Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure (intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/3660 en SGR 20/4275

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 4 mei 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken en hem tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 20 mei 2020 in kennis gesteld van deze besluiten. Met deze kennisgeving wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld tegen deze besluiten.

Bij brief van 16 juni 2020 heeft mr. C.F. Wassenaar (hierna: de gemachtigde) zich gesteld als raadsman van eiser. Bij brief van 21 juli 2020 heeft de gemachtigde de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister), die geen partij is, bij brief van 28 juli 2020 verzocht inzage te geven in de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht. Bij brief van 30 juli 2020 heeft de minister de rechtbank onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht.

Bij beslissing van 28 september 2020 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht gerechtvaardigd is. Bij brief van 30 september 2020 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen. Bij brief van 14 oktober 2020 heeft de gemachtigde de rechtbank medegedeeld de toestemming (nog) niet te kunnen verlenen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus heeft de zitting via een Skype-verbinding plaatsgevonden. Via deze verbinding zijn de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder gehoord.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toestemming aan de rechtbank verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat. Op 9 februari 2021 heeft de rechtbank de onderliggende stukken van het ambtsbericht ingezien ten kantore van de AIVD. Bij brief van 23 februari 2021 is aan de partijen medegedeeld dat het onderzoek (met hun instemming) is gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op [geboortedag] 1987 in Marokko geboren uit Marokkaanse ouders. Eiser verkreeg daarbij van rechtswege de Marokkaanse nationaliteit. Aan de vader van eiser is op 19 oktober 1995 de Nederlandse nationaliteit verleend. Aan eiser is op 31 december Personen (BRP) geregistreerd als (tevens) van Nederlandse nationaliteit. Op 10 december 2015 is eiser wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de BRP van de gemeente Rotterdam naar de Registratie Niet-ingezetenen. Op 21 augustus 2020 heeft eiser zich gemeld bij het Nederlandse consulaat in Istanbul (Turkije) met het verzoek een Nederlands reisdocument te verkrijgen teneinde zich naar Nederland te begeven. Bij een nieuwe afspraak op het consulaat is eiser aangehouden en overgedragen aan de Turkse autoriteiten. Eiser verblijft sindsdien in detentie in Turkije.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser krachtens artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) ingetrokken. Aanleiding daartoe is dat eiser zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de Nederlandse nationale veiligheid. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 30 maart 2020. Volgens verweerder laat de inhoud van het ambtsbericht ten aanzien van verzoeker geen twijfel bestaan over de vraag in welke periode verzoeker is afgereisd naar Syrië, of hij zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en voor of ten behoeve daarvan feitelijke handelingen heeft verricht. Bovendien blijkt volgens verweerder uit het ambtsbericht dat de handelingen en gedragingen waarmee verzoeker in verband wordt gebracht zich tevens voordeden ná 1 maart 2017. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de vereisten voor intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN. Om dezelfde redenen is eiser ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard.

3. Het ambtsbericht

Uit het ambtsbericht van 30 maart 2020 blijkt dat eiser eind november 2015 vanuit Nederland naar Turkije is gereisd. In de periode van voorjaar 2017 tot voorjaar 2019 is eiser gelokaliseerd in gebieden in Syrië die op dat moment liggen in het territorium dat onder andere wordt beheerst door Hay'at Tahrir al-Sham (HTS). In het voorjaar van 2018 heeft eiser deelgenomen aan een militair kamp van Harakat Fajr al Sham al Islamiyya. Deze jihadistische groepering is onderdeel van de jihadistische groepering Jabhat Ansar al Din (JAaD). In januari 2017 heeft JAaD samen met onder andere Jabhat Fath al Sham, Harakat Nur al Din al Zinki, Liwa al Haqq, Jaysh al Sunna en verschillende fracties van Ahrar al-Sham HTS opgericht. Begin februari 2018 is JAaD afgesplitst van HTS. JAad werkt samen met het aan Al Qa'ida gelieerde Tanzim Hurras al Din (THD). Zo heeft JAaD samen met THD, Ansar al Tawhid en Ansar al Islam in oktober 2018 een gezamenlijke ‘Wa-harrid al-Mu’minin Operations Room’ gevormd dat verschillende aanvallen en aanslagen tegen het Syrische regime heeft opgeëist. Eiser was in het late voorjaar van 2017 en in het vroege voorjaar van 2018 betrokken bij de handel in springstoffen. Eiser is een relatie aangegaan met een Syrische vrouw. Samen hebben zij een kind.

