Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4875

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
NL21.5969
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

identiteit, nationaliteit en herkomst niet aangetoond, waardoor het asielrelaas inhoudelijk niet beoordeeld kan worden, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5969


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , alias [alias] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).


Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.5970, plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. als tolk is verschenen P. Kuijpers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser stelt dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en heeft als zijn identiteit verschillende namen en geboortedata opgegeven. In Nederland heeft hij verklaard [eiser] te heten en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1994 in Gambia. Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser in Duitsland staat geregistreerd als [alias] , geboren op [geboortedag 2] 1994 in Senegal.

Eiser heeft asiel gevraagd omdat zijn baas hem heeft aangegeven bij de politie nadat eiser geld zou hebben gestolen. Eiser is hierdoor vastgezet en tijdens zijn detentie mishandeld en gemarteld. Via borg is hij vrijgelaten en kort daarna heeft hij Gambia verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor een lange gevangenisstraf en verdere marteling.

2. Verweerder heeft de nationaliteit, identiteit en herkomst ongeloofwaardig geacht. Aangezien de asielmotieven alleen betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, wordt het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld nu dit ongeloofwaardig wordt geacht. Verweerder stelt dat eiser hem heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser voert aan dat hij wel degelijk met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat hij uit Gambia komt en bij terugkeer een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM1. De twijfel die verweerder heeft over zijn personalia is niet gerechtvaardigd, aangezien het aannemelijk is dat eiser in paniek de documenten is vergeten toen hij vluchtte en eiser in Duitsland vreesde automatisch terug te worden gestuurd naar Gambia. In beroep heeft eiser kopieën van documenten overgelegd om alsnog zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aan te tonen, namelijk een schoolverklaring, een geboorteakte en een identiteitskaart van zijn moeder.

Verweerder had het asielrelaas van eiser dan ook inhoudelijk moeten beoordelen en er is ten onrechte een inreisverbod opgelegd.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.

5. Op de specifieke argumenten van partijen gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Verzoek tot aanhouding zitting

6.1

Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht om, in afwachting van de originele documenten die op 12 mei 2021 bij eiser aankomen, deze zitting aan te houden. Eiser wil de originele documenten overdragen aan verweerder, zodat ze in onderhavige procedure onderzocht en betrokken kunnen worden. Namens verweerder is hierop gereageerd dat geen aanleiding wordt gezien om op de originele documenten te wachten, aangezien niet is onderbouwd wanneer de originele documenten in het bezit van eiser zullen zijn, eiser geen inzicht heeft gegeven hoe hij deze documenten heeft verkregen en omdat eiser met zijn verklaringen twijfel heeft gezaaid over het wel of niet kunnen verkrijgen van originele documenten om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen.

De rechtbank volgt verweerder hierin en ziet gezien de datum van eisers asielaanvraag en het tijdsverloop sindsdien niet in waarom de originele documenten niet eerder overlegd hadden kunnen worden. Zodra eiser de originele documenten heeft ontvangen, kan hij opnieuw een asielaanvraag indienen en de documenten alsnog aan verweerder aanbieden voor onderzoek door Bureau Documenten.

Nationaliteit, identiteit en herkomst

6.2

De rechtbank overweegt dat eiser geen originele documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en herkomst aan te tonen. De stukken die in beroep zijn overgelegd tonen dit eveneens niet aan. Zo is de overgelegde schoolverklaring geen identificerend document, aangezien het stuk geen pasfoto bevat, en ter zitting is verklaard dat de identiteitskaart van de moeder enkel in kopie kan worden overgelegd zonder een ander stuk waaruit de familieband blijkt, waardoor aan deze documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser eraan wenst te hechten. Nu eiser daarnaast niet heeft onderbouwd op basis van welke stukken de geboorteakte is opgemaakt, geldt dit ook voor de geboorteakte. Verweerder heeft terecht gesteld dat nu eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet kan aantonen met documenten, hij deze aannemelijk moet maken met zijn verklaringen. Verweerder heeft kunnen stellen dat eiser daarin eveneens niet is geslaagd. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Nederland de juiste persoonsgegevens heeft opgegeven, maar stelt hij in de zienwijze dat zijn geboortedatum en naam in Duitsland goed zijn doorgegeven. Eiser heeft echter in het eerste gehoor verklaard dat hij zijn naam in Duitsland verkeerd heeft opgeschreven en dat hij dacht dat hij het had gecorrigeerd, maar dat later dezelfde fout nog op papier stond. Eiser heeft verklaard dat hij toen dacht: “Laat maar zitten, Seedy en Seedou is een beetje hetzelfde”. Eiser heeft daarnaast ook verklaard dat hij in Duitsland wel geprobeerd heeft zijn nationaliteit te laten corrigeren, maar dat hij het bewijs van de nationaliteitswijziging is kwijtgeraakt. Verweerder heeft het verder vreemd kunnen achten dat eiser enerzijds heeft verklaard uit angst voor terugkeer in Duitsland een andere nationaliteit te hebben opgegeven, maar anderzijds heeft verklaard zijn nationaliteit te hebben gecorrigeerd in Duitsland. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser met zijn verklaringen over zijn woonplaats bij de grens van Senegal zijn nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft bewust wisselende verklaringen afgelegd over zijn naam en geboortedatum waarmee hij heeft geprobeerd verweerder te misleiden. Gelet hierop kan niet worden uitgegaan van de door eiser uiteindelijk gestelde identiteit [eiser] geboren op [geboortedag 1] 1994 met de Gambiaanse nationaliteit. Hieruit volgt dat het feit dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt wel degelijk relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De beroepsgrond faalt.

6.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling2. Nu eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder terecht het asielrelaas niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de enkele stelling dat verweerder ten onrechte zijn asielrelaas niet inhoudelijk heeft beoordeeld en niet is ingegaan op het reële risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM als eiser terugkeert.

6.4

Uit de artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw3 volgt dat verweerder een inreisverbod moet uitvaardigen als hij de asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet op artikel 66a, vierde lid, van de Vw en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb heeft verweerder op goede gronden een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, omdat niet gesteld of gebleken is van bijzondere individuele omstandigheden om het inreisverbod voor een kortere duur dan twee jaar op te leggen.

Herhalen zienswijze

7. Eiser heeft verder verzocht de zienswijzen als letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in de bestreden besluiten op die zienswijzen gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan de beroepsgrond al hierom niet slagen.

8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepsgronden niet slagen. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid vanmr. A.E. Maas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.

3 Vreemdelingenwet 2000.