Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4854

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
9102503 EJ VERZ 21-73631
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kantonrechter benoemt een provisionele bewindvoerder over het vermogen in Nederland van een betrokkene die woonachtig is in de Verenigde Staten en daar onder voorlopige curatele staat. Het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 wordt toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/101 met annotatie van Winthagen, M.B.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Zaaknr.: 9102503 EJ VERZ 21-73631

Datum: 16 april 2021

Beschikking op een verzoek tot benoeming van een provisionele bewindvoerder in afwachting van de ondercuratelestelling

op verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

aan de [adres] ,

hierna te noemen: verzoeker en de zoon,

gemachtigde: mr. P.J. Montanus.

Het verzoek strekt tot benoeming van een provisionele bewindvoerder in afwachting van de ondercuratelestelling van:


[betrokkene 1] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] ,

aan de [adres] ,

hierna te noemen: de betrokkene,

gemachtigde: mr. S.H. van Os.

Belanghebbenden zijn:

  • -

    [belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] , aan de [adres] , hierna te noemen: de echtgenote;

  • -

    [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] , aan de [adres] , hierna te noemen: de dochter.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift, met producties 1 t/m 19, ter griffie ingekomen op 17 maart 2021;

  • -

    de email van 31 maart 2021, met producties 20 t/m 22, namens verzoeker;

  • -

    de email van 1 april 2021, met bijlagen 1 en 2, namens betrokkene;

  • -

    de email van 1 april 2021, met productie 23, namens verzoeker;

  • -

    het verweerschrift namens betrokkene d.d. 7 april 2021, met bijlagen 1 en 2;

  • -

    de email van 9 april 2021, met producties 23 t/m 25, namens verzoeker;

  • -

    de pleitaantekeningen namens verzoeker;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het verhandelde tijdens de Skype-zitting op 9 april 2021.

De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

  1. Betrokkene heeft de Amerikaanse en Nederlandse nationaliteit.

  2. Betrokkene is omstreeks 1983 vanuit de VS naar Nederland verhuisd.

  3. Betrokkene is in 1986 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met zijn echtgenote. Uit dit huwelijk zijn de zoon en de dochter geboren.

  4. Omstreeks 2009 is betrokkene teruggekeerd naar de VS. Ook zijn zoon heeft zich in de VS gevestigd.

  5. In 2019 heeft betrokkene een appartement gekocht in Amsterdam. In datzelfde jaar heeft hij samen met zijn echtgenote een woning in [plaats] gekocht.

  6. Betrokkene heeft op 5 maart 2020 een volmacht gegeven aan zijn financieel adviseur.

  7. Betrokkene heeft op 5 maart 2020 een tweetal ondernemingen opgericht, te weten [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] [naam B.V. 1] en [naam B.V. 3] zijn bestuurders van [naam B.V. 2] Mevrouw [aandeelhouder] is enig aandeelhouder van [naam B.V. 3] Het vestigingsadres van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] is het vestigingsadres van de onderneming van de financieel adviseur.

  8. Betrokkene heeft op 2 juli 2020 een medische en financiële volmacht gegeven aan zijn zoon in de VS.

  9. Bij beschikking van 12 februari 2021 heeft de rechter in de Court of Common Pleas of Lackawana County, Orphans’s Court Division, betrokkene wilsonbekwaam verklaard volgens het recht van Pennsylvania en de zoon als guardian over betrokkene en diens vermogen aangesteld.

  10. Naar aanleiding van een namens betrokkene aangetekend verweer heeft de Amerikaanse rechter bij beschikking van 5 maart 2021 de definitieve beslissing van 12 februari 2021 omgezet naar een tijdelijke beslissing. Er is vervolgens een zitting bepaald op 16 april 2021 om te beslissen over de definitieve maatregel. Deze zitting is later verdaagd naar 4 mei 2021.

Het verzoek

Aan het verzoek legt verzoeker, samengevat, het volgende ten grondslag.

Ontvankelijkheid Nederlandse rechter

Zolang Nederland het Haags Verdrag van 13 juni 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, hierna te noemen HVV, niet heeft geratificeerd, vallen alle aspecten van de internationale bescherming van de persoon of het vermogen van de meerderjarige onder de commune regels van het Nederlandse IPR. Of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft met betrekking tot een beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon of het vermogen van een meerderjarige in een grensoverschrijdend geval, wordt bepaald aan de hand van artikel 3 Rv. Ingevolge artikel 3 sub a Rv is de Nederlandse rechter in verzoekschriftzaken bevoegd indien de verzoeker, of indien het er meer zijn, een van hen, dan wel een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. In geval van meerderjarigenbescherming kan tot de kring van belanghebbenden in ieder geval worden gerekend de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zussen van degene om wiens bescherming wordt verzocht (artikel 798 lid 2 Rv).

