Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4619

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
NL21.5004 en NL21.5392
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De (door eiser) genoemde teksten bepalen weliswaar dat onrechtmatige detentie moet leiden tot onmiddellijke invrijheidstelling van de gedetineerde persoon, maar verbieden niet die persoon aansluitend op een andere grondslag opnieuw te detineren als daar redenen toe bestaan. Onder die omstandigheden zou het zinledig zijn de gedetineerde persoon feitelijk in vrijheid te stellen, en aan de poort van de detentie inrichting staande te houden om hem opnieuw op een andere wettelijke grondslag in bewaring te stellen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

In dit geval heeft de eerste maatregel langer dan noodzakelijk op een verkeerde grondslag voortgeduurd, en dat is ook de reden dat verweerder eiser daarvoor schadevergoeding moet betalen. Dat doet er echter niet aan af dat verweerder de daaropvolgende, op een andere wettelijke grondslag gebaseerde maatregel op mocht leggen, en dat die maatregel op haar eigen merites moet worden beoordeeld.

Dat roept wel de vraag op wanneer de termijn die is genoemd in artikel 59b, tweede lid van de Vw 2000 in dit geval is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat, van welke (van de door partijen genoemde) aanvangsdatum ook wordt uitgegaan, de termijn die is genoemd in artikel 59b, tweede lid van de Vw 2000 nog niet is verstreken. Zij zal daarover, hoewel zij partijen daarover wel heeft bevraagd, nu niet oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5004 en NL21.5293


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,

gemachtigde: mr. E. Derksen,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. van Deel.


Procesverloop

Ten aanzien van het vervolgberoep

Verweerder heeft op 15 maart 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurde nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL21.5004.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Op 7 april 2021 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven.

Ten aanzien van het eerste beroep

Bij besluit van 7 april 2021 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL20.5293.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 15 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Omdat beide partijen na afloop van het onderzoek nader moesten reageren, is het onderzoek gesloten op 23 april 2021. Beide partijen hebben telefonisch afstand gedaan van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Moldavische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

Ten aanzien van het vervolgberoep tegen de maatregel die op 15 maart 2021 aan eiser is opgelegd (NL21.5004).

2. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2021 in de zaak NL21.3937 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 30 maart 2021 de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.

4. Niet in geding is dat de maatregel met ingang van 2 april 2021 op een verkeerde grondslag heeft berust en met ingang van die datum onrechtmatig was. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor zes dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van € 100,- per dag (verblijf detentiecentrum). Dat is 6 x € 100,- = € 600,-.

6. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Ten aanzien van het eerste beroep tegen de maatregel die op 7 april 2021 aan eiser is opgelegd (NL21.5293).

7. Eiser stelt dat de maatregel niet of te laat getekend aan eiser is uitgereikt.

7.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Een afschrift van de maatregel is op 7 april 2021 om 14.13 uur, voorzien van een zogenaamde ‘natte handtekening’ aan eiser uitgereikt. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dat de maatregel vanwege een technische storing eerst om 14.38 uur digitaal kon worden ondertekend doet daar niet aan af.

Daarmee is ook gegeven dat de maatregel is opgelegd vóórdat de daaraan voorafgaande maatregel is opgeheven, daargelaten wat de conclusie zou zijn als dat niet het geval was geweest.

8. Eiser stelt dat hij geen afstand heeft willen doen van zijn recht om ter zitting te verschijnen, en dat hij daarom in strijd met artikel 5, derde lid van het EVRM de behandeling van zijn zaak niet heeft kunnen bijwonen.

8.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de toelichting die zijn gemachtigde heeft gegeven blijkt, dat bij eiser op 1 april 2021 een besmetting met Covid-19 is vastgesteld. Op 14 april 2021 is eiser gevaccineerd tegen Covid-19, en op 15 april 2021 had hij koorts, waren zijn handen opgezwollen, had hij moeite met praten en was hij te beroerd om in de auto te stappen. Hij heeft die dag een afstandsverklaring ondertekend.

Dat eiser niet zou hebben begrepen dat hij een afstandsverklaring ondertekende, omdat hij naar eigen zeggen alleen Russisch of Roemeens spreekt, volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte, gedateerd 15 maart 2021, blijkt immers dat eiser (zij het gebrekkig) Engels spreekt. Overigens zou - ook als eiser geen afstandsverklaring zou hebben ondertekend - de rechtbank in deze omstandigheden niet in persoon hebben kunnen horen. Vervoer naar de rechtbank zou dan niet mogelijk zijn geweest, omdat eiser in quarantaine was, en horen door middel van een videoverbinding zou op korte termijn niet mogelijk zijn geweest.

