Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4805

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
NL21.2416
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, beroep (kennelijk) ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.2416


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Sahin),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet, gelet op de aangevoerde gronden en in het licht van bestendige en actuele rechtspraak, op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Verweerder heeft met het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000), omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 18 april 2020 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 5 januari 2021 de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hebben niet tijdig gereageerd op dit verzoek, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië sinds 20 januari 2021 vaststaat.

3. Eiser stelt dat hij de intentie had om in Nederland asiel aan te vragen, niet in Italië, en in Italië onder dwang zijn vingerafdrukken zijn afgenomen.

3.1.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het karakter van de Dublinverordening onverenigbaar is met de opvatting dat de intentie van de vreemdeling bepalend is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat gebeurt aan de hand van de criteria in de Dublinverordening. De intentie van eiser om in Nederland asiel aan te vragen, is daarin niet relevant. De stelling van eiser dat in Italië onder dwang zijn vingerafdrukken zijn afgenomen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 14 van de Eurodacverordening zijn lidstaten verplicht illegale vreemdelingen, die op het grondgebied van de lidstaten binnenkomen, te registeren door het afnemen van vingerafdrukken. Voor zover eiser stelt dat de Italiaanse autoriteiten onrechtmatig of disproportioneel hebben gehandeld bij het afnemen van vingerafdrukken dient hij zich te beklagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten.

4. Eiser betoogt verder dat verweerder bij Italië niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij doet daarbij een beroep op het AIDA-rapport "Country Report: Italy, 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van juni 2020.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verweerder in zijn algemeenheid ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) en 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449). Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit anders is in zijn geval.

4.2.

Eiser is hierin niet geslaagd. In dit kader is van belang dat de Afdeling in haar uitspraken van 8 april 2020 heeft geoordeeld dat er geen sprake was van zo’n structurele verslechtering van de opvangvoorzieningen – waaronder de gezondheidszorg – dat (kwetsbare) Dublinclaimanten in Italië een reëel risico liepen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dit oordeel heeft de Afdeling gehandhaafd in haar uitspraak van 15 oktober 2020, waarbij de Afdeling is ingegaan op het door eiser aangehaalde AIDA-rapport. De Afdeling oordeelt in deze uitspraak dat uit dit rapport geen wezenlijk ander beeld naar voren komt van de situatie van Dublinclaimanten in Italië dan volgt uit de landeninformatie betrokken bij de uitspraken van 8 april 2020. Dat uit dit rapport blijk dat er onvoldoende opvangvoorzieningen zijn en de omstandigheden in de opvang (zeer) slecht zijn, is dus onvoldoende om tot het oordeel te komen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat eiser in quarantaine moest, dagelijks gecontroleerd werd door militairen en geen toegang had tot medische zorg in Italië, maakt dit alles niet anders. Voor zover hiervan sprake is geweest, is het aan eiser om zich te beklagen bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten. Niet gesteld of gebleken is dat dit voor eiser onmogelijk was.

5. Tot slot betoogt eiser dat deze omstandigheden voor verweerder aanleiding hadden moeten vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening geen betekenis toekent aan deze omstandigheden, omdat deze zien op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Deze omstandigheden zien dus niet op de vraag of zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164, r.o. 1 en 4).

6. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.