Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4791

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
NL21.1430
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit met vertrektermijn 28 dagen, inreisverbod 1 jaar, mondelinge uitspraak, ongegrond

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2021:4794)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1430

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod voor de duur van één jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat eiser en hij niet bij de zitting aanwezig zullen zijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Over het terugkeerbesluit

2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd, omdat de vrije termijn van eiser was verstreken. Uit het dossier blijkt dat eiser, die afkomstig is uit Noord-Macedonië, een inreisstempel voor het Schengengebied heeft van 7 oktober 2020. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat eiser na 7 oktober 2020 het

grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten en opnieuw is ingereisd. Dit betekent dat de vrije termijn van 90 dagen van eiser was verstreken op het moment dat verweerder het terugkeerbesluit oplegde. De vrije termijn is ook niet verlengd. Het was namelijk aan eiser geweest om eventueel om zo’n verlenging te vragen, als hij van mening was dat hij vanwege een overmachtssituatie (het coronavirus) niet kon terugkeren naar Noord-Macedonië, maar dit heeft hij niet gedaan. Verweerder heeft dus terecht een terugkeerbesluit opgelegd.

3. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit behalve het voorgaande ook verschillende lichte en zware gronden heeft genoemd in het kader van artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit. Deze gronden worden in een terugkeerbesluit genoemd wanneer sprake is van een risico op onttrekking en daarom een vertrektermijn van 0 dagen wordt gegeven. In het geval van eiser is een vertrektermijn van 28 dagen gegeven, zodat deze zware en lichte gronden niet van toepassing zijn. Tijdens de zitting heeft verweerder dit ook bevestigd. Wat eiser over deze gronden heeft aangevoerd, kan daarom niet afdoen aan het terugkeerbesluit. Dat verweerder deze gronden wel heeft genoemd in het terugkeerbesluit maakt niet dat het besluit onrechtmatig is. Hoewel het enigszins verwarrend is dat deze gronden staan vermeld, doet het er niet aan af dat verweerder het terugkeerbesluit wel op de juiste grond heeft genomen, namelijk vanwege het overschrijden van de vrije termijn.

Over het inreisverbod

4. Ook het inreisverbod voor de duur van één jaar heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd. Verweerder heeft in lijn met de wettelijke bepalingen en zijn eigen beleid gehandeld door het inreisverbod voor de duur van één jaar op te leggen. Eiser heeft de vrije termijn namelijk met meer dan 3 dagen, maar minder dan 90 dagen overschreden. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser familie in Duitsland heeft en verweerder heeft in deze omstandigheid geen reden hoeven zien om het inreisverbod niet op te leggen. Verweerder stelt terecht dat het inreisverbod een consequentie is van het handelen van eiser. Bovendien zijn er ook andere manieren voor eiser om met zijn familie in contact te komen en is de termijn van een jaar niet onredelijk lang.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

29 april 2021

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.