9. Eiser stelt dat het gebrek dat aan de voorafgaande maatregel kleefde moet worden betrokken bij de beoordeling van de nieuwe maatregel. Hij stelt (samengevat) dat de vaste jurisprudentie van de Afdeling op dit punt (kort gezegd: een nieuwe maatregel van bewaring is niet reeds van meet af aan onrechtmatig, omdat een gebrek kleeft aan de direct daaraan voorafgaande en op een andere wettelijke grondslag berustende maatregel van bewaring) strijdig is met het Unierecht en het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming. Hij wijst er in dat verband op dat artikel 15, tweede lid van de Grondwet, artikel 9, derde lid van de (herschikte) Opvangrichtlijn1, artikel 15, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn2 en artikel 5, vierde lid van het EVRM in min of meer gelijkluidende bewoordingen bepalen dat als een detentie onrechtmatig wordt bevonden, de gedetineerde onmiddellijk moet worden vrijgelaten. Omdat dat in gevallen als hier aan de orde niet gebeurt, is volgens eiser geen sprake van effectieve rechtsbescherming.

9.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet. De genoemde teksten bepalen weliswaar dat onrechtmatige detentie moet leiden tot onmiddellijke invrijheidstelling van de gedetineerde persoon, maar verbieden niet die persoon aansluitend op een andere grondslag opnieuw te detineren als daar redenen toe bestaan. Onder die omstandigheden zou het zinledig zijn de gedetineerde persoon feitelijk in vrijheid te stellen, en aan de poort van de detentie inrichting staande te houden om hem opnieuw op een andere wettelijke grondslag in bewaring te stellen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

9.1.1

In dit geval heeft de eerste maatregel langer dan noodzakelijk op een verkeerde grondslag voortgeduurd, en dat is ook de reden dat verweerder eiser daarvoor schadevergoeding moet betalen. Dat doet er echter niet aan af dat verweerder de daaropvolgende, op een andere wettelijke grondslag gebaseerde maatregel op mocht leggen, en dat die maatregel op haar eigen merites moet worden beoordeeld.

9.1.2

Dat roept wel de vraag op wanneer de termijn die is genoemd in artikel 59b, tweede lid van de Vw 2000 in dit geval is aangevangen. Eiser stelt dat die termijn is aangevangen op 30 maart 2021, de datum waarop hij te kennen heeft gegeven dat hij een asielverzoek in wilde dienen. Verweerder stelt dat die termijn is aangevangen op 7 april 2021, de datum waarop aan eiser de maatregel met toepassing van artikel 59b van de Vw 2000 is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat, van welke aanvangsdatum ook wordt uitgegaan, de termijn die is genoemd in artikel 59b, tweede lid van de Vw 2000 nog niet is verstreken. Zij zal daarover, hoewel zij partijen daarover wel heeft bevraagd, nu niet oordelen.

Ten aanzien van de maatregel voor zover die is gegrond op artikel 59b, eerste lid aanhef en onder b van de Vw 2000.

10. Eiser stelt dat hij nu over documenten beschikt waarmee hij zijn asielverzoek kan onderbouwen, en dat daarom geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

10.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Los van de vraag of eiser nu over relevante documenten beschikt, hij heeft de aan de maatregel ten grondslag gelegde feitelijke gronden niet betwist. Daarmee is gegeven dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Ten aanzien van de maatregel voor zover die is gegrond op artikel 59b, eerste lid aanhef en onder c van de Vw 2000.

11. Eiser stelt dat hij het opvolgende asielverzoek heeft ingediend nadat de vlucht was geannuleerd, zodat de grondslag onjuist is.

11.1

De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de maatregel blijkt dat eiser het asielverzoek heeft gedaan nadat bekend was dat een vlucht voor hem zou worden geboekt.

12. Eiser stelt dat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod zijn geschorst, omdat hij een (opvolgend) asielverzoek heeft ingediend.

12.1

De rechtbank volgt eiser daarin, maar stelt ook vast dat hij voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel niet heeft voldaan aan de opgelegde terugkeerverplichting.

13. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep met het nummer NL21.5004 gegrond;

  • -

    kent aan eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van € 600,- en beveelt de tenuitvoerlegging daarvan;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-;

  • -

    verklaart het beroep met het nummer NL21.5293 ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding toe te kennen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van

D.K. Bloemers, griffier.

griffier rechter

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 600,-.

De uitspraak is bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum:

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep met het nummer NL21.5004 staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep met het nummer NL21.5293, kan binnen één week na de dag van bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)

2 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven