Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4557

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
C/09/590644 / HA ZA 20-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derdenbeslag. Verklaringsprocedure (artikel 477a Rv). Afgifte tot het bedrag waarvoor beslag is gelegd (artikel 477 lid 2 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/590644 / HA ZA 20-331

Vonnis van 28 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.A. Bravenboer te Rotterdam,

tegen

1 M.K. SHIPPING B.V., te Eemnes,

2. SISU-SHIPPING B.V., te Den Haag,

3. GRONA BEHEER B.V., te Winschoten,

4. LNG SUPPLY B.V., te Den Haag,

5. MARIS FIDUCIA B.V., te Den Haag,

gedaagden,

advocaat mr. A.H.M. van den Steenhoven te Den Haag.

Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk
MK Shipping c.s. genoemd en gedaagde onder 5 Maris Fiducia.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 maart 2020;

  • -

    de akte wijziging eis tevens overleggen van producties van 1 april 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord van 10 juni 2020;

  • -

    de akte wijziging eis tevens overleggen producties van 24 juni 2020;

  • -

    het tussenvonnis van 21 oktober 2020, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    de brief van 5 maart 2021 met bijlagen namens [eiser] ;

  • -

    de brief van 10 maart 2021 met bijlagen namens MK Shipping c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 maart 2021.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op 21 en 26 september 2018 heeft [eiser] ten laste van [A] ( [A] ) conservatoir derdenbeslag laten leggen onder MK Shipping c.s. op onder meer, voor

zover hier van belang, alle voor zodanig beslag vatbare vorderingen die [A] op
MK Shipping c.s. heeft of uit een ten tijde van dat beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen.

2.2.

[A] is bestuurder van MK Shipping c.s.

2.3.

Bij vonnis van 24 juli 2019 heeft deze rechtbank de vordering van [eiser] op [A] in de hoofdzaak toegewezen (hierna: vonnis in de hoofdzaak). [A] is veroordeeld om aan [eiser] te voldoen, kort samengevat, een bedrag van € 88.271,71 te vermeerderen met wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 81.723,62 vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag van voldoening.

2.4.

Op 6 augustus 2019 is het vonnis in de hoofdzaak aan MK Shipping c.s. betekend met aanzegging dat de termijn voor het afgeven van een derdenverklaring inmiddels is verstreken en dat geen verklaring als in artikel 475 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is ontvangen. MK Shipping c.s. is daarbij tevens gesommeerd om binnen vier weken alsnog een derdenverklaring te verstrekken.

2.5.

Op 10 maart 2020 heeft [eiser] MK Shipping c.s. in deze procedure gedagvaard en, kort gezegd, gevorderd dat MK Shipping c.s. op de voet van artikel 477a lid 1 Rv wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor de beslagen zijn gelegd als ware
MK Shipping c.s. daarvan zelf schuldenaar.

2.6.

Op 25 maart 2020, dus na betekening van de dagvaarding in deze zaak, heeft [A] voor MK Shipping c.s. en in privé een brief aan de advocaat van [eiser] gestuurd en vijf brieven met daarop de aanduiding “Verklaring in zake Derden beslag” van
MK Shipping c.s. meegezonden. De betreffende brieven zijn alle ondertekend door [A] . In zijn begeleidende brief verzoekt [A] namens MK Shipping c.s. de advocaat van [eiser] om de procedure niet aan te brengen en biedt hij aan “om het geliquideerde tarief bij wege van proceskosten” te voldoen.

2.7.

In de “Verklaring in zake Derden beslag” van 25 maart 2020 van Maris Fiducia is, voor zover relevant, te lezen:

Ondergetekende is Directeur van Maris Fiducia BV, ook hier mede verantwoordelijk voor het inbrengen van projecten en de afwikkeling daarvan. Door de gevolgen van het slechte scheepvaart klimaat bij de banken is tot op heden nog geen project tot stand gekomen die levens vatbaar is. Maris Fiducia BV is destijds van sector veranderd en wilde een bijdrage leveren in het verzorgen van de financieringen en het beheer. Zij is afhankelijk van de project resultaten die MK Shipping tot stand brengt waarvoor financieren nodig zijn.

Ondergetekende heeft 3% aandelen in privé in Maris Fiducia BV maar geen overeenkomst voor een salaris betaling of dien in die aard. Alleen een succes fee zal per project worden vast gelegd.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. MK Shipping c.s. hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van € 1.611,00 aan [eiser] ;

II. Maris Fiducia veroordeelt tot het doen van een gerechtelijke verklaring met inachtneming van wat [eiser] in de akte van 1 april 2020 heeft gesteld en met bevel krachtens artikel 843a en/of artikel 22 Rv tot overlegging van alle in die akte onder sub 11 gevorderde stukken ter staving van de gerechtelijke verklaring en vaststelling van de door Maris Fiducia aan M. [A] verschuldigde gelden
en op de voet van artikel 477a lid 2 Rv – zo nodig met toepassing van artikel 479a Rv – vaststelt wat Maris Fiducia van [A] onder zich heeft en/of (al