Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4691

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
C/09/608114 / JE RK 21-419
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:255 BW en 1:265b BW). Wel sprake van ontwikkelingsbedreiging, maar niet voldaan aan vereiste dat hulp onvoldoende wordt geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/608114 / JE RK 21-419

Datum uitspraak: 14 april 2021

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 26 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.T. Eekhof-van Loenen te Den Haag,

[opa]

hierna te noemen: de grootvader moederszijde,

en

[oma] ,

hierna te noemen: de grootmoeder moederszijde,

beiden wonende te [woonplaats] .


De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Op 1 april 2021 heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek geheel aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift van de zijde van de moeder;

- het proces-verbaal van aanhouding d.d. 1 april 2021.

Op 14 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de grootouders moederszijde.

Feiten

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk het grootste deel van de week bij de grootouders moederszijde.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders moederszijde, voor de periode van zes maanden. De Raad heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Nadat hun halfbroertje met spoed uit huis geplaatst is, is het Raadsonderzoek ambtshalve uitgebreid naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben een belast verleden en kampen met lichamelijke klachten en leerachterstanden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn getuige geweest van de gewelddadige relatie tussen de ouders. Er is al geruime tijd geen contact meer tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, maar hij heeft wel ouderlijk gezag. Dat is een belemmerende factor om de juiste hulp te kunnen inzetten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder lijkt overbelast. Zij zou kampen met PTSS en kenmerken van een depressie en een borderline persoonlijkheidsstoornis hebben, en zij is recent nog opgenomen geweest in het ziekenhuis met lichamelijke klachten. De moeder heeft behandeling en begeleiding vanuit de Brijder vanwege haar alcoholgebruik. Het is positief dat de moeder de grootouders moederszijde heeft ingeschakeld ter ondersteuning. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds een jaar bij de grootouders. De Raad heeft echter zorgen over de spanningen en strijd tussen de grootouders en de moeder. Als gevolg daarvan zitten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een loyaliteitsconflict en wordt hun sociaal-emotionele ontwikkeling geschaad.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd. De advocaat van de moeder heeft verzocht het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Daartoe heeft zij het volgende naar voren gebracht. Een ondertoezichtstelling is een ultimum remedium. De moeder accepteert de hulpverlening en werkt hieraan actief mee. De reden dat traumatherapie voor [minderjarige 1] nog niet is gestart is vanwege het ontbreken van toestemming van de vader. Als dat een belemmerende factor blijft, kan de moeder vervangende toestemming vragen bij de rechter. Daar is geen ondertoezichtstelling voor nodig. Ter zitting is het onderwerp van contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die pas sinds het Raadsonderzoek in beeld is, ter sprake gekomen als aanvullende grond voor ondertoezichtstelling, terwijl dat geen doel van de ondertoezichtstelling is of zou moeten zijn. Het is niet de bedoeling dat de vader nu bij het proces betrokken wordt vanuit de algemene gedachte dat kinderen recht hebben op omgang met beide ouders, zonder dat daarin maatwerk voor deze specifieke zaak is geleverd.

Van een loyaliteitsconflict in verband met de relatie tussen de moeder en de grootouders is geen sprake. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven juist duidelijk hun eerlijke mening over zowel de moeder als de grootouders, die daardoor hebben ingezien dat zij meningsverschillen op een andere manier moeten bespreken om te zorgen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar niets van meekrijgen. De inzet van Family Supporters kan daarvoor worden benut.

Een ondertoezichtstelling hoeft in deze zaak evenmin te dienen als middel om een machtiging tot uithuisplaatsing te kunnen geven, aangezien het gaat om een vrijwillige netwerkplaatsing bij de grootouders. Dit kan buiten juridische kaders.

De moeder heeft aanvullend aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierin betrokken zijn geraakt door de uithuisplaatsing van hun halfbroertje. Het gaat echter prima met hen en er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de grootouders. De moeder is hard bezig met de hulpverleningstrajecten.

De vader heeft aangegeven dat hij lang geen contact heeft gezocht omdat de moeder dat niet wilde. De vader vindt dat de kinderen, bij een breuk tussen de ouders, bij de moeder moeten blijven. Hij had er vertrouwen in dat dat goed zou gaan. Naar aanleiding van het Raadsrapport kreeg hij het gevoel mogelijk hulp te kunnen bieden. De vader zal meewerken in het verlenen van toestemming voor de behandeling van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben dit niet verdiend, en moeten vrij kunnen leven en vrij kunnen denken. De vader zou op den duur graag weer contact met ze willen, maar alleen als zij daar klaar voor zijn.

De grootouders hebben aangegeven dat de meningsverschillen tussen hen en de moeder niet zo heftig zijn geweest als hoe dat door de Raad en de gecertificeerde instelling wordt gesteld. Er is geen sprake van ruzie. Bovendien is de situatie de afgelopen tijd verbeterd. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ze gaan naar school en sport, hebben vriendjes en goede rapporten. Ze kunnen in ieder geval totdat hun halfbroertje weer thuis is bij de grootouders blijven wonen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben rust nodig. Ondanks dat staat de grootmoeder wel open voor vrijwillige hulpverlening.

De gecertificeerde instelling heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De regie van de jeugdbeschermer is nodig om de bestaande patronen te kunnen doorbreken en de moeder te kunnen ondersteunen. Het is positief dat de moeder hulp krijgt vanuit de Brijder en dat ze heeft aangegeven traumatherapie te willen krijgen, maar deze ontwikkelingen en de start van het Family Supporters-traject zijn nog pril.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling en de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing niet, althans onvoldoende aanwezig zijn. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er is sprake van concrete en ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zijn gelegen in hun leerachterstanden en lichamelijke klachten, en in het feit dat zij getuige zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en dat zij (te) veel meekrijgen van de spanningen tussen de moeder en de grootouders. Er is echter niet voldaan aan het vereiste dat de ouders met gezag de noodzakelijke hulp onvoldoende accepteren. De Raad heeft aangegeven dat Veilig Thuis sinds twee jaar betrokken is, en dat er in het vrijwillig kader onvoldoende veranderd is. Veilig Thuis is echter geen hulpverleningsorganisatie. In het Raadsrapport staat: “Er is nog niet geprobeerd om hulpverlening in te zetten in bijvoorbeeld het vrijwillig kader, maar vragen ons af of dit wel van de grond komt, gezien het feit dat iedereen een ander beeld van de situatie heeft.” Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling kan alleen worden ingezet als minder ingrijpende maatregelen zijn uitgeput en onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. In dit geval is de stap van vrijwillige hulpverlening overgeslagen, waardoor nu niet kan worden geconcludeerd dat de moeder die hulp onvoldoende zou of zal accepteren. De moeder accepteert de hulp vanuit de Brijder en binnenkort zal het traject van Family Supporters voor het halfbroertje van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] starten. Daarnaast heeft de vader ter zitting bevestigd dat hij wel degelijk toestemming geeft voor behandeling van [minderjarige 1] , en hebben de grootouders bevestigd ook open te staan voor hulp.

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af. Daarbij wordt benadrukt dat het van groot belang is dat de moeder en de grootouders in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen aan de slag gaan met vrijwillige hulpverlening, en blijven inzien dat wanneer sprake is van spanningen of ruzies, dit negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter spreekt het vertrouwen uit dat het de betrokkenen lukt in het vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen.

Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, kan evenmin sprake zijn van het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.