Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4885

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
C/09/595866 / FA RK 20-4452
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene, aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling was opgelegd, verbleef met een transmuraal verlofkader op de Forensisch Psychiatrische Afdeling van de zorgaanbieder. Betrokkene heeft op grond van artikel 10:3 Wvggz een klacht ingediend tegen een aantal beslissingen van de behandelaar om zijn bewegingsvrijheid te beperken. De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard. De zorgaanbieder heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank concludeert dat de klacht van betrokkene ziet op beslissingen van de zorgaanbieder op grond van artikel 50 lid 3 Beginselenwet ter beschikking gestelden (Bvt), te weten het intrekken van verlof wegens het niet nakomen van de transmurale verlofvoorwaarden door betrokkene. Eventuele klachten over het intrekken van verlof dienen op grond van artikel 56 Bvt ingediend te worden bij de beklagcommissie. Hieruit volgt dat de klachtencommissie niet bevoegd was om deze klacht van betrokkene in behandeling te nemen en zich onbevoegd had moeten verklaren. Het beroep van de zorgaanbieder is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden beslissing van de klachtencommissie en verklaart de klachtencommissie onbevoegd om kennis te nemen van de klacht van betrokkene en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Zaak-/rekestnummer: C/09/595866 / FA RK 20-4452

Datum beschikking: 15 april 2021

Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Beschikking op het op 7 juli 2020 ingediende verzoekschrift van:

Fivoor,

hierna te noemen: Fivoor,

gevestigd te Rhoon,

ter verkrijging van een beslissing over een klacht van

[de man] geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: voorheen mr. J. Gravensteijn, thans mr. C. Stroobach;

ingediend bij de klachtencommissie op 11 mei 2020 (hierna: de klachtencommissie).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- betrokkene.

Feiten en procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift met bijlagen.

In 2004 is de terbeschikkingstelling van betrokkene gelast en is daarbij zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen. Deze maatregel is laatstelijk op 16 maart 2020 verlengd.

Vanaf 14 mei 2018 verbleef betrokkene met een transmuraal verlofkader op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) Den Haag van Fivoor. Fivoor voerde het verlofkader uit namens het Forensisch Psychiatrisch Centrum (hierna: FPC) Pompestichting.

Op 20 januari 2020 is betrokkene doorgestroomd naar unit 5 binnen de FPA Den Haag. Zijn verlof bevond zich in fase 5B van het verlofbeleid Overige Forensische Zorg (hierna: OFZ). Vanaf maart 2020 was deze situatie in die zin gewijzigd dat voor alle personen die in de FPA Den Haag verbleven, als gevolg van de maatregelen inzake Covid-19, gold dat zij slechts begeleide bewegingsvrijheid op het terrein rond de kliniek hadden (fase 1 van het verlofbeleid OFZ).

Betrokkene heeft bij brief van 11 mei 2020 bij de Wvggz klachtencommissie van FPA Den Haag (hierna: de klachtencommissie) een klacht ingediend tegen:

  • -

    de beslissing van de behandelaar om van 18 maart tot 24 maart 2020 zijn bewegingsvrijheid te beperken;

  • -

    de beslissing van de behandelaar om van 29 april tot 4 mei 2020 zijn bewegingsvrijheid te beperken;

  • -

    de beslissing van de behandelaar van 11 mei 2020 om zijn bewegingsvrijheid te beperken omdat hij niet bij de dagopening aanwezig was.

Betrokkene heeft tevens verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 10:11, eerste lid, Wvggz. Bij brief van 18 mei 2020 heeft hij het verzoek tot schadevergoeding onderbouwd.

Fivoor heeft op 20 mei 2020 een reactie op de klacht ingediend bij de klachtencommissie.

De klacht is door de klachtencommissie behandeld op 28 mei 2020. De klachtencommissie heeft op 5 juni 2020 de klacht gegrond verklaard.

Fivoor heeft bij verzoekschrift van 7 juli 2020 de rechtbank verzocht de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen en betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht van 11 mei 2020, althans deze klacht ongegrond te verklaren.

De klachtencommissie heeft op 10 juli 2020 het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Op 21 juli 2020 is het verzoekschrift van Fivoor ter zitting van deze rechtbank behandeld door mr. E.M.M. Engbers als rechter-commissaris. De behandeling van het verzoek is daarbij aangehouden en verwezen naar een nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer. Van de behandeling ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Betrokkene verblijft sinds 22 maart 2021 weer in FPC Pompestichting te Nijmegen.