4. Verzoeken om aanhouding

De gemachtigde heeft in zijn brieven van 25 november 2020, 8, 11 en 21 januari 2021 en 12 februari 2021 verzocht om aanhouding van de behandeling. Het betreft een tweeledig verzoek. De gemachtigde wil met de aanhouding bereiken dat hij meer tijd en gelegenheid krijgt om met eiser te overleggen over de reactie op het ambtsbericht en hij wil de deelname van eiser (fysiek of anderszins) aan de zitting mogelijk maken. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen.

De gemachtigde stelt dat de rechtbank met de afwijzing van de verzoeken het recht van eiser om gehoord te worden heeft geschonden en in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 47 van het Handvest, de artikelen 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 8:59 van de Awb.

4.1.

Het betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt dat er geen aanleiding is de behandeling aan te houden om eiser in de gelegenheid te stellen de zitting bij te wonen. Eiser is thans gedetineerd in Turkije en kan als gevolg van de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring Nederland niet inreizen. Het verzoek om een voorlopige voorziening om dit toch mogelijk te maken is afgewezen bij de uitspraak van deze rechtbank van 23 november 2020 (zaaknummers SGR 20/6745 en SGR 20/7925). Zoals verweerder terecht heeft gesteld zou de inwilliging van het aanhoudingsverzoek, nu geen concreet zicht is geboden op mogelijke aanwezigheid van eiser bij de zitting via bijvoorbeeld een digitale verbinding, in feite neerkomen op een aanhouding van de behandeling voor onbepaalde tijd. De rechtbank acht dit, gelet op het belang van de rechtszekerheid van beide partijen, niet wenselijk.

4.2.

Ten aanzien van het gestelde gebrek aan voorbereidingsmogelijkheden overweegt de rechtbank als volgt. Reeds in het beroepschrift van 21 juli 2020 heeft de gemachtigde gesteld dat hij via mr. Seebregts, advocaat, contact heeft met eiser en ook contact heeft met de familie van eiser. Op dat moment was eiser nog niet gedetineerd en bestond in ieder geval geen belemmering voor contact op afstand. In de brief van 25 november 2020 heeft de gemachtigde gesteld dat hij rechtstreeks contact heeft met eiser, die zoals gezegd gedetineerd is in Turkije. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat hij in totaal driemaal contact met eiser heeft gehad. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat er gelegenheid is geweest om voor de zitting met eiser de zaak af te stemmen en een reactie op het ambtsbericht voor te bereiden. De behoefte van de gemachtigde om langer en in persoon met eiser te overleggen en door te vragen, acht de rechtbank op zichzelf begrijpelijk, maar niet doorslaggevend voor de vraag of de behandeling moet worden aangehouden. Eiser is in de gelegenheid geweest zijn belangen via zijn raadsman, de gemachtigde, naar voren te brengen en heeft van die mogelijkheid ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Ter zitting is inhoudelijk op het ambtsbericht gereageerd. Eiser had er tevens voor kunnen kiezen zelf, schriftelijk, uitvoerig, al dan niet in een eerder stadium van de procedure, te reageren. Van omstandigheden die daaraan in de weg zouden (hebben ge)staan, is de rechtbank niet gebleken.