De Nederlandse rechter is primair bevoegd kennis te nemen van onderhavig verzoekschrift op grond van artikel 3 sub a Rv omdat beide belanghebbenden, te weten de dochter en de echtgenote van betrokkene in Nederland wonen. Subsidiair is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 3 sub c Rv om reden dat betrokkene meerdere vermogensbestanddelen in Nederland heeft, te weten twee woningen en een onderneming.

De rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, is relatief bevoegd op grond van artikel 269 Rv nu betrokkene niet zijn gewone verblijfplaats of werkelijke verblijf in Nederland heeft. Hoewel de nationale wet van de meerderjarige als uitgangspunt geldt (artikel 10:11 BW), pleegt de bescherming van meerderjarigen steeds vaker te worden beoordeeld aan de hand van analoge toepassing van artikel 13 HVV. Artikel 13 lid 1 HHV bepaalt dat rechter die bevoegd is, het eigen recht toepast, oftewel Gleichlauf. In onderhavige zaak betekent dit dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast op onderhavige verzoeken. Nu de beschermingsmaatregel effect dient te sorteren ten aanzien van zich in Nederland bevindende vermogensbestanddelen, ligt toepassing van Nederlands recht door de Nederlandse rechter ook voor de hand.

Noodzaak van een beschermingsmaatregel

Betrokkene kent een voorgeschiedenis van depressies en verslaving aan alcohol en medicijnen en heeft daarvoor diverse behandelingen ondergaan. In juni 2020 werd de ernst van de situatie van betrokkene duidelijk voor zijn kinderen nadat zij een vriend van hem hadden gesproken en zij hemzelf uiteindelijk drie dagen hadden gezien in [plaats] . Betrokkene was in een staat dat hij zichzelf niet kon voortbewegen, noch voor zichzelf kon zorgen. Hij moest getild, gevoed en verschoond worden, etc. De kinderen zijn er in die periode achter gekomen dat het appartement van betrokkene niet bewoonbaar was vanwege vervuiling. Er moest een professioneel bedrijf komen om zijn appartement weer bewoonbaar te maken.

Betrokkene heeft vervolgens op 2 juli 2020 aan zijn zoon een medische en een volledige volmacht gegeven waarmee de zoon de medische en de financiële belangen kon gaan behartigen. De financieel adviseur is in juli 2020 geïnformeerd over de power of attorney. Ondanks diverse verzoeken van de zoon heeft de financiële adviseur hem geen financiële informatie willen verstrekken, teneinde de belastingaangifte voor betrokkene over het belastingjaar 2019 te kunnen afronden. De zoon is er achter gekomen dat betrokkene grote financiële achterstanden had ten aanzien van het betalen van rekeningen en aangiftes voor de IRS.

De zoon heeft iemand ingehuurd om de dagelijkse zorg en begeleiding van betrokkene uit te voeren. Deze persoon heeft in oktober 2020 contact opgenomen met de zoon en aangegeven dat er iets moest gebeuren met betrekking tot de medische en de vermogensrechtelijke belangen van betrokkene nu hij deze belangen niet meer zelf naar behoren kon waarnemen. Dit heeft geleid tot het door de zoon ingediende verzoekschrift bij de Amerikaanse rechter tot ondercuratelestelling van betrokkene. De zoon heeft op 3 maart 2021 opnieuw een bericht aan de financieel adviseur gezonden met het verzoek om financiële informatie te sturen. Daarbij was gevoegd de beslissing om betrokkene onder curatele te stellen van 12 februari 2021. De financieel adviseur heeft daarop geantwoord dat hij door zou blijven gaan met het behartigen van de financiële zaken van betrokkene in Nederland omdat er anders een risico zou zijn dat er bedrijven ten onder zouden gaan. Met betrekking tot deze werkzaamheden vroeg de financieel adviseur om hem een voorschot te betalen.

Op 15 maart 2021 is er bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beschikking van 5 maart 2021 ex artikel 431 Rv (verkapte exequatur procedure) ingediend.

