Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4714

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
9103171 RL 21-4966
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; voortzetting werkzaamheden na einde lootijd derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; loonvoordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

esp/c

Rolnummer: 9103171 / RL 21-4966

Datum: 6 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg,

(toevoeging verleend onder nummer [toevoeging] )

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Haring & Zeevis groothandel atlantic b.v.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.W.R. Hoogstraten.

Partijen worden hierna [eiser] en Altantic genoemd.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- de dagvaarding van 30 maart 2021 met producties 1 tot en met 6;

- de (e-mail)brief van 20 april 2021 van de zijde van Atlantic met vier producties.

1.2.

Op 21 april 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. M. Kager. Namens Atlantic is verschenen [betrokkene] , bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten naar voren gebracht aan de hand van pleitnotities, die zij hebben overgelegd. Deze pleitnotities zijn met de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van wat er op de zitting is gebeurd, aan het griffiedossier toegevoegd.

1.3.

Vervolgens is de uitspraak bepaald op vandaag.

2 Feiten

2.1.

Partijen hebben drie keer een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde tijd, op grond waarvan [eiser] in de functie van [functie] in dienst van Atlantic werkzaamheden heeft verricht. De eerste arbeidsovereenkomst, voor de duur van drie maanden, ving aan op 1 mei 2019 en eindigde op 31 juli 2019; de tweede arbeidsovereenkomst, voor de duur van tien maanden, ving aan op 1 augustus 2019 en eindigde op 1 juni 2020; de derde arbeidsovereenkomst, voor zes maanden, ving aan op 1 juni 2020 en had een looptijd tot 1 december 2020. In alle drie de arbeidsovereenkomsten is opgenomen dat de overeengekomen arbeid 40 uren per week bedraagt en dat het brutosalaris € 1.663,08 per maand bedraagt, met een vakantietoeslag van 8% van het brutosalaris.

2.2.

Bij brief van 27 oktober 2020 heeft Atlantic aan [eiser] bericht dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2020 niet zal worden verlengd.

2.3.

Op 6 en 7 december 2020 heeft [eiser] chaffeurswerkzaamheden voor Atlantic verricht door op haar verzoek een rit naar Duitsland te maken.

2.4.

Bij terugkomst op 7 december 2020 voelde [eiser] zich niet goed en is hij in het ziekenhuis opgenomen en behandeld wegens hartklachten. Hij heeft Atlantici daarover dezelfde dag bericht. Op 11 december 2020 is [eiser] uit het ziekenhuis ontslagen.

3 Vordering en grondslag

3.1.

[eiser] vordert – verkort weergegeven – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Atlantic wordt veroordeelt:
I. aan [eiser] af te geven volledige kopieën van de arbeidsovereenkomst(en) tussen partijen, op straffe van een dwangsom;

II. aan [eiser] af te geven correcte loonstroken over de periode van 1 mei 2019 tot heden en hem maandelijks gelijktijdig met de loonbetaling loonstroken te blijven verstrekken, op straffe van een dwangsom;

III. aan [eiser] te voldoen het achterstallige loon over de maanden december 2020, januari 2021 en februari 2021, in totaal € 5.049,60 bruto;

IV. aan [eiser] te voldoen de vakantietoeslag van € 403,96 bruto;

V. aan [eiser] te betalen de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de onder I. en II. (de kantonrechter begrijpt dat bedoeld is: III. en IV.) genoemde bedragen;

VI. aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over de onder I. tot en met III. (de kantonrechter begrijpt dat bedoeld is III. tot en met V.) genoemde bedragen;

VII. aan [eiser] op de gebruikelijke tijdstippen te betalen het loon van € 1.663,08 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige secundaire voorwaarden, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente in geval van te late betaling;

VIII. aan [eiser] te verstrekken de jaaropgaven 2019 en 2020, op straffe van een dwangsom;

XI. een begin te maken met de re-integratie van [eiser] , op straffe van een dwangsom;

X. de buitengerechtelijke kosten van € 647,68 exclusief BTW en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

XI. in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat hij in dienst is van Atlantic op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarbij wijst [eiser] primair op loonstroken die hij heeft ontvangen waarop te lezen is “Contract Onb. Tijd Ja”. Deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is nooit (rechtsgeldig) beëindigd, althans voor zover deze is geëindigd per 1 december 2020, is deze nadien feitelijk voortgezet en loopt deze dus nog steeds.