5. Reactie op het ambtsbericht

De gemachtigde betoogt dat, anders dan in het ambtsbericht staat, eiser in het voorjaar van 2015 reeds naar Turkije is gereisd en in mei 2015 in Syrië is aangekomen. Hij heeft zich daar aangesloten bij de Free Idlib Army, dat door Nederland zowel financieel als militair werd gesteund. Naarmate de groepering Hay'at Tahrir Al Sham (HTS) een sterkere machtsbasis kreeg in het gebied waar eiser verbleef, is hij gestopt met zijn activiteiten voor de Free Idlib Army. Anders dan uit het ambtsbericht blijkt, had HTS geen volledige zeggenschap over het gebied waar eiser verbleef. In het voorjaar van 2017 tot het voorjaar van 2019 waren ter plaatse verschillende fracties en groeperingen die soms zeer lokaal de dienst uitmaakten. In deze periode versterkte HTS zijn machtsbasis en macht. De reden dat eiser zich in 2018 in het militaire kamp van Harakat Fajr Al Sham bevond, was omdat hij vreesde voor de groepering Harakat Nur Al din Zinski; van deze groepering was bekend dat ze alle buitenlanders op de korrel had en wilde executeren. Eiser stelt dat hij niet aan enige offensieve militaire of ondersteunende activiteit in het kamp heeft deelgenomen. Zijn verblijf in het kamp op voorspraak van een familielid van zijn vrouw, was enkel vanwege zijn fysieke bescherming tegen laatstgenoemde groepering. Aangezien bescherming door de politie of een staatsmacht ontbrak, lag het voor de hand dat eiser zich wendde tot de van HTS afgesplitste groepering Jabad Ansr Al din. Vanwege de toenemende macht van HTS zat eiser na zijn komst in Syrië al snel thuis, alwaar hij de zorg voor zijn minderjarige kinderen op zich nam. Eiser ontkent directe en indirecte betrokkenheid bij handel in springstoffen en/of wapens. Mogelijk is hij wel gezien met mensen die wapens kochten of in springstoffen handelden. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat eiser geen jihadistische maar humanitaire redenen had om naar Syrië af te reizen.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stellingen van eiser niet zijn onderbouwd. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiser in 2015 om humanitaire redenen naar Syrië is vertrokken omdat er in 2015 in Syrië al veel strijdende groeperingen waren. Eiser heeft ook geen humanitaire opleiding gevolgd.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van het Nederlanderschap is gebaseerd op artikel 14, vierde lid, van de RWN. Ingevolge deze bepaling kan de minister in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Artikel 14, vierde lid, van de RWN is in werking getreden op 1 maart 2017. Bij de inwerkingtreding van deze bepaling is geen overgangsrecht vastgesteld. Bij besluit van 2 maart 2017, in werking getreden op 11 maart 2017, heeft de minister van Veiligheid en Justitie de lijst met organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN, vastgesteld (Staatscourant 2017, nr. 2050307). Op deze lijst staan de volgende organisaties vermeld: 1. Al Qa'ida en organisaties die gelieerd zijn aan al Qa'ida; 2. Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) en organisaties die gelieerd zijn aan ISIS; 3. Hay'at Tahrir al-Sham.

5.3.

De rechtbank overweegt dat het ambtsbericht voldoende feitelijke informatie bevat over de gedragingen van eiser. Na kennis te hebben genomen van de vertrouwelijke stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag hebben gelegen, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de stellingen in het ambtsbericht steun vinden in de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. De stelling dat eiser in 2015 vanwege humanitaire motieven naar Syrië is vertrokken is niet onderbouwd zodat de rechtbank dit, met verweerder, niet aannemelijk acht. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiser zich slechts vanwege zijn eigen veiligheid in het militaire kamp van Harakat Fajr al Sham al Islamiyya bevond. De enkele betwisting door eiser dat hij betrokken was bij de handel in springstoffen, is eveneens onvoldoende om niet uit te gaan van het ambtsbericht. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de conclusie van verweerder dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. Hiermee heeft hij zich zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Verweerder was op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd tot intrekking van het Nederlanderschap van eiser over te gaan.

6. Taak AIVD en criterium nationale veiligheid

De gemachtigde betoogt dat verweerder zich niet op de door de AIVD verstrekte feitelijke informatie mag baseren omdat de AIVD alleen deskundig is om te oordelen over de nationale veiligheid in zijn algemeenheid en niet in een concreet geval. De nationale veiligheid is een open norm en staat op gespannen voet met een individuele beoordeling. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet geïndividualiseerd worden. Verweerder heeft zich onvoldoende van zijn vergewisplicht gekweten nu verweerder enkel is afgegaan op het ambtsbericht. Uit het ambtsbericht blijkt niet welke concrete gedragingen eiser heeft verricht. Het ambtsbericht bevat bijvoorbeeld ook geen uitingen van eiser op sociale media.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I, 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. C, onderdeel 4) van artikel 14, vierde lid, van de RWN blijkt dat een ambtsbericht van de AIVD in voorkomend geval kan dienen als grondslag voor de intrekking van het Nederlanderschap. Verweerder heeft zich voor zijn besluit gebaseerd op het ambtsbericht, en niet op de onderliggende stukken. Het ambtsbericht is – zoals ook hiervoor is overwogen – naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet, inzichtelijk, feitelijk en op de persoon van eiser toegespitst. De rechtbank overweegt voorts dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, informatievergaring in het kader van de nationale veiligheid bij uitstek een taak en deskundigheid is van de AIVD.

