Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4692

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
NL21.4496
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Het overnameverzoek is binnen twee maanden als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening ingediend. Het claimverzoek is ook volledig. Verweerder hoeft de vingerafdrukken niet mee te zenden met het 'Eurodac Search Result', omdat de treffer is gebaseerd op de vingerafdrukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4496


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser

tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling

genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de voorlopige voorziening

met zaaknummer NL21.4497, plaatsgevonden op 29 april 2021 in Dordrecht. Eiser is, met

bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich, via een skype-verbinding,

laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek niet tijdig aanvaard, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat sinds 19 maart 2021.

3. Eiser heeft verwezen naar de zienswijze en gesteld dat deze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3.1.

Voor zover eiser niet concretiseert op welke punten de motivering van het bestreden

besluit ontoereikend is, kan de enkele verwijzing naar hetgeen hij eerder heeft ingebracht

niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor dit oordeel vindt de rechtbank

steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de

Afdeling), onder meer in de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169,

rechtsoverweging 4.

4. Eiser betoogt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn

asielaanvraag. Daartoe stelt eiser primair dat het overnameverzoek niet binnen twee

maanden is ingediend als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening.

4.1.1.

Artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover van belang, luidt:

De lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan die andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, lid 2, om overname verzoeken.

Niettegenstaande de eerste alinea wordt, in het geval van een Eurodac-treffer met gegevens die zijn opgeslagen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2013, het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van de treffer toegezonden overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening.

Indien er binnen de in de eerste en tweede alinea vastgelegde termijnen geen verzoek tot overname van de verzoeker wordt ingediend, is de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

4.1.2.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het claimverzoek van 18 januari

2021 niet tijdig is ingediend dan wel niet is ontvangen door de Italiaanse autoriteiten.

Anders dan eiser stelt, is het stuk dat in het dossier is toegevoegd aan het claimverzoek,

geen stuk waaruit kan worden opgemaakt op welke datum en tijdstip het claimverzoek is

verstuurd aan de Italiaanse autoriteiten. Het voornoemde toegevoegde stuk bewijst enkel dat

het claimverzoek door een IND-medewerker om 18 januari 2021 om 14:22:25 uur is

verzonden naar de IND-afdeling die de stukken in de daartoe bestemde systemen registreert.

Het betreft dus geen extern e-mailverkeer met de Italiaanse autoriteiten.

4.1.2.

Uit het door verweerder in beroep overgelegde stuk blijkt dat het claimverzoek met

kenmerk ‘ [kenmerknummer 1] op 18 januari 2021 om 14:11

uur is verzonden aan de Italiaanse autoriteiten. De ontvangstbevestiging van dit verzoek met

kenmerk [kenmerknummer 2] is verstuurd op maandag

18 januari 2021 om 14:12. De rechtbank is van oordeel dat, nu de tijdstippen logisch op

elkaar volgen en de kenmerkregels overeenkomen, ervan kan worden uitgegaan dat het

overnameverzoek is ingediend conform artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening.

4.2.

Onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG)

nr. 1650/2003 (Uitvoeringsverordening) en de daarin opgenomen bijlage over

bewijsmiddelen voert eiser subsidiair aan dat het claimverzoek onvolledig is, omdat de

vingerafdrukken niet zijn meegezonden met het Eurodac-resultaat. Hierdoor kan er volgens eiser niet vanuit worden gegaan dat het fictief claimakkoord op goede gronden tot stand is

gekomen.

4.2.1.

Artikel 1, van de Uitvoeringsverordening, voor zover van belang, luidt:

Een overnameverzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het standaardformulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I. Het formulier bevat verplichte rubrieken die volledig moeten worden ingevuld. De overige gedeelten worden ingevuld voor zover de informatie beschikbaar is. Aanvullende inlichtingen kunnen worden verstrekt in de daarvoor op het formulier gereserveerde ruimte.

a) de kopie van alle bewijsmiddelen en indirecte bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, in voorkomend geval vergezeld van verklaringen over de omstandigheden waarin deze zijn verkregen en over de bewijskracht die de verzoekende lidstaat eraan toekent aan de hand van de in artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde lijsten van bewijsmiddelen en indirecte bewijzen, die in bijlage II bij de onderhavige verordening zijn opgenomen.

4.2.2.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het claimverzoek volledig is. In

Bijlage II, van de Uitvoeringsverordening staat artikelsgewijs opgenomen aan de hand van

welke bewijsmiddelen de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat plaatsvindt. Punt 7

ziet op een claimverzoek op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Als

bewijsmiddel geldt in dit geval de treffer in het kader van Eurodac vastgesteld ten gevolge

van de vergelijking van de vingerafdrukken van de verzoeker met de krachtens artikel 14

van de Eurodac-verordening verzamelde vingerafdrukken. Met het claimverzoek is de

hiervoor bedoelde treffer of Eurodac Search Result meegezonden, waaruit blijkt dat eiser op

3 september 2020 Italië is binnengekomen. Verweerder heeft de vingerafdrukken niet

hoeven meezenden, omdat het Eurodac Search Result is gebaseerd op vingerafdrukken.

5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. P.R. de Man, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.