Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4816

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
8952118 \ EJ VERZ 20-86368
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Onterecht gegeven ontslag op staande voet. Ontbreken dringende reden. Verzoek vernietiging ontslag op staande voet. Tegenverzoek van de werkgever tot ontbinding arbeidsovereenkomst. Beschikking gegeven inhoudende regeling partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

Zaaknr.: 8952118 \ EJ VERZ 20-86368

Datum: 21 april 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: de werknemer,
gemachtigde: mr. S. da Silva Curiël,

tegen

de besloten vennootschap Euromaster Bandenservice B.V. ,

gevestigd te deventer ,
verwerende partij,

hierna te noemen: de werkgever,
gemachtigde: P. Hulsegge

1 Het procesverloop

1.1

De werknemer heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 30 december 2020, verzocht het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.2

Op 16 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling van de verzoeken plaats gevonden. Verschenen zijn de werknemer in persoon, bijgestaan door mr. S. da Silva Curiël en namens de werkgever de heer [medewerker] , bijgestaan door mr. P. Hulsegge. Door beide partijen zijn pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De beoordeling

2.1

De werkgever heeft ter zitting het aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet ingetrokken en verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is.

2.2

De werknemer verzet zich tegen inwilliging van het verzoek, maar heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.

2.3

Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 sub a BW juncto artikel 7:669 lid 3 sub g BW en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.

2.4

Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met omstandigheden waarop de opzegverboden genoemd in artikel 7:671 b lid 6 BW betrekking hebben.

2.5

Partijen zijn het er eveneens over eens dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 juli 2021. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ook nadere overeenstemming bereikt ten aanzien van de verdere afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. De uitwerking hiervan is opgenomen onder onderdeel 3 van deze beschikking.

2.6

Er is geen grond om werkgever de gelegenheid te bieden het verzoek in te trekken.

2.7

Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2021;

3.2

bepaalt dat werknemer voor de periode vanaf 5 november 2020 tot en met 1 juli 2021 is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, met behoud van salaris en bijkomende emolumenten;

3.3

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen een beëindigingsvergoeding van € 61.000,= bruto, waaronder begrepen een bedrag van € 2.000,= aan immateriële schadevergoeding en waar de aanspraken van de werknemer ter zake van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW bij inbegrepen zijn. Betaling van het netto equivalent van dat bedrag zal plaatsvinden na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, echter vóór 31 juli 2021, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;

3.4

bepaalt dat de werkgever zorg dient te dragen, eveneens vóór 31 juli 2021, voor een correcte eindafrekening ter zake van alle uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende emolumenten, zoals vakantiegeld, vakantiedagen, de bonus over 2020 en de openstaande declaraties van werknemer. Deze vallen niet onder de beëindigingsvergoeding;

3.5

bepaalt dat het concurrentiebeding zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen is komt te vervallen en haar geldigheid verliest, in die zin dat werknemer daar niet aan gehouden is;

3.6

bepaalt dat partijen geheimhouding dienen te betrachten ten aanzien van de onderhavige beschikking. De werknemer is gerechtigd om over deze beschikking informatie te verstrekken aan de uitkeringsinstantie in het geval aanspraak wordt gemaakt op een WW-uitkering;

3.7

bepaalt dat partijen ter zake over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;

3.8

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.9

wijst het meer of anders gevorderde af;

3.10

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Gerritse en uitgesproken ter openbare zitting van 21 april 2021.