6.2.

De rechtbank overweegt voorts dat – zoals zij reeds eerder in soortgelijke zaken heeft overwogen – verweerder heeft mogen concluderen dat de onderhavige maatregel noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid. Hierbij is verwezen naar verschillend edities van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, het rapport “Terugkeerders in beeld” van de AIVD van februari 2017 en eerder gepleegde aanslagen door zogeheten terugkeerders, waaruit volgt dat het risico reëel is dat terugkeerders aanslagen plegen en de binnenlandse jihadistische beweging versterken. Ook bestaat het gevaar dat zij anderen rekruteren voor de gewapende strijd. Het rapport van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) van 16 juni 2020 waar gemachtigde van eiser naar heeft verwezen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel in dit verband.

7. Strafvervolging

De gemachtigde betoogt dat het Openbaar Ministerie (OM) negatief geadviseerd heeft. Het belang van strafrechtelijke vervolging dient, gelet op onder meer het ontbreken van rechtsmacht voor feiten die na de intrekking worden gepleegd, zwaarder te wegen dan het belang van intrekking van het Nederlanderschap. Dit geldt temeer nu een veroordeling voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap op andere grondslag ook mogelijk maakt. Verweerder heeft eerdere intrekkingsbesluiten die op basis van artikel 14, vierde lid, van de RWN waren genomen, ingetrokken. Het is niet duidelijk welke beleidslijn daaraan ten grondslag ligt en dit maakt dat sprake is van willekeur.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het OM blijkens de zich in het dossier bevindende brief van 20 april 2020 niet negatief heeft geadviseerd omtrent de intrekking maar slechts op de mogelijke gevolgen voor het strafrechtelijk traject heeft gewezen. In voorkomende gevallen kan tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring hierbij een uitweg bieden.

7.2.

In artikel 1, aanhef, en onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BVVN) is bepaald dat verweerder bij het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN rekening houdt met onder meer het eventuele belang van opsporing, vervolging en berechting van betrokkene en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In de toelichting op de wetsbepaling (zie Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3, bladzijde 8 onderaan) staat hierover onder meer vermeld dat tenuitvoerlegging van de opgelegde straf uiteraard wordt bemoeilijkt als betrokkene het Nederlanderschap is ontnomen en hij als ongewenst vreemdeling geen toegang tot Nederland meer heeft. Daarnaast dient te worden voorkomen dat een strafrechtelijk onderzoek op een ontijdig moment zou worden doorkruist door de intrekking van het Nederlanderschap.

7.3.

Gelet op de wetsgeschiedenis is de mogelijkheid van intrekking van het Nederlanderschap bedoeld als aanvulling op het bestaande -strafrechtelijke- instrumentarium. De inzet van het strafrecht kan immers niet voorkomen dat een uitreiziger die geoefend is in het gebruik van geweld of het gebruik van geweld heeft gefaciliteerd, terugkeert naar Nederland. Veroordeling bij verstek heeft weinig effect zolang betrokkene in het buitenland is, omdat de eventuele straf niet kan worden geëxecuteerd. Vanwege het belang van bescherming van de nationale veiligheid en het voorkomen van mogelijke aanslagen bij terugkeer is het, aldus de wetgever, bezwaarlijk te wachten met intrekken van het Nederlanderschap totdat betrokkene is teruggekeerd en strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064) nr. 3, bladzijde 3 en 4).

7.4.

De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN is mogelijk indien uit gedragingen blijkt dat betrokkene zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die op de lijst is geplaatst en die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid bestaat om de ongewenstverklaring van eiser tijdelijk op te heffen voor zover dat voor de strafrechtelijke procedure noodzakelijk is en dat dit uitgangspunt alleen relevant is als eiser op enig moment in het licht van een internationale signalering wordt aangehouden en de komst naar Nederland wegens een stafrechtelijke procedure aan de orde zou zijn, zodat de signalering ter fine van uit- of overlevering kan blijven staan en indien van toepassing ook kan worden uitgevoerd.

7.5.

