Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4838

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
SGR 20/2336
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om bewoning van een pand te (laten) beëindigen. Heroverweging van een herstelsanctie. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2336


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: R.M. Klerks).

Procesverloop

In het besluit van 15 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om de bewoning van het pand aan de [straat] [huisnummer] te [plaats] te (laten) beëindigen op 15 augustus vóór 18:00 uur en aansluitend beëindigd te houden.

In het besluit van 12 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een skypeverbinding plaatsgevonden op 16 maart 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Bij de zitting waren verder de heer [C] , de heer [D] en de heer [E] , allen werkzaam bij [B.V. 2] BV, aanwezig. Ieder van hen was op verzoek van eiser aanwezig om als getuige in deze zaak te verklaren.

Overwegingen

1. Eiser was eigenaar van het pand aan de [straat] [huisnummer] te [plaats] (het pand). Het pand telt 14 bewoonbare kamers en 28 slaapplaatsen en werd vanaf 1 april 2018 verhuurd aan [B.V. 1] BV. Deze vennootschap is gelieerd aan [B.V. 2] BV ( [B.V. 2] ). Het pand werd door [B.V. 2] gebruikt voor het huisvesten van uitzendkrachten. [B.V. 2] had de huurovereenkomst opgezegd per 31 oktober 2019.

2. Op 14 augustus 2019 is – naar aanleiding van een melding over een gesneuvelde ruit – een toezichthouder naar het pand gegaan. Deze toezichthouder heeft het pand betreden en heeft verschillende mensen gesproken. In het constateringsrapport van 14 augustus 2019 dat de betreffende toezichthouder heeft opgesteld, is onder meer het volgende vermeld:

1. In de voorgevel is op de 1e verdieping een grote ruit stuk en twee kleine ruitjes. De grote ruit kan een gevaar opleveren voor de omgeving omdat daaronder een voetpad aanwezig is.

2. In de zijgevel is op de begane grond een grote ruit stuk. Het glas ligt nog op het trottoir. (…).

3. In de achtergevel is een (kleinere) ruit stuk. Ook hier ligt het glas nog op het openbaar gebied.

(…)

Het is ons bekend dat [B.V. 2] de huurder is van het pand. Het is ook bekend dat [B.V. 2] stopt met het huren van het pand. De heer Ed Blokspoel is mijn contactpersoon bij [B.V. 2] en ik bel hem op.

Hij geeft het volgende aan:

Zij hebben de huur opgezegd en al hun personeelsleden daar weg gehaald en elders gehuisvest. Er is één bewoner achter gebleven in het pand. Dat is een bewoner die daar al woonde toen zij de huur van het pand overnemen. (…) Dit is de man ( [A] ) waarvan is aangegeven dat hij de huismeester is.

(…)

De entree deur staat open (deze kan niet afgesloten worden) en Ik ga het pand in. (…) Ik tref daar op de begane grond allemaal verlaten kamers aan. De meeste kamers zijn vernield en er is veel rommel aanwezig. Ook zijn er voedselrestanten aanwezig en huishoudelijk afval. De sanitaire- en badkamervoorzieningen zijn vervuild. De plafonds zijn beschimmeld.

Op een schakelaar en op een deur van een badruimte zit bloed.

(…)

Op de verdieping is het ook een puinhoop. Een aantal kamers is in gebruik. Ook hier is alles vervuild.

(…)

Er zijn in ieder geval vijf personen binnen. Er komt een jongen aan lopen en die gaat ook naar binnen. Nu zijn er in ieder geval zes personen binnen. Later blijkt dat [B] op zijn kamer was. In totaal zijn er dus 7 personen in het pand.

(…)

Inmiddels was de huismeester uit zijn kamer gekomen en was met mijn collega in gesprek. Hij geeft aan dat hij geen huismeester meer is en gewoon huur betaald. (…) Hij zegt dat er steeds vreemden in de woning komen of voormalig bewoners de kamers doorzoeken en alles slopen. Daardoor zijn ook de ruiten gesneuveld.