Gelet op het vorenstaande verzoekt de zoon om betrokkene onder curatele in te stellen. De noodzaak volgt uit het overgelegde rapport van de psychiater. Nu een verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is, biedt dat ook de mogelijkheid voor de rechter om ingevolge artikel 1:380 BW een provisionele bewindvoerder te benoemen. Vanwege de hiervoor genoemde feiten acht de zoon het van het grootst mogelijke belang dat de rechtbank zo spoedig mogelijk overgaat tot het benoemen van een provisionele bewindvoerder en daarbij, zo mogelijk, bepaalt dat de provisionele bewindvoerder alle bevoegdheden toekomt die de wet ingevolge artikel 1:380 lid 2 BW aan de provisionele bewindvoerder toekent met betrekking tot de in Nederland gelegen goederen van betrokkene. De zoon maakt zich grote zorgen over het feit dat de financieel adviseur gevolmachtigd is door betrokkene en zich vooralsnog niet bereid heeft getoond openheid van zaken te geven met betrekking tot de onderneming van betrokkene. De zoon en de belanghebbenden hebben er recht op en belang bij dat de zoon in staat zal zijn het provisioneel bewind over de goederen van betrokkene in Nederland te voeren zoals hij dat ook kan over de goederen van betrokkene in de VS.

De zoon is weliswaar een exequaturprocedure gestart met betrekking tot de Amerikaanse beschikking tot voorlopige ondercuratelestelling van 5 maart 2021 doch is het niet bekend hoelang deze procedure zal duren. Tevens is de Amerikaanse beschikking tot voorlopige ondercuratelestelling slechts geldig voor 30 dagen. De zoon wil voorkomen dat er in de tussentijd of na afloop van de exequatur misbruik wordt gemaakt door derden van de handelingsonbekwaamheid van betrokkene ten aanzien van diens goederen in Nederland.

Het verweer

Betrokkene voert, samengevat, het volgende verweer.

Ontvankelijkheid Nederlandse rechter

Ook in verzoekschriftprocedures wordt de relatieve bevoegdheid van de rechter op de eerste

plaats bepaald door de woonplaats van partijen. Verzoeker is woonachtig in [woonplaats] , betrokkene woont in [woonplaats] . Beiden hebben de Amerikaanse nationaliteit. Dat beiden ook de Nederlandse nationaliteit hebben, maakt de Nederlandse rechter niet bevoegd om in deze zaak te beslissen. In het verzoekschrift wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter opgehangen aan het feit dat twee naaste familieleden in Nederland woonachtig zijn, de echtgenote van betrokkene en zijn dochter. Tevens wordt aangegeven dat een deel van het vermogen van betrokkene zich in Nederland bevindt.

Betrokkene is gehuwd met een Nederlandse vrouw met wie hij al jaren niet meer samenleeft. Formeel zijn zij nog gehuwd. Betrokkene voorziet in het levensonderhoud van zijn echtgenote voor wie hij twee jaar geleden het huis in [plaats] kocht alwaar zij woont. Daarnaast heeft betrokkene in Nederland nog een huis in Amsterdam en een, overigens verliesgevende, vennootschap. De omvang van het Nederlandse vermogen is gering in vergelijking tot de omvang van het vermogen van betrokkene in de VS. De precieze omvang van het vermogen van betrokkene is voor de beoordeling van de gevraagde maatregel niet van belang, echter in het verzoekschrift wordt de indruk gewekt alsof de aanwezigheid van vermogensbestanddelen in Nederland van doorslaggevend belang is voor de bevoegdheid van de rechter. Die enkele factor kan niet van doorslaggevend belang zijn.

Van belang voor welke rechter bevoegdheid toekomt is op de eerste plaats de woonplaats van verzoeker (artikel 3 sub a Rv). Weliswaar hebben de twee van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden woonplaats in Nederland, de woonplaatsen van verzoeker en van betrokkene komen in deze een veel groter belang toe. Waarom zou een Nederlandse rechter rechtsmacht hebben over iemand die zijn vaste woon- en verblijfplaats in de VS heeft en ook de Amerikaans nationaliteit heeft? Aangezien het leeuwendeel van het vermogen van betrokkene zich in Amerika bevindt kan evenmin sprake zijn voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer (artikel 3 sub c Rv). Dat betrokkene naast de Amerikaanse ook de Nederlandse nationaliteit heeft is volgens de wetgever onvoldoende om tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter te leiden (zie Tekst en Commentaar, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Boek 1, aantekening 4 bij artikel 3).