Verweerder heeft in het bestreden besluit tot intrekking van het Nederlanderschap voldoende rekening gehouden met de belangen zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder b, van het BVVN. De beroepsgrond dat verweerder de belangen niet kenbaar heeft afgewogen en het bestreden besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd, slaagt niet.

8. Het beginsel van (non)discriminatie

De gemachtigde betoogt allereerst dat de intrekking van het Nederlanderschap in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, gezien het bepaalde in de Richtlijn 2000/43/EG in relatie tot artikel 21 van het Handvest. Voorts betoogt de gemachtigde onder meer dat de maatregel in strijd is met het beginsel van directe discriminatie op grond van ras of etnische afstamming omdat Nederlanders van niet westerse allochtone achtergrond niet met de maatregel worden geconfronteerd. Dat het Staatloosheidsverdrag de ontneming van het Nederlanderschap verbiedt bij monopatride Nederlanders maakt niet dat van willekeur geen sprake zou zijn. Daarnaast betoogt de gemachtigde dat sprake is van indirecte discriminatie omdat de maatregel leidt tot ongelijke behandeling van Nederlanders met een niet westerse tweede nationaliteit. Van een legitiem doel dat de maatregel kan rechtvaardigen, is geen sprake.

8.1.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.2.

Zoals de rechtbank in eerdere soortgelijke zaken, waarin (nagenoeg) gelijkluidende beroepsgronden zijn aangevoerd, heeft overwogen, is zij van oordeel dat de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN niet in strijd is met het verbod van discriminatie omdat deze bepaling in beginsel van toepassing is op een ieder die het Nederlanderschap bezit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5784). De verplichting tot het voorkomen van staatloosheid zoals opgenomen in het Verdrag tot beperking der Staatloosheid van 30 augustus 1961, Trb 1967, nr 124 (Staatloosheidsverdrag) en in artikel 7, derde lid, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN) staat er aan in de weg het Nederlanderschap in te trekken van iemand die enkel de Nederlandse nationaliteit bezit en vormt een toereikende rechtvaardiging voor het directe onderscheid dat artikel 14, achtste lid, van de RWN maakt tussen Nederlanders met meerdere nationaliteiten en Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit. De verwijzing door de gemachtigde ter zitting naar artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (New York, 7 maart 1966) leidt niet tot een ander oordeel. Voor het indirecte onderscheid naar ras, etnische afkomst en religie bestaat naar het oordeel van de rechtbank een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De doelstelling van de intrekking van het Nederlanderschap krachtens deze bepaling, te weten het beschermen van de nationale veiligheid en het tot uitdrukking brengen dat eiser zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan, is op zichzelf legitiem en eveneens in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast is van belang dat verweerder heeft getoetst aan het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel.

8.3.

De rechtbank ziet zich voor haar oordeel dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het verbod op discriminatie gesteund door het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3045). Voor wat betreft de werkingssfeer van de Richtlijn 2000/34/EG verwijst de rechtbank naar hetgeen de Afdeling daarover in die uitspraak heeft overwogen.

8.4.

De rapporten en brieven waarin andere opvattingen zijn beschreven waar de gemachtigde in het beroepschrift en ter zitting naar heeft verwezen, zoals de brief van de Commissie Meijers van 6 december 2020, doen aan het voorgaande niet af.

8.5.

Ter zitting heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, in deze zaak bij gebrek aan een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, geen bewijs is voor het feit dat als gevolg van de verweten gedragingen de nationale veiligheid in het geding is, zodat de maatregel discriminatoir is.

8.6.

De rechtbank volgt dit betoog niet. Beoordeeld dient te worden of voldaan is aan het in artikel 14, vierde lid, van de RWN gestelde vereiste dat betrokkene (ook) na 11 maart 2017 was aangesloten bij een terroristische organisatie als bedoeld in deze bepaling. Voor de toepassing van deze bepaling is, anders dan bij artikel 14, tweede lid, van de RWN het geval is, niet vereist dat sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank is van oordeel dat aansluiting bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie, gekwalificeerd dient te worden als gedrag dat de essentiële belangen van de Staat ernstig schaadt en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Zoals hiervoor uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat het door de AIVD uitgebrachte ambtsbericht voldoende feitelijke informatie bevat over de gedragingen van eiser en dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en aannemelijk is dat hij daarbij handelingen heeft verricht die maken dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt en zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan.