De behandeling van het verzoekschrift is op 1 april 2021 voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer. Bij die gelegenheid zijn de navolgende personen gehoord:

- [vertegenwoordigers] namens Fivoor;

- betrokkene;

- mr. G. Onnink, waarnemend voor de advocaat van betrokkene;

- mr. J. Eelman, officier van justitie, als informant.

Verzoek en verweer

Fivoor stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de klachtencommissie dient te worden vernietigd en dat betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht van 11 mei 2020, dan wel dat deze klacht ongegrond dient te worden verklaard. Hiertoe stelt Fivoor – kort en zakelijk weergegeven – dat de klachtencommissie de klachten van betrokkene ten onrechte onder artikel 9:9 Wvggz heeft geschaard. Immers, de maatregelen waartegen betrokkene de klacht heeft ingediend, zien niet op de vorm van verplichte zorg “beperken van de bewegingsvrijheid in en rond de accommodatie” op grond van de Wvggz. Gelet op het feit dat betrokkene een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft en met een transmuraal verlofkader op de FPA Den Haag verblijft, zien de bestreden maatregelen op het transmurale verlofkader en de daaraan verbonden verlofvoorwaarden die gelden ten aanzien van betrokkene, aldus Fivoor.

Betrokkene voert verweer. Ter zitting heeft betrokkene meegedeeld dat op 31 augustus 2020 pro-forma beroep bij de rechtbank is ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie inzake de schadevergoeding.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt allereerst vast dat Fivoor ontvankelijk is in het verzoek, aangezien het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.

Juridisch kader

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

Op grond van artikel 9:1, lid 1, Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), wordt een persoon die in een accommodatie verblijft en aan wie tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd, voor de toepassing van de Wvggz vanaf het moment van opname in de accommodatie aangemerkt als betrokkene aan wie op grond van een zorgmachtiging verplichte zorg strekkende tot opname wordt verleend. Ten aanzien van deze persoon is voor zijn verblijf in de accommodatie en de behandeling van zijn psychische stoornis het bepaalde in hoofdstuk 9 Wvggz van toepassing.

Op grond van artikel 9:9, lid 3, Wvggz kunnen beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond de accommodatie door de zorgverantwoordelijke worden opgelegd indien (a) naar het oordeel van de zorgverantwoordelijke van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van betrokkene, dan wel (b) dit ter voorkoming van verstoring van de orde of voor de veiligheid in de accommodatie, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.

Op grond van artikel 10:3 Wvggz kan een schriftelijke en gemotiveerde klacht worden ingediend bij de klachtencommissie over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van – onder meer – artikel 9:9 Wvggz.

Beginselenwet ter beschikking gestelden

Op grond van artikel 50 lid 3 Beginselenwet ter beschikking gestelden (hierna: Bvt) kan het hoofd van de instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden het verlof intrekken, indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen of indien de ter beschikking gestelde een bepaalde voorwaarde niet nakomt.

Uit de door Fivoor overgelegde “verlofvoorwaarden vanuit evaluatie transmuraal verlof door FPC Pompestichting, box 5 aanvraag verlofmodaliteit en (proef)verlofplan, 5.3 verlofgerelateerd risicomanagement, waaronder verlofvoorwaarden” volgt dat aan een verlof van betrokkene meerdere voorwaarden worden gesteld waaronder de voorwaarden dat betrokkene zich onthoudt van alcohol en drugs en meewerkt aan urinecontroles en blaastesten, als ook dat hij zich betrouwbaar opstelt in zijn gedrag en zich aan de kliniek- en afdelingsregels houdt.

Op grond van artikel 56 Bvt kan een betrokkene bij de beklagcommissie beklag doen over de intrekking van verlof als bedoeld in artikel 50, derde lid Bvt, indien het verlof op het moment dat het wordt ingetrokken een aaneengesloten periode van meer dan een week heeft geduurd.

Overwegingen

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of in deze zaak de Wvggz dan wel de Bvt van toepassing is, anders gezegd of de beslissingen van de behandelaar van betrokkene om van 18 maart tot 24 maart 2020, van 29 april tot 4 mei 2020 en op 11 mei de bewegingsvrijheid van betrokkene te beperken gestoeld zijn op artikel 9:9 Wvggz dan wel samenhangen met de verlofvoorwaarden behorend bij het transmurale verlofkader van betrokkene op grond van artikel 50 lid 3 Bvt.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissingen van de behandelaar samenhangen met de verlofvoorwaarden behorend bij het transmurale verlofkader en overweegt daartoe het volgende.

