderjarige] in gesprek kon. Aldus is er momenteel nog steeds geen zicht op de thuissituatie en op de ontwikkeling van [minderjarige] . De rechtbank ziet de liefde en inzet van de vader en de moeder, maar desondanks zijn er nog steeds grote zorgen over zijn sociale en cognitieve ontwikkeling. Hij lijkt voor een groot gedeelte nog geïsoleerd te zijn van de buitenwereld, waardoor hij niet toekomt aan een leeftijdsadequate ontwikkeling. De beschermende rol van de ouders belemmert [minderjarige] in zijn verdere ontwikkeling. Het is bovendien niet gelukt de zorgen af te doen nemen binnen het kader van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van de opvoedomgeving bij de vader in Nederland en het onderzoek daarnaar, is de rechtbank van oordeel dat dit op een korte termijn dient plaats te vinden. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling verklaard onderzoek te doen naar de thuissituatie van de vader. Het is echter onduidelijk hoelang dit onderzoek zal duren. De vader heeft tot op heden de samenwerking met de gecertificeerde instelling niet opgezocht om een plan te maken voor [minderjarige] . Ook heeft de vader nog geen vaste woonplek in Nederland waar [minderjarige] kan verblijven. Aanhouding in afwachting van onderzoek naar de thuissituatie van de vader in Nederland is dan ook niet in het belang van [minderjarige] . Hij verkeert al een lange tijd in onzekerheid over zijn woonsituatie. De rechtbank acht het in zijn belang dat nu duidelijkheid komt voor [minderjarige] en zicht op zijn ontwikkeling. De rechtbank heeft daarbij gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] voorkeur voor een plaatsing in een (crisis)pleeggezin.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 15 april 2021 tot 12 september 2021, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2021 door mr. E.M.M. Engbers, mr. C.F. Mewe en mr. E.C.M. Bouman, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.