Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4873

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
NL21.4809
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Tsjechië, medische omstandigheden onvoldoende om af te zien van de overdracht, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4809


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.4810, plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Kurdyan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser heeft de Armeense nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1994. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onderzoek gedaan naar de vraag wie verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser op 26 februari 2018 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Tsjechië te Yerevan in het bezit gesteld van een visum, geldig van 5 maart 2018 tot 27 maart 2018. Daarnaast is uit Eurodac gebleken dat eiser op 29 maart 2018 in Frankrijk, op zowel 11 oktober 2018 en 8 juli 2020 in Tsjechië en op 15 januari 2020 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Tsjechië een verzoek om terugname gedaan. Tsjechië heeft dit verzoek aanvaard.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft meegewogen dat de Tsjechische autoriteiten de volgende asielaanvraag van eiser niet zorgvuldig zullen behandelen. Hierdoor is de kans op refoulement groot. Daarnaast is er sprake van structurele problemen en tekortkomingen in Tsjechië, waardoor de behandeling van asielzoekers daar mogelijk in strijd is met artikel 4 van het Handvest1 en artikel 3 van het EVRM2. Eiser heeft daarnaast medische behandeling nodig, waarvan hij in beroep medische stukken heeft overgelegd, maar bij terugkeer naar Tsjechië zal hij deze niet krijgen. Net als opvang en noodzakelijke medicatie. Verweerder moet dan ook op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de zaak aan zich trekken. Door corona is het nu niet mogelijk om eiser over te dragen.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.

5. Op de specifieke argumenten van partijen gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6.1

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen tegenover eiser nakomt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 heeft geoordeeld dat ten aanzien Tsjechië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Het is ook aan eiser om aannemelijk te maken dat in Tsjechië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Eiser is hierin niet geslaagd.

6.2

De rechtbank acht daarbij van belang dat de Tsjechische autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd, waarmee ze garanderen dat het asielverzoek van eiser conform de internationale verplichtingen zal worden beoordeeld. Het behandelen van een asielaanvraag houdt tevens in dat eiser door Tsjechië kan worden uitgezet. Eiser heeft niet onderbouwd noch aannemelijk gemaakt dat een eventuele uitzetting door Tsjechië van eiser naar zijn land van herkomst zal plaatsvinden zonder toetsing aan het EVRM. In het geval in strijd wordt gehandeld met de verdragsverplichtingen dan wel Europese richtlijnen, geldt dat eiser zich daarover kan beklagen bij de (hogere) Tsjechische autoriteiten en, zo nodig, bij het EHRM4. Niet gebleken is dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of bij voorbaat kansloos is.

6.3

Dat eiser medische behandeling behoeft, betekent niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is waar deze behandeling zou moeten plaatsvinden. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Tsjechië. De medische voorzieningen in Tsjechië worden geacht gelijk te zijn aan die van Nederland en, indien noodzakelijk, voor eiser ter beschikking te staan. Daarnaast zal voor eiser overgedragen wordt een ‘fit to fly’ check worden uitgevoerd, waar beoordeeld wordt of eiser gezien zijn medische omstandigheden overgedragen kan worden.

Het betoog over de corona-pandemie ziet op de feitelijke overdracht en niet op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is in het kader van de Dublinverordening. Niet is gebleken dat verweerder bij de overdracht geen rekening houdt met de richtlijnen van het RIVM. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de omstandigheden die naar voren zijn gebracht onvoldoende aanleiding geven voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

Herhalen zienswijze

7. Eiser heeft verder verzocht de zienswijzen als letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in de bestreden besluiten op die zienswijzen gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan de beroepsgrond al hierom niet slagen.

8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepsgronden niet slagen.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Maas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Uitspraak van 1 november 2019 ECLI:NL:RVS:2019:4361, in dezelfde zin rechtbank Gelderland, 29 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2164.

4 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.