In 2004 is de terbeschikkingstelling van betrokkene gelast en is daarbij zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen. Deze maatregel is laatstelijk op 16 maart 2020 verlengd. De vrijheidsbeneming van betrokkene vindt derhalve plaats op basis van deze strafrechtelijke titel. Aan de maatregel wordt uitvoering gegeven onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid. FPC Pompestichting is verantwoordelijk voor de behandeling en heeft voor betrokkene conform artikel 50 Bvt en de Verlofregeling Tbs een machtiging van de Minister verkregen voor een transmuraal verlofkader met onbegeleide vrijheden. FPA Den Haag van Fivoor voert het transmurale verlofkader namens het FPC uit.

De rechtbank stelt vast dat de voorwaarden voor het transmurale verlofkader van kracht zijn ongeacht de fase van verlof waarin een betrokkene zich op basis van het verlofbeleid OFZ bevindt. De transmurale verlofvoorwaarden maken deel uit van het risicomanagement in het kader van de opgelegde Tbs-maatregel en beogen te waarborgen dat de Tbs-gestelde op een veilige manier wordt voorbereid op zijn terugkeer in de maatschappij. Wanneer de betrokkene zich niet houdt aan één of meer van deze transmurale verlofvoorwaarden kan de behandelaar geen inschatting maken of de voorbereiding op de beoogde terugkeer in de maatschappij op een veilige en verantwoorde manier kan plaatsvinden en zal de behandelaar het niet verantwoord vinden dat betrokkene op verlof gaat.

In de onderhavige zaak is niet weersproken dat betrokkene zich niet aan de transmurale verlofvoorwaarden heeft gehouden. Hij heeft niet tijdig meegewerkt aan urinecontroles en heeft zich niet gemeld voor de dagopening, zodat het niet mogelijk was om een goede inschatting te maken om of het verantwoord was op verlof te gaan. Om die reden werd besloten dat de geplande verloven van betrokkene geen doorgang konden vinden. Als gevolg van deze beslissingen werd betrokkene teruggezet in verloffase 0 van het Verlofbeleid OFZ.

De praktische consequentie was dat betrokkene vanwege de Covid-19 maatregelen alleen nog bewegingsvrijheid binnen zijn unit had. De rechtbank begrijpt dat dit voor betrokkene zwaar moet zijn geweest, te meer nu zijn unit niet over luchtmogelijkheden als een binnentuin of terras beschikte. Dit kan echter niet tot een ander oordeel leiden.

Nu de beslissingen van de behandelaar naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd zijn op de verlofwaarden behorend bij het transmuraal verlofkader en niet op artikel 9:9 Wvggz, is het klachtrecht op grond van de Wvggz evenmin van toepassing.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de klacht van betrokkene ziet op beslissingen van Fivoor op grond van artikel 50 lid 3 Bvt, te weten het intrekken van verlof wegens het niet nakomen van de transmurale verlofvoorwaarden door betrokkene. Eventuele klachten over het intrekken van verlof dienen op grond van artikel 56 Bvt ingediend te worden bij de beklagcommissie. Hieruit volgt dat de klachtencommissie niet bevoegd was om deze klacht van betrokkene in behandeling te nemen en zich onbevoegd had moeten verklaren. Het beroep van Fivoor is dan ook gegrond. De rechtbank zal de door Fivoor bestreden beslissing van de klachtencommissie van 5 juni 2020 vernietigen. Om proceseconomische redenen ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing, hetgeen in dit geval dus inhoudt dat de klachtencommissie onbevoegd wordt verklaard om kennis te nemen van de klacht van betrokkene van 11 mei 2020.

Schadevergoeding

Ter zitting heeft betrokkene meegedeeld dat op 31 augustus 2020 pro-forma beroep is ingesteld tegen de beslissing van de klachtencommissie van 10 juli 2020 tot afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding en dat tevens om schadevergoeding op grond van artikel 10:11 Wvggz is verzocht. Een kopie van het verzoek is ter zitting aan de griffier overhandigd. Daargelaten de vraag of op enige wijze tijdig beroep is ingediend, hetgeen de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen, wijst de rechtbank het pro-forma beroep en het verzoek met betrekking tot de schadevergoeding af nu de beslissing van de klachtencommissie wordt vernietigd en deze onbevoegd wordt verklaard kennis te nemen van de klacht van betrokkene.

Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep van Fivoor gegrond;

vernietigt de bestreden beslissing van de klachtencommissie van 5 juni 2020;

verklaart de klachtencommissie onbevoegd om kennis te nemen van het klaagschrift van betrokkene van 11 mei 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.C.M. Bouman, voorzitter, E.M.M. Engbers, oudste rechter en C.M. van der Kleijn, jongste rechter, bijgestaan door mr. T.M.M.P. Westbroek als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2021. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 april 2021.

De voorzitter en de jongste rechter, alsmede de griffier zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.