Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
NL20.9487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is met onbekende bestemming vertrokken. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9487


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.M. Borggreve),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G.H. Belluz).


Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat eiser op 22 september 2020 met onbekende bestemming is vertrokken en dat Duitsland op 19 november 2020 een zogeheten Dublinclaim bij Nederland heeft ingediend die op 1 december 2020 door Nederland is geaccepteerd. Verweerder heeft ter onderbouwing van deze stelling stukken aan het digitale dossier geüpload (tijdens de zitting) en zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van het beroep.

2. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op het verzoek. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

2.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft laten weten dat hij nog in Nederland verblijft en dat hij nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. Ook de gemachtigde van eiser heeft de rechtbank niet geïnformeerd dat eiser nog in Nederland verblijft en zij nog contact met hem heeft. Dit volgt niet uit de berichten die de gemachtigde voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank heeft verstuurd en ook na de zitting heeft de gemachtigde hierover geen informatie gegeven.

2.2.

Nu uit de door verweerder verstrekte informatie blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en eiser verweerder niet heeft geïnformeerd waar hij verblijft, terwijl de gemachtigde van eiser aan de rechtbank ook niet duidelijk heeft gemaakt dat zij van de verblijfsplaats van eiser op de hoogte is en met hem gesproken heeft over de verdere voortgang van de beroepsprocedure, moet er van uit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een beoordeling van zijn beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. I.N. Powell, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.