Er is al een tijdelijke guardianship uitgesproken in de VS. Wat kan een in Nederland te treffen voorziening hier aan bijdragen of afdoen? Nota bene heeft verzoeker al aan de rechtbank Den Haag verzocht om een exequatur opdat de in de VS getroffen voorziening ook in Nederland werking kan hebben. Een beslissing van de kantonrechter in Nederland zou met een reeds in de VS getroffen maatregel kunnen strijden. In het licht van dit verzoek bij de rechtbank Den Haag ingediend, is onderhavig verzoek onbegrijpelijk en onjuist.

Noodzaak beschermingsmaatregel

Alhier zal slechts summier ingegaan worden op de noodzaak om een curator en/of een provisioneel bewindvoerder te benoemen over het vermogen van betrokkene in Nederland. Verwezen wordt naar een verslag van de arts van betrokkene in de VS die betrokkene al vele jaren kent en die zijn ups en downs in zijn leven heeft meegemaakt. Betrokkene heeft in zijn leven periodes van ernstige depressie gekend, echter betrokkene is verre van, om het maar op zijn Hollands te zeggen: ‘gek’. Betrokkene drinkt mogelijk meer dan goed voor hem is en gebruikt ook andere middelen om overeind te blijven. Zijn gezondheid is matig, echter betrokkene is een buitengewoon intelligente man die nog altijd zeer wel in staat moet worden geacht de juiste beslissingen te kunnen nemen. Dat zijn kinderen en echtgenote die beslissingen niet altijd leuk vinden, maakt niet dat betrokkene onder curatele moet worden gesteld dan wel zijn vermogen onder bewind. Het is betrokkene bekend dat zijn kinderen het goed met hun vader voor hebben, omgekeerd is dat zonder meer ook het geval. Zou het op benoeming van een bewindvoerder aankomen, al is het maar om een korte periode van onzekerheid te overbruggen, dan lijkt benoeming van een zoon in Amerika niet de meest aangewezen oplossing.

De zoon is niet geschikt om tot bewindvoerder over het vermogen van zijn vader dan wel tot curator over zijn vader benoemd te worden. De zoon is te jong, te onervaren maar bovenal: hij is emotioneel betrokken bij zijn vader. Dat laatste is natuurlijk ook een voordeel in de zin dat hij daadwerkelijk zorg heeft voor het welzijn van zijn vader, maar als het om het bestieren van het omvangrijke vermogen van zijn vader aankomt is verzoeker daarvoor niet de aangewezen persoon. In de VS heeft betrokkene reeds een nieuw verzoek ingediend in reactie op de tijdelijke maatregel die is ingesteld. Dat verzoek strekt ertoe iemand uit de kennissenkring van betrokkene te benoemen, een vriend van betrokkene sedert vele jaren en vertrouweling.

Zo de kantonrechter meent dat een Nederlandse rechter een oordeel heeft te geven over een te benoemen bewindvoerder over het Nederlands vermogen dan stelt betrokkene voor om daarvoor een professioneel kantoor in Nederland aan te stellen. Daartoe is bereid gevonden het kantoor van Bonnerman & Partners BV in Naarden.

Betrokkene verzoekt het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, dan wel, bij toewijzing van het verzoek Bonnerman en Partners B.V. te benoemen als provisionele bewindvoerder.

Beoordeling

Ontvankelijkheid Nederlandse rechter

Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:147) volgt het volgende. Bij gebreke van een voor Nederland geldende internationale regeling, wordt de meerderjarigenbescherming beheerst door het commune internationaal privaatrecht, zowel wat betreft de rechtsmacht en het toepasselijke recht, als wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen. Het commune internationaal privaatrecht bevat evenwel geen bijzondere regels voor kwesties betreffende meerderjarigenbescherming, met uitzondering van artikel 10:11 BW. Dit artikel bevat een conflictregel ter bepaling van het toepasselijke recht bij de vaststelling of sprake is van handelings(on)bekwaamheid, waarbij primair wordt aangeknoopt bij de nationaliteit van de betrokkene.

Kwesties betreffende bescherming van meerderjarigen worden bestreken door het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000 (Trb. 2000, 10 en Trb. 2008, 139), ook wel genoemd het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 (hierna: HVV), welk verdrag op 1 januari 2009 in werking is getreden. Nederland heeft dit verdrag weliswaar op 13 januari 2000 ondertekend, maar tot op heden niet geratificeerd.