Voor zover sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 1 december 2020 eindigde, is van belang dat dit de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is en [eiser] na afloop van deze arbeidsovereenkomst de werkzaamheden voor Atlantic feitelijk heeft voorgezet waardoor deze arbeidsovereenkomst ex artikel 7:668a lid 1 sub b BW is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, althans deze ex artikel 7:668 lid 4 sub b en lid 5 BW is verlengd met eenzelfde tijd als die van de arbeidsovereenkomst van vóór 1 december 2020. Deze arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd. De feitelijke voortzetting bestaat eruit dat [eiser] ook op en na 1 december 2020 door Atlantic is opgeroepen om werkzaamheden te verrichten. Meer specifiek: [eiser] is op 6 en 7 december 2020 voor Atlantic naar Duitsland gereden. [eiser] heeft tankbonnen van deze rit overgelegd.

[eiser] heeft op grond van artikel 7:655 lid 1 BW recht op kopieën van de arbeidsovereenkomsten om duidelijkheid te verkrijgen over zijn rechtspositie. Vanaf 1 december 2020 heeft [eiser] geen loon meer ontvangen terwijl hij tot en met 7 december 2020 heeft gewerkt en aansluitend arbeidsongeschikt is geworden. [eiser] maakt aanspraak op het overeengekomen loon tot en met 7 december 2020. Aansluitend heeft hij recht op 70% van het loon en nu dat minder bedraagt dan het minimumloon, maakt hij aanspraak op het minimumloon (artikelen 7:629 lid 1 BW en 8 lid 1 sub a WMM), tevens maakt hij aanspraak op de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente.

4 Verweer

4.1.

Atlantic voert verweer en concludeert tot afwijzing van [eiser] vordering.

4.2.

Het verweer van Atlantic komt er – samengevat – op neer dat er met de derde arbeidsovereenkomst een einde aan het dienstverband van [eiser] is gekomen. [eiser] was feitelijk werkzaam als [functie] . Atlantic was de laatste tijd ontevreden over [eiser] arbeidsethos waar het andere werkzaamheden betrof dan het rijden van lange ritten. Hij is daarop vele malen aangesproken. Omdat Atlantic slechts af en toe een rit naar het buitenland had en dit door de Corona-crisis ook minder werd, kon zij [eiser] daarmee niet langer 40 uren per week aan het werk houden en was continuering niet logisch. In vele gesprekken met [eiser] (en in een geval zijn moeder) is dit door Atlantic kenbaar gemaakt. [eiser] wilde lange ritten blijven rijden. Atlantic was daartoe bereid maar niet op basis van een dienstverband. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat Atlantic [eiser] zou benaderen op het moment dat zich een rit naar het buitenland zou voordoen en [eiser] zou die rit dan doen op zzp-basis en Atlantic achteraf factureren, tegen een uurtarief van € 18,50. [eiser] heeft op 6 en 7 december 2020 een enkele rit voor Atlantic naar Duitsland gereden en [eiser] zou Atlantic vervolgens factureren op zzp-basis. Verder heeft [eiser] geen werkzaamheden vanaf 1 december 2020 uitgevoerd. Er zijn steeds loonstroken verstrekt en kopieën daarvan zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan [eiser] gemachtigde gezonden; kopieën van de arbeidsovereenkomsten zijn als productie overgelegd.

5 Beoordeling

Spoedeisend belang

5.1.

Het spoedeisende belang van [eiser] is voldoende aannemelijk geworden. Het gaat in deze procedure om de vraag of [eiser] recht heeft op doorbetaling van zijn loon (tijdens ziekte). Deze vordering is naar haar aard spoedeisend en [eiser] is in zoverre dan ook ontvankelijk in zijn vordering.

Toetsingskader

5.2.

Voorop moet worden gesteld dat voor toewijzing van deze vordering slechts plaats is, indien er sprake is van een grote mate van waarschijnlijkheid dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De kantonrechter dient daarom te beoordelen of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop de toewijzing op dit moment gerechtvaardigd is.