9. Willekeur

Ten aanzien van de verwijzing ter zitting naar het arrest Ghoumid (Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juni 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316) overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover de gemachtigde met deze verwijzing wil betogen dat bij de maatregel die aan eiser is opgelegd, sprake is van willekeur, slaagt dit betoog niet. De rechtbank is van oordeel dat artikel 14, vierde lid, van de RWN een bepaling is die bij wet is voorzien, objectief is geformuleerd -met dien verstande dat deze bepaling kan worden toegepast op iedere Nederlander met een tweede nationaliteit, ongeacht de vraag hoe lang de betrokkene in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en op welke wijze hij deze heeft verkregen-, gelet op de evenredigheidsbeoordeling niet willekeurig wordt toegepast en dat de procedure tot intrekking met de nodige waarborgen en rechtsbeschermingsmogelijkheden is omgeven.

10. Ongewenstverklaring (SGR 20/4275)

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ongewenstverklaring van degenen van wie het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN is ingetrokken, noodzakelijk is om legale terugkeer naar Nederland te voorkomen (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3 onderdeel 5). Voor de motivering van het besluit tot ongewenstverklaring van eiser heeft verweerder aangesloten bij de overwegingen uit het besluit van gelijke datum (4 mei 2020) inhoudende de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Zoals hiervoor ten aanzien van het beroep tegen de intrekking is vermeld, heeft verweerder uit de beschikbare informatie terecht afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie. Als gevolg daarvan heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de ongewenstverklaring een ander standpunt in te nemen. Aan de criteria voor toepassing van de artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, en e, van de Vw 2000 is voldaan.

10.1.

Gemachtigde stelt voorop dat hij niet dan wel onvoldoende in de gelegenheid is geweest om met eiser vertrouwelijk over diens worteling in Nederland en diens ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 van het EVRM te spreken en verzoekt daarom om een nadere termijn.

10.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is dat eiser daadwerkelijk actief gebruik heeft gemaakt van zijn burgerschapsrechten. Evenmin kan uit zijn handelingen na zijn vertrek uit Nederland worden afgeleid dat hij waarde hecht aan het Unieburgerschap. Dit gelet op zijn aansluiting bij een terroristische organisatie die niet alleen qua ideologie maar ook door feitelijke handelingen als het plegen van aanslagen, sterk gekant is tegen de Europese waarden en zijn instituties. Hierdoor komt aan het verlies van zijn EU-burgerschapsrechten een beperkt gewicht toe, aldus verweerder. De leeftijd van eiser speelt in de belangenafweging geen rol omdat hij ten tijde van zijn vertrek uit Nederland ruimschoots meerderjarig was. Van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden of factoren die een rol zouden kunnen spelen in de belangenafweging is niet gebleken.

10.3.

De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de ongewenstverklaring dient te worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM, hetgeen met name relevant zal zijn wanneer er familie- en gezinsleven in Nederland is. In het besluit tot ongewenstverklaring staat vermeld dat niet gebleken is dat eiser in Nederland nog familie- of gezinsleven uitoefent, nu hij volgens het ambtsbericht van de AIVD op 10 december 2015 is uitgeschreven uit de BRP. De rechtbank stelt vast dat verder weinig feiten en omstandigheden over eiser bekend zijn. Voor een aanhouding van de behandeling om de gemachtigde in staat te stellen met eiser nader overleg over dit onderwerp te plegen (de gemachtigde heeft daarom in het beroepschrift verzocht) ziet de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder nummer 4 is overwogen, geen aanleiding. Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat het belang van de Staat bij bescherming van de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen in dit geval dient te prevaleren boven het (mogelijke) belang van eiser bij een ongestoord familie- en gezinsleven in Nederland. Dit geldt ook voor het door dit artikel beschermde privéleven.

11. Conclusie

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd was tot intrekking van het Nederlanderschap van eiser en tot diens ongewenstverklaring over te gaan en op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Van onevenredigheid van de opgelegde maatregel ten opzichte van de individuele belangen van eiser is de rechtbank niet gebleken. Hetgeen meer of overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

12. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, voorzitter, en mr. D. Biever en

mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

griffier rechter

De uitspraak is ondertekend door de oudste rechter, bij afwezigheid van de voorzitter.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.