(…)

Het pand is ook nu weer niet brandveilig in gebruik. De brandblusmiddelen zijn niet gekeurd en ik betwijfel of de rookmelders allemaal werken. Ik vraag het de voormalig huismeester en hij zegt dat er een aantal stuk zijn (of gesaboteerd). We hadden al gezien dat er een rookmelder was afgedekt met plastic. Dit betekend dat de “brandmeldinstallatie” niet wordt onderhouden en wordt getest.

Verder zijn er ook nog tekortkomingen aan de elektrische installatie. Een WCD (wand contact doos) die stuk is geslagen en lampen die niet zijn aangesloten of gesloopt. Ook hier is duidelijk geen controle op.

3. De toezichthouder heeft op 14 augustus 2019, omstreeks 17:30 uur, gebeld met eiser. Tijdens dat telefoongesprek is in ieder geval medegedeeld aan eiser dat hij uiterlijk de volgende ochtend de kapotte ramen moest (laten) dichtmaken.

4 Bij besluit van 15 augustus 2019 is aan eiser opgelegd:
1) een last om de bewoning dezelfde dag vóór 18:00 uur te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van een eenmalige dwangsom van € 10.000,- ineens, en
2) een last onder bestuursdwang om dezelfde dag vóór 10:00 uur de gesneuvelde ruiten deugdelijk dicht te (laten) maken door middel van houten schotten en de openstaande, klapperende ramen op deugdelijke wijze dicht te (laten) maken.

Dit besluit is omstreeks 11:00 uur aan eiser overhandigd.

5. Aan dit besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de bevindingen van de inspectie van 14 augustus 2019 (zie 2), ten grondslag gelegd dat de hinderlijke en gevaarlijke situatie strijdig was met artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012. Verder is eiser zijn zorgplicht, die geldt op grond van artikel 1a van de Woningwet, volgens verweerder niet nagekomen.

6. Aan de last onder bestuursdwang is door eiser uitvoering gegeven. Voor wat betreft de last onder dwangsom is door verweerder op 15 augustus 2019 tijdens een controle na 18:00 uur geconstateerd dat er toen nog zes personen aanwezig waren in het pand.

7. Op 16 augustus 2019 zijn de personen die in het pand aanwezig waren met hulp van de politie uit het pand verwijderd.

8. Op 13 juli 2020 heeft verweerder een besluit genomen tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 10.000,-.

9. Eiser kan zich niet verenigen met de aan hem opgelegde last onder dwangsom. Eiser heeft daartoe in beroep aangevoerd dat het pand niet zo (brand)onveilig was als verweerder stelt. De situatie was niet onverantwoord gevaarlijk en rechtvaardigde niet een onmiddellijke ontruiming. Verder is de dwangsom met een bedrag van € 10.000,- veel te hoog en staat deze niet in verhouding tot het geschonden belang of wat eiser kan worden aangerekend, aangezien niet hij, maar vandalen de schade hebben aangericht.

Eiser heeft verder aangevoerd dat het zonder de steun van de politie onmogelijk was om binnen een dag het pand te ontruimen aangezien de betreffende personen weigerden vrijwillig te vertrekken. [B.V. 2] was bij het pand aanwezig op 15 augustus 2019; het lukte [B.V. 2] niet om de bewoners uit het pand te zetten en de politie weigerde toen assistentie. Pas op 16 augustus 2019 was de politie bereid hulp te bieden bij de ontruiming.

10. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verzocht om het beroep van eiser ongegrond te verklaren.

11 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

11.1.

De last onder bestuursdwang staat niet ter discussie. Het gaat om de vraag of verweerder met het nemen van het bestreden besluit de last onder dwangsom in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

Overtreding?

11.2.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder op goede gronden heeft geconstateerd dat er sprake was van een overtreding. Aan de last onder dwangsom heeft verweerder overtreding van artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 en artikel 1a van de Woningwet ten grondslag gelegd.

11.3.

Op grond van artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 moet een bouwwerk zich in een zodanig zindelijke staat bevinden dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert.

11.4.

Op grond van artikel 1a van de Woningwet moet de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein ervoor zorgdragen dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

11.5.

Niet in geschil is dat onbevoegde personen zich toegang tot het pand hadden verschaft en vernielingen hadden aangericht. Het betrof mensen die voorheen werkten bij een klant van [B.V. 2] , maar daar waren ontslagen. Zij wilden vervolgens de woonruimte die aan hen ter beschikking was gesteld niet verlaten. Ook sloot de buitendeur het pand niet goed af; deze kon vanaf de straatzijde worden opengeduwd. Het bleef daardoor mogelijk voor onbevoegden om het pand binnen te gaan. Verder staat vast dat er een rookmelder was afgeplakt en dat een wandcontactdoos kapot was geslagen. Tot slot is in het constateringsrapport beschreven dat de hygiëne, onder meer door rondslingerend afval en niet afgesloten afvalbakken, slecht was. Eiser heeft dit niet weersproken en heeft beaamd dat de hygiëne in het pand onvoldoende was en dat er veel troep lag. De foto’s die bij het constateringsrapport horen, onderschrijven dit beeld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het pand gedurende de inspectie op 14 augustus 2019 niet voldeed aan de eisen die artikel 1a van de Woningwet en artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 daaraan stellen. De staat van het pand zorgde immers voor een hinderlijke en onveilige situatie.

11.6.

Voor zover eiser heeft willen betogen dat hem geen verwijt treft omdat niet hij, maar (illegale) bewoners en ongewenste binnendringers verantwoordelijk waren voor de staat van het pand, geldt dat de situatie hem als eigenaar van het pand kan worden toegerekend. Dit volgt al uit artikel 1a van de Woningwet op grond waarvan er op eiser, in zijn hoedanigheid van eigenaar van het pand, een zorgplicht rust. Deze zorgplicht is hij niet nagekomen.

11.7.

Gelet op het voorgaande is verweerder op goede gronden tot het oordeel gekomen dat er op 14 augustus 2019 sprake was van een overtreding en dat eiser als overtreder kon worden aangemerkt. Dat eiser bepaalde punten in het constateringsrapport gemotiveerd heeft bestreden, zoals de aanwezigheid van schimmel in de doucheruimte en het bloed op de schakelaar (zie 2), doet daar niet aan af. Reeds op basis van wat wel kan worden vastgesteld, omdat dit door eiser is beaamd of niet is bestreden, is het oordeel dat er sprake is van een overtreding.

11.8.

In het geval van een overtreding is een bestuursorgaan – gelet op de beginselplicht tot handhaving – niet alleen bevoegd, maar ook gehouden om handhavend tegen deze overtreding op te treden.

De last

11.9.

In dit geval heeft verweerder ervoor gekozen (ook) een last onder dwangsom op te leggen op grond waarvan eiser op 15 augustus 2019 vóór 18:00 uur de bewoning van het pand moest (laten) beëindigen en beëindigd moest houden. Eiser heeft onder andere betoogd dat deze last, en dan met name de termijn waarbinnen deze moest worden uitgevoerd, niet redelijk was.

11.10.

Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht rust op een bestuursorgaan de plicht om zijn eerdere besluit op grondslag van het daartegen gemaakte bezwaar te heroverwegen. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, moet het bestuursorgaan dat eerdere besluit herroepen en voor zover nodig daarvoor een nieuw besluit in de plaats nemen. Hierbij geldt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in zijn uitspraak van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2571) uiteen heeft gezet, dat het bestuursorgaan niet alleen moet bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit destijds terecht zijn besluit heeft genomen, maar dat het bestuursorgaan ook de feiten en omstandigheden die zich ná de oplegging van een herstelsanctie hebben voorgedaan bij zijn heroverweging moet betrekken. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

11.11.

