Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4626

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
AWB20/2733
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derde aanvraag mvv in het kader van nareis. Eritrea. Contra-indicatie. Geen bewijsnood. Geen substantieel indicatief bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/2733

V-nummers: [#] en [#]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres, en

[naam 2], eiser,

tezamen eisers,

(gemachtigde mr. H.C. van Asperen)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Op 2 april 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door verweerder.

Bij besluit van 9 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij bericht van 22 juni 2020 hebben eisers meegedeeld dat eisers zich niet kunnen verenigen met het besluit van verweerder.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 9 maart 2021.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij stelt de echtgenoot van eiseres te zijn en wenst verblijf bij haar in Nederland. Eiseres heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Na eerdere, in rechte vaststaande afwijzingen uit 2012 en 2014, heeft verweerder bij besluit van 26 maart 2019 (het primaire besluit) ook de derde aanvraag tot het verlenen van een mvv1 in het kader van nareis aan eiser afgewezen. Eisers hebben hiertegen op 18 april 2019 bezwaar gemaakt. De initiële afwijzingsgrond, dat eiseres niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, heeft verweerder in bezwaar laten vallen. Verweerder heeft bij brief van 11 mei 2020 aan eisers kenbaar gemaakt voornemens te zijn om de afwijzing op andere gronden te handhaven. Vanwege beperkende maatregelen in verband met de bestrijding van het coronavirus is eiseres hierop schriftelijk gehoord.

2. Als beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, dan heeft dat beroep gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb2 van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel tegemoet komt aan hetgeen de belanghebbende met zijn bezwaar wilde bereiken. Nu bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond is verklaard, heeft het beroep mede hierop betrekking.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor nareis. Het gestelde huwelijk tussen eisers is niet met officiële documenten aangetoond. Eisers verkeren hiervoor niet in bewijsnood. Het als origineel en officieel aangeboden uittreksel uit het huwelijksregister in Eritrea is vals bevonden door Bureau Documenten. Dit levert een contra-indicatie op voor het aanbieden van nader onderzoek. Daarnaast volgt verweerder eisers niet in de stelling dat hun huwelijk op een andere wijze aannemelijk is gemaakt. De juistheid van de opmaak, afgifte en inhoud van de overgelegde kerkelijke huwelijksakte staat niet vast. De daarnaast overgelegde Soedanese documenten maken niet aannemelijk dat eiser en eiseres gehuwd zijn op 23 mei 2010, althans dat eiser op het moment van de binnenkomst van eiseres in Nederland tot haar gezin behoorde. De stelling van eisers dat er geen valide grond is om te twijfelen aan het feit dat eiser de verwekker is van de zoon van eiseres is op geen enkele wijze onderbouwd.

4. Eisers hebben in beroep allereerst algemeen verwezen naar hun bezwaarschriften van 20 mei 2020 en 5 juni 2020. Verder hebben zij gewezen op overgelegde brieven van 25 juli 2018 en 15 augustus 2018, waarin eiseres aan eiser vraagt om een nieuw huwelijksuittreksel op te vragen en waarin eiser aan eiseres terugschrijft dat hij met dit verzoek bij de gemeente is geweest, maar dat zij hem geen nieuw uittreksel hebben verstrekt vanwege de illegale uitreis van eiseres. Verweerder werpt daarom ten onrechte tegen dat uit de overgelegde brieven niet zou blijken dat de Eritrese autoriteiten geweigerd hebben om aan eiser een nieuw huwelijksuittreksel te verstrekken. Verder berust de opmerking van verweerder dat de omstandigheid dat eiser tweemaal is opgepakt door de Eritrese autoriteiten zich niet verhoudt met de teruggave van de achtergebleven documenten op een miskenning van de staande praktijk in Eritrea. Eisers verwijzen naar het ambtsbericht over Eritrea van februari 2017, waaruit volgens hen volgt dat politie, veiligheidsdienst en justitie in Eritrea apart opereren van de militaire autoriteiten. Het besluit om geen bewijsnood aan te nemen voor het ontbreken van een bewijs van hun huwelijk is daarmee onvoldoende en ondeugdelijk gemotiveerd. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder bewijskracht had moeten toekennen aan de kerkelijke huwelijksakte. Dat het uittreksel uit het huwelijksregister op grond van technische kenmerken vals is bevonden brengt niet één op één mee dat de kerkelijke akte op basis waarvan het huwelijk bij de gemeente kan worden geregistreerd eveneens vals is. Eisers hebben de informatie over hun in 2017 geboren zoon ingebracht om duidelijk te maken dat zij nog altijd bij elkaar horen en inhoud geven aan hun huwelijksleven.

5. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is. Daarbij heeft hij meegedeeld dat hij volgt dat uit de overgelegde brieven wèl blijkt dat de Eritrese autoriteiten geweigerd hebben om eiser een nieuw huwelijksuittreksel te verstrekken. Hieraan kan echter niet de door eiser beoogde waarde worden toegekend, aangezien het gestelde is gebaseerd op een verklaring van eiser zelf en dit niet blijkt uit een officieel bericht van de Eritrese autoriteiten. Een en ander doet niet af aan verweerders oordeel over het ontbreken van bewijsnood. Dit betreft namelijk de vraag of eiser eerder kon beschikken over officiële documenten. Eisers hebben geen aannemelijke verklaring gegeven voor de valsheid van het eerder overgelegde document. Vanwege twijfel over de authenticiteit van de kerkelijke huwelijksakte is dit, ook in samenhang met de verklaringen van eisers, geen substantieel indicatief bewijs.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Verweerders werkwijze bij de beoordeling van nareisaanvragen was ten tijde van het bestreden besluit neergelegd in paragraaf C2/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hieruit volgt dat de nareiziger in beginsel zijn identiteit en familierechtelijke relatie met de referent moet aantonen door middel van officiële documenten. Verweerder biedt in beginsel geen nader onderzoek aan als er sprake is van een contra-indicatie. Van een contra-indicatie kan sprake zijn als valse of vervalste documenten zijn overgelegd. Indien overgelegde officiële documenten negatief zijn beoordeeld door Bureau Documenten, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierop te geven ter beoordeling van de vraag in hoeverre dit wel of niet aan hem valt toe te rekenen. Indien de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat dit niet aan hem valt toe te rekenen, dan kan de nareisaanvraag worden afgewezen. De enkele verklaring dat de vreemdeling niet wist dat het document vals of vervalst was, of dat het document door tussenkomst van een derde was verkregen, wordt niet als verschoonbaar beschouwd. Ook als zich een contra-indicatie voordoet, worden overige verklaringen of bewijsmiddelen betrokken bij de beoordeling of nader onderzoek wordt aangeboden.

7. Niet in geschil is dat de gestelde huwelijksband niet met officiële documenten is aangetoond. Het overgelegde uittreksel uit het huwelijksregister is door Bureau Documenten vals bevonden.3 Eiseres heeft op vragen hierover van verweerder verklaard dat zij in het gemeentehuis in Asmara heeft verzocht om een uittreksel huwelijksregister. Zij stelt dat zij niet op de hoogte was dat het document vals zou zijn. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit geen deugdelijke verklaring is voor de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten. De inhoud van de overgelegde briefwisseling tussen eiseres en eiser vormt hiervoor evenmin een verklaring. Aldus hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat hen het overleggen van een vals document niet valt toe te rekenen. Verweerder heeft dan ook kunnen stellen dat niet is gebleken van bewijsnood voor het overleggen van officiële documenten ter onderbouwing van de gestelde huwelijksband. De gestelde omstandigheid dat eisers niet alsnog in het bezit kunnen komen van een officieel uittreksel uit het huwelijksregister en de mogelijke redenen hiervoor zijn hierbij niet ter beoordeling, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt in zijn verweerschrift. Gelet op de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten hoefde verweerder aan eisers geen nader onderzoek aan te bieden.

8. Verweerder heeft terecht overwogen dat authenticiteit van de overgelegde kerkelijke huwelijksakte niet vaststaat. De kerkelijke huwelijksakte is ‘mogelijk echt’ bevonden door Bureau Documenten. Daarbij komt dat het overleggen van één onofficieel document in de regel onvoldoende is voor het aannemelijk maken van de gestelde familierelatie. Van de overige overgelegde documenten, te weten een kopie van de Soedanese verblijfspas van eiser, een kopie van het visum van eiseres in Soedan, een kopie van een exit visum van eiser, heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze niet aannemelijk maken dat eiser en eiseres gehuwd zijn op [datum] 2010, althans dat eiser op het moment van binnenkomst van eiseres in Nederland tot haar gezin behoorde. Of eiser al dan niet de biologische vader is van de in 2017 geboren zoon van eiseres onderbouwt evenmin het gestelde huwelijk tussen eisers ten tijde van de binnenkomst van eiseres in Nederland. Dit geldt evenzeer voor de inschrijving van hun huwelijk op basis van eigen verklaringen in de Basisregistratie Personen. Verweerder heeft in dit geval dan ook geen substantieel indicatief bewijs hoeven aannemen.

9. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de nareisaanvraag niet voor inwilliging in aanmerking komt omdat het gestelde huwelijk tussen eisers niet is aangetoond.

10. Voor zover eisers overigens hebben verwezen naar hetgeen zij in bezwaar hebben aangevoerd, geldt dat verweerder hier voldoende gemotiveerd op heeft gereageerd in het bestreden besluit en dat eisers in beroep niet concreet hebben aangegeven waarom die motivering niet zou deugen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 april 2021.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Machtiging tot voorlopig verblijf.

2 Algemene wet bestuursrecht.

3 Verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 23 oktober 2014.