Arbeidsovereenkomst

5.3.

Centraal staat de vraag of er vanaf 1 december 2020 een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.

5.4.

De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij, nu hij de door Atlantic overgelegde arbeidsovereenkomsten heeft gezien, niet langer het standpunt inneemt dat steeds sprake is geweest van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat er is doorgewerkt na het einde van de derde arbeidsovereenkomst is deze geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aldus [eiser] . Atlantic betwist niet dat er bepaalde werkzaamheden zijn uitgevoerd maar stelt dat deze op basis van een opdrachtovereenkomst (op zzp-basis) zijn uitgevoerd en dat daarin (dus) geen voortzetting van de arbeidsrelatie kan worden gevonden. Desgevraagd heeft Atlantic verklaard dat de afspraken met betrekking tot de opdrachtovereenkomst niet schriftelijk zijn vastgelegd.

5.5.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] op 6 en 7 december 2020 voor Atlantic op haar verzoek werkzaamheden heeft uitgevoerd door een rit naar Duitsland te maken. Uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] daarvoor gebruik heeft gemaakt van een vrachtwagen van Atlantic, zoals hij ook vóór 1 december 2020 heeft gedaan. Volgens [eiser] heeft hij ook de dagen daarvoor, vanaf 1 december 2020 voor Altantic gewerkt (dat zou onder meer kunnen blijken uit de tachograaf). Dat wordt door Atlantic betwist. Omdat in deze (kort geding) procedure geen plaats is voor bewijslevering, zal dit verder in het midden blijven. Het werken als chauffeur is gelijk aan het soort werkzaamheden dat [eiser] vóór 1 december 2020 voor Atlantic als werknemer van Atlantic heeft uitgevoerd. [eiser] betwist dat hij de werkzaamheden op 6 en 7 december 2020 anders dan als werknemer heeft uitgevoerd en dat hij met Altantic af zou hebben gesproken als zzp-er aan de slag te gaan. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij zelfs geen kvk-nummer heeft en dat een uurtarief van € 18,50 voor de werkzaamheden niet reëel kan worden genoemd.

5.6.

Met de gemotiveerde betwisting door [eiser] , lag het op de weg van Atlantic haar stelling, inhoudende dat partijen afspraken hebben gemaakt over door [eiser] op zzp-basis uit te voeren opdrachten en dat deze rit naar Duitsland een zodanige opdracht was, van een concrete onderbouwing te voorzien. Die is echter uitgebleven. Atlantic heeft, op het beweerde uurtarief na, geen enkel inzicht verschaft in de wijze waarop er afspraken zouden zijn gemaakt tussen haar en [eiser] en wat die afspraken zouden hebben ingehouden. Dit terwijl verondersteld mag worden dat partijen er alle belang bij zouden hebben om de nieuwe juridische status van partijen van opdrachtgever/opdrachtnemer (in plaats van werkgever/werknemer) duidelijk af te spreken en vast te leggen. Atlantics verklaring voor het feit dat er geen schriftelijke vastlegging bestaat van deze afspraak, overtuigt de kantonrechter niet. Volgens Atlantic gaat alles in deze branche altijd mondeling en bestaat er daarom geen schriftelijke vastlegging van deze afspraak. De kantonrechter constateert echter dat, wat daarvan ook zei, Atlantic overigens haar afspraken met [eiser] eerder wel schriftelijk heeft vastgelegd in drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur en dat zij bij brief van 27 oktober 2020 het einde van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd. Ook overigens heeft Atlantic haar stelling omtrent het bestaan van een opdrachtovereenkomst niet aannemelijk gemaakt.

5.7.

Met het voorgaande komt de kantonrechter vooralsnog tot de conclusie dat [eiser] op grond van gedragingen van Atlantic heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van 30 november 2020 is voortgezet. Niet ter discussie staat dat partijen op dat moment al drie (aansluitende) arbeidsovereenkomsten hadden gesloten zodat de derde arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:668a BW converteert in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter de kans zo groot dat in een bodemprocedure ervan zal worden uitgegaan dat [eiser] vanaf 1 december 2020 voor onbepaalde tijd in dienst is van Atlantic en dat zij [eiser] loon (bij ziekte) dient te betalen, dat de loonvordering voor toewijzing vatbaar is.

