Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4776

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
NL20.5420 en NL20.5423
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat de beroepen kennelijk gegrond zijn. De rechtbank heeft het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvragen van eisers vernietigd en heeft één verbeurde dwangsom vastgesteld voor beide vreemdelingen vanwege de samenhang in hun asielmotieven. De verzetrechter oordeelt dat wat opposanten in het verzet hebben aangevoerd niet leidt tot twijfel omtrent de uitkomst van de beroepen. De beargumenteerde verschillen in de asielmotieven leiden niet tot twijfel over de vraag of in het geval van opposanten afgeweken moeten worden van het uitgangspunt dat de aanvragen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat één dwangsom wordt verbeurd. ZIE OOK ECLI:NL:RBDHA:2020:7144

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5420 en NL20.5423


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant 1] en [naam opposant 2] , opposanten

V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 juli 2020, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 31 augustus 2020, in het geding tussen opposanten en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder), over het niet tijdig beslissen op de aanvragen opposanten.

Procesverloop

Op 29 februari 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een

besluit op hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank heeft op 29 juli 2020, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 31 augustus 2020, bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen gegrond verklaard.

Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Omdat geen van de partijen heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 10 november 2020 de beroepen van opposanten terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat de beroepen kennelijk gegrond waren. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposanten op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op de beroepen werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen de verzetten zijn gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat de beroepen kennelijk gegrond zijn. De rechtbank heeft het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvragen van eisers vernietigd. De rechtbank heeft de door verweerder verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1442,- en heeft verweerder opgedragen uiterlijk binnen zestien weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken en bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.

3. In verzet voeren opposanten aan dat zij afzonderlijk van elkaar beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen en in hun beroepschrift hebben verzocht om een afzonderlijke wettelijke (en gerechtelijke) dwangsom. Daarmee hebben zij er wel degelijk blijk van gegeven een zelfstandige dwangsom te willen. Opposanten stellen dat er dus geen sprake is van samenhang tussen de procedures.

Daarbij is van belang dat zij hun eigen problematiek en asielmotieven hebben en daarom niet gezamenlijk één dwangsom verbeuren. Zo heeft opposant verklaard op pagina 7 van het combinatiegehoor dat er een aanhoudingsbevel jegens hem is uitgevaardigd door de Turkse autoriteiten, nadat hij, zo begrijpt de verzetrechter, met het decreet ihrac is ontslagen. Opposante heeft daarentegen in het combinatiegehoor aangegeven dat haar gegronde vrees voorkomt uit (onder meer) een politieoperatie van 28 februari 2020 waarbij diplomaten zijn aangehouden op basis van een lijst waarvan het vermoeden bestaat dat zij daar ook op staat. Zij heeft ook met voornoemd decreet te maken gekregen en zij is, zo begrijpt de verzetrechter, gelinkt aan de gewapende terreurorganisatie FETÖ/PDY.

Daarnaast heeft de rechtbank in de hersteluitspraak verweerder ten onrechte een termijn van zestien weken gegeven om de beslissing op de asielaanvragen kenbaar te maken. Dit is in strijd met het 8+8 model aangezien zij al waren gehoord, aldus opposanten.

4. De verzetrechter overweegt als volgt.

5. De verzetrechter oordeelt dat wat opposanten in het verzet hebben aangevoerd niet leidt tot twijfel omtrent de uitkomst van de beroepen. De enkele stelling dat zij afzonderlijk beroep hebben ingesteld maakt niet dat de rechtbank geen zodanige samenhang heeft kunnen aannemen dat verweerder slechts één dwangsom heeft verbeurd. De rechtbank heeft reeds gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3934 en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624.

6. De verzetrechter overweegt verder dat de argumenten met betrekking tot de eigen asielmotieven die uit de gehoren blijken niet leiden tot redelijke twijfel ten aanzien de uitspraak waartegen verzet is gedaan. Hieruit volgt immers onder meer dat opposanten zijn getrouwd, hebben gewerkt voor de Turkse autoriteiten en beiden te maken hebben gekregen met het decreet ihrac. De beargumenteerde verschillen in de asielmotieven leiden niet tot twijfel over de vraag of in het geval van opposanten afgeweken moeten worden van het uitgangspunt dat de aanvragen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat één dwangsom wordt verbeurd.

7. De verzetrechter ziet voorts in de in het verzet aangedragen argumenten geen grond om te twijfelen aan de opdracht uiterlijk binnen zestien weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat er enkel een aanmeldgehoor plaatsgevonden heeft. Op grond van vaste rechtspraak van onder meer de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2020:1560) volgt dat een termijn van zestien weken passend wordt geacht indien er nog geen eerste gehoor heeft plaatsgevonden.

8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij de beroepen zonder zitting kon afdoen. De verzetten zijn ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzetten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Tijssen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.