Partijen verschillen van mening over de vraag vanaf wanneer eiser wist of redelijkerwijs moest weten dat hij de bewoning van het pand moest beëindigen. Verweerder heeft aangevoerd dat dit al tijdens het telefoongesprek omstreeks 17:30 uur op 14 augustus 2019 aan eiser mondeling was medegedeeld. De rechtbank ziet in het betoog van eiser, dat hij zich dit niet als zodanig kon herinneren, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verweerder wordt echter niet gevolgd in zijn stelling dat eiser er al eerder, op 12 augustus 2019, rekening mee moest houden dat hij het pand moest ontruimen. Hoewel eiser per e-mailbericht op 12 augustus 2019 melding heeft gemaakt bij zijn huurder van het verblijf van ontevreden (ex)werknemers en het feit dat er veel kapot is gemaakt, blijkt daaruit nog niet dat er toen al sprake was van een overtreding van het Bouwbesluit 2012 en de Woningwet. Op basis van wat verweerder in het geding heeft gebracht, blijkt hoe de situatie was op 14 augustus 2019, de dag dat bij het team Inspectie een melding binnenkwam en het pand vervolgens is geïnspecteerd. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat eiser al op 12 augustus 2019 in overtreding was en rekening moest houden met een gedwongen ontruiming. De rechtbank houdt het er daarom voor dat eiser op 14 augustus 2019 om 17:30 uur wist dat hij de woning moest ontruimen, waarvoor hij vanaf dat moment een dag (ruim 24 uur) de tijd had.

11.12.

Eiser heeft onweersproken toegelicht dat de huurder van eiser, [B.V. 2] , op 15 augustus 2019 een poging heeft gedaan om uitvoering te geven aan de last. Hoewel [B.V. 2] met meerdere medewerkers naar het pand is gegaan, bleek het echter niet mogelijk om de personen die nog in het pand aanwezig waren, eruit te zetten. Eiser was gelet hierop afhankelijk van de inzet van de politie. Van hem kan immers niet worden gevergd om zelf de – mogelijk gewelddadige – confrontatie aan te gaan met de personen die illegaal in het pand aanwezig waren. Uit de verklaringen van de heren [D] en [C] blijkt dat op 15 augustus 2019 contact is gezocht met de politie, maar dat het desondanks niet kwam tot inzet van de politie op dezelfde dag. De politie kwam in plaats daarvan de volgende dag ter plaatse om eiser te helpen met de ontruiming van het pand.

11.13.

Het is vaste rechtspraak dat een begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2140). Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat de begunstigingstermijn van één dag te kort was om uitvoering te geven aan de last. Zoals al is overwogen (zie 11.10), had verweerder deze feiten en omstandigheden bij zijn heroverweging van het primaire besluit moeten betrekken. Eiser had in bezwaar namelijk al aangevoerd en met (ondertekende) verklaringen onderbouwd waarom het hem niet was gelukt om in één dag uitvoering te geven aan de last en waarom het beëindigen van de bewoning in plaats daarvan een dag langer heeft geduurd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om bij het bestreden besluit onverkort vast te houden aan de begunstigingstermijn zoals die in het primaire besluit was bepaald. Het enkele feit dat uit navraag bij de politie niet bleek of eiser dan wel [B.V. 2] om bijstand van de politie had verzocht, is onvoldoende. Daarmee staat nog niet vast dat er niet om bijstand is verzocht. Verweerder heeft ter zitting immers te kennen gegeven niet bekend te zijn met de werking van het registratiesysteem en niet in te kunnen staan voor de volledigheid daarvan.

11.14.

Wat hiervoor is overwogen, brengt met zich mee dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de begunstigingstermijn te verlengen tot en met de dag waarop eiser uitvoering heeft gegeven aan de last. Dit komt neer op een verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 16 augustus 2019. Door deze verlenging is er van een verbeurde dwangsom geen sprake. De rechtbank zal daarom ook het invorderingsbesluit, waar het beroep van eiser op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb mede betrekking op heeft, vernietigen. De vraag of de dwangsom onevenredig hoog is, zoals eiser heeft gesteld, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

11.15.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Gesteld noch gebleken is dat eiser zich door een derde beroepsmatig heeft laten bijstaan in deze procedure. De rechtbank komt daarom niet tot een proceskostenveroordeling van verweerder.

11.16.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, wordt verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb veroordeeld in het door eiser betaalde griffierecht van € 178,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de begunstigingstermijn is verlengd tot en met 16 augustus 2019;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- vernietigt het invorderingsbesluit van 13 juli 2020;

- gelast verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 178,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2021.

De griffier is verhinderd mede te ondertekenen.

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.