Uit het arrest volgt dat in voorkomend geval ruimte bestaat voor anticiperende toepassing van bepalingen uit het HVV en dat er geen bezwaar bestaat om de regels van het HVV ook toe te passen op een rechterlijke beslissing uit een land dat geen partij is bij het verdrag.

Gelet op de artikelen 9 en 10 van het HVV is de kantonrechter bevoegd om noodzakelijke maatregelen te treffen ter bescherming van het vermogen van betrokkene in Nederland, zolang de beslissing van de Amerikaanse rechter nog niet definitief is en nog niet is erkend in Nederland.

Noodzaak beschermingsmaatregel

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van betrokkene en diens vermogen noodzakelijk is. Uit de psychiatrische rapportage van [betrokkene 2] van 17 maart 2021 blijkt dat betrokkene onvoldoende in staat is om zijn vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke belangen zelf naar behoren te behartigen. Verder is voldoende gebleken dat de financiële adviseur, die door betrokkene gevolmachtigd is, zich op het standpunt stelt dat de in de VS uitgesproken (voorlopige) beschermingsmaatregel geen gelding heeft in Nederland, waardoor de taken van de zoon in de VS bemoeilijkt worden bij het doen van de belastingaangifte.

Het spoedeisend karakter van het verzoek rechtvaardigt benoeming van de zoon, zoals verzocht, als provisionele bewindvoerder. Hij is reeds benoemd als guardian in de VS. Gesteld noch gebleken is dat hij zijn taken daar niet naar behoren uitvoert. De benoeming van een andere (rechts)persoon tot provisionele bewindvoerder zouden de werkzaamheden van de zoon in de VS ingewikkelder maken.

Het bewind omvat alle goederen die aan betrokkene toebehoren en zullen toebehoren in Nederland. De provisionele bewindvoerder heeft alle bevoegdheden die een curator krachtens de wet heeft.

De kantonrechter bepaalt op de voet van art. 1:380, derde lid, BW dat schulden die betrokkene na bekendmaking van de benoeming maakt, niet kunnen worden verhaald op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind zonder toestemming van de provisionele bewindvoerder, en evenmin gedurende de curatele indien deze volgt.

De kantonrechter zal bepalen dat het provisionele bewind wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en Bewindregister.

Gelet op artikel 10, vierde lid, HVV zal de provisionele bewindvoerder worden opgedragen om deze beschikking tijdig bekend te maken aan de Amerikaanse rechter.

Op het verzoek tot het instellen van curatele kan op dit moment nog niet worden beslist. Eerst zal moeten worden afgewacht of de rechter in de VS de beschermingsmaatregel definitief zal uitspreken en, zo ja, of de zoon guardian zal blijven. Indien er een definitieve beschermingsmaatregel in de VS volgt, dan kan die beslissing mogelijk in Nederland worden erkend. In dat geval zal een ondercuratelestelling in Nederland niet langer noodzakelijk zijn en zal het provisionele bewind kunnen worden opgeheven. Aan de provisionele bewindvoerder zal worden opgedragen om verslag te doen aan de kantonrechter.

Beslissing

De kantonrechter:

- benoemt, alvorens verder te beslissen, met ingang van heden [verzoeker] voornoemd tot provisionele bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [betrokkene 1] voornoemd in Nederland;

- kent aan de provisionele bewindvoerder alle bevoegdheden toe die een curator krachtens de wet heeft;

- bepaalt dat schulden die betrokkene maakt na bekendmaking van de benoeming niet zonder toestemming van de provisionele bewindvoerder op de onder bewind gestelde goederen kunnen worden verhaald gedurende dit bewind, en evenmin gedurende de curatele indien deze volgt;

- verstaat dat deze beschikking binnen tien dagen na heden door de griffier wordt bekendgemaakt in de Staatscourant;

- bepaalt dat het provisionele bewind wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en Bewindregister;

- draagt de provisionele bewindvoerder op om een Engelse vertaling van deze beschikking tijdig ter kennis te brengen van de Amerikaanse rechter die zal beslissen over de definitieve beschermingsmaatregel over betrokkene in de VS;

- bepaalt dat de provisionele bewindvoerder uiterlijk op 15 oktober 2021 verslag uitbrengt aan de kantonrechter over de procedure(s) in de VS en, voor zover van toepassing, de procedure ter verkrijging van een exequatur;

- verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. de Loor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2021.

Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het Gerechtshof Den Haag hoger beroep worden ingesteld:

a door de verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

b door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.