Vorderingen

5.8.

De kantonrechter zal de onder III. en IV. gevorderde en overigens niet door Atlantic betwiste bedragen toewijzen met de daarover eveneens niet betwiste wettelijke verhoging en rente zoals in het dictum verwoord. Daarnaast zal Atlantic worden veroordeeld tot het aan [eiser] op de gebruikelijke tijdstippen betalen van het loon van € 1.663,08 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige secundaire voorwaarden totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd. De kantonrechter ziet in wat door [eiser] is aangevoerd op dit moment nog geen aanleiding om Atlantic, voor het geval zij niet tijdig betaalt, te veroordelen in de (toekomstige) wettelijke verhoging en wettelijke rente.

5.9.

Voor toewijzing van de vordering met betrekking tot de re-integratie, ziet de kantonrechter vooralsnog geen aanleiding. Deze vordering is door [eiser] in het geheel niet onderbouwd. Het is bovendien niet zonder meer gezegd dat Atlantic de re-integratie van [eiser] – nu zij zal worden veroordeeld tot de doorbetaling van zijn loon – niet met de nodige voortvarendheid ter hand zal nemen.

5.10.

Kopieën van de arbeidsovereenkomsten zijn door Atlantic overgelegd zodat de vordering onder I. zal worden afgewezen, omdat zonder nadere toelichting (die niet is gegeven) niet valt in te zien welk belang daarmee nog gemoeid is. Ook heeft Atlantic de desbetreffende loonstroken kort voor de mondelinge behandeling aan [eiser] gemachtigde toegezonden. Dat er gerede vrees bestaat dat Atlantic geen loonstroken over de periode vanaf december 2020 aan [eiser] zal toesturen, is onvoldoende onderbouwd, zodat ook de vordering onder II. zal worden afgewezen. Niet duidelijk is geworden of de jaaropgaven over de jaren 2019 en 2020 inmiddels door Atlantic ter beschikking zijn gesteld, zodat de vordering onder VII. zal worden toegewezen, waarbij de kantonrechter aanleiding ziet de dwangsom en het aan dwangsommen te verbeuren maximum te matigen.

5.11.

Tegen de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft Atlantic geen inhoudelijk verweer gevoerd. Deze zullen dan ook, als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

5.12.

Atlantic zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van [eiser] . Hij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt Atlantic slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht (€ 85,-), de verschotten (€ 23,90) en ten slotte tot vergoeding van het – hierna in het dictum vast te stellen – salaris van de gemachtigde. Deze vergoeding voor het salaris moet door de gemachtigde worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de gemachtigde toegekende vergoeding. De gevorderde nakosten zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 Beslissing

De kantonrechter rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt Atlantic om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het totaal van het achterstallige loon over de maanden december 2020, januari 2021 en februari 2021, zijnde een bedrag van € 5.049,60 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag en de wettelijke rente te berekenen telkens vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van betaling;

2. veroordeelt Atlantic om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] , te betalen de vakantietoeslag van € 403,96 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag en de wettelijke rente te rekenen vanaf 13 februari 2021 tot aan de dag van betaling;

3. veroordeelt Atlantic om aan [eiser] op de gebruikelijke tijdstippen, te betalen het loon van € 1.663,08 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige secundaire voorwaarden, totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

4. veroordeelt Atlantic om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 647,68, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 30 maart 2021 tot aan de dag van betaling;

5. veroordeelt Atlantic om aan [eiser] te verstrekken binnen een week na betekening van het vonnis, de jaaropgaven 2019 en 2020, bij gebreke waarvan Atlantic een dwangsom van € 100,- verbeurt voor iedere dag dat zij geen gevolg geeft aan deze veroordeling met een maximum van € 2.000,- aan te verbeuren dwangsommen;

6. veroordeelt Atlantic in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 855,90, waarvan € 747,- als het aan de gemachtigde van [eiser] toekomende salaris;

7. veroordeelt Atlantic tot betaling van € 124,- aan nasalaris, voor zover [eiser] daadwerkelijk nakosten zal maken, en als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2021.