Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4853

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
NL 21.4638
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht, maar is van oordeel dat geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in het geval van terugkeer. Tussen partijen staat niet ter discussie staat dat eiser in 2016 en 2017 in de Palestijnse gebieden is blootgesteld aan ernstige schade door ontvoering, marteling en beschieting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen bij terugkeer. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4638


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).


Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft op 8 april 2021 plaatsgevonden via een beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is een staatloze Palestijn en geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in november 2016 is ontvoerd en gemarteld door leden van een [naam] , [naam] , omdat hij zaken deed met een Israëliër. Hij werd daardoor gezien als verrader en spion. Hij heeft tijdens zijn ontvoering toegezegd dat hij de Israëlische man zou uitleveren aan de leden van de [naam] . Nadat eiser is vrijgelaten, heeft hij zich niet aan deze toezegging gehouden en heeft hij zich schuilgehouden in [plaatsnaam] . Het huis van zijn familie in [plaatsnaam] werd constant in de gaten gehouden. Toen eiser in april 2017 zijn familie wilde bezoeken, is hij beschoten. Ook heeft hij toen (doods)bedreigingen ontvangen. Eiser is daarna weer ondergedoken in [plaatsnaam] en heeft in oktober 2017 het land verlaten. Bij terugkeer vreest hij te worden vermoord door de [naam] . Omdat eiser komt uit een gebied dat sinds de Oslo-akkoorden is aangemerkt als [naam] en onder controle staat van het Israëlische leger, krijgt hij geen bescherming van de Palestijnse politie. Als Palestijn kan hij ook niet rekenen op bescherming van het Israëlische leger.

3. Verweerder heeft alle elementen van het asielrelaas van eiser geloofwaardig bevonden. De asielaanvraag van eiser is echter afgewezen als ongegrond, omdat verweerder van oordeel is dat geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in het geval van terugkeer. De gebeurtenissen zijn namelijk van vier jaar geleden. Zijn familie heeft in deze vier jaar nooit problemen met de [naam] ondervonden. Daarbij zou eiser zich in [naam] kunnen vestigen, dat is een zone die onder bestuur staat van de [naam] . Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog toegelicht dat de ontvoering en beschieting hebben plaatsgevonden in [plaatsnaam] in [naam] , waar de familie van eiser woont. Eiser woonde echter, vóór en na de ontvoering, in [plaatsnaam] in [naam] . Daar heeft hij nooit problemen met de [naam] ondervonden. Dat duidt er op dat eiser daar veilig zou zijn, aldus verweerder. Ten slotte stelt verweerder dat als eiser al bescherming nodig zou hebben in [plaatsnaam] , niet is gebleken dat eiser in [plaatsnaam] geen bescherming kan krijgen van de [naam] .

4. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij na vier jaar niet meer in de negatieve aandacht van de [naam] staat. Ook zegt eiser dat verweerder onterecht stelt dat hij in [plaatsnaam] veilig zou zijn.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser in 2016 en 2017 in de Palestijnse gebieden is blootgesteld aan ernstige schade door ontvoering, marteling en beschieting door de [naam] .

6. Het feit dat iemand in het verleden reeds is blootgesteld aan ernstige schade, is een duidelijke aanwijzing dat het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.1 Volgens verweerders Werkinstructie 2014/10 kunnen goede redenen bijvoorbeeld zijn dat eerdere daders niet meer aanwezig zijn in het land van herkomst of dat de situatie in het land van herkomst in aanzienlijke mate is verbeterd. De bewijslast dat de ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen, ligt bij verweerder.2

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Eiser heeft in het nader gehoor en tijdens de zitting verklaard dat een kennis, die [product] koopt bij de [naam] , aan eisers ouders vertelt dat de [naam] nog steeds naar eiser vragen. Ook is zijn broer onlangs door leden van de stam benaderd, aldus eiser. De enkele verwijzing naar het tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen, vooral gelet op de relatief korte duur van dat tijdsverloop.

8. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiser in [plaatsnaam] veilig zou zijn of bescherming zou kunnen krijgen. Eiser heeft immers onbetwist gesteld dat deze [naam] zich eenvoudig door de verschillende zones van de [gebied] kunnen bewegen, omdat zij de Israëlische nationaliteit hebben. [plaatsnaam] en [plaatsnaam] liggen op ongeveer [aantal] kilometer van elkaar verwijderd. Verweerder heeft ook niet betwist dat de [naam] , ook in [naam] , niet tegen de [naam] kan optreden vanwege hun Israëlische nationaliteit. Dat eiser in 2017 na de ontvoering en marteling zonder problemen in [plaatsnaam] heeft verbleven, weegt hier niet tegen op. Eiser heeft immers verklaard zich in deze periode zoveel mogelijk schuil te hebben gehouden. Ook de stelling van verweerder dat de [naam] in [plaatsnaam] eiser op een andere manier zou kunnen beschermen dan door de [naam] te arresteren, is naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering, bijvoorbeeld welke andere bescherming verweerder bedoelt, onvoldoende om aan te nemen dat eiser in [plaatsnaam] geen reëel risico op ernstige schade loopt.

9. Het bestreden besluit kan dus niet in stand blijven. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen en deze uitspraak daarbij in acht te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. van der Zweep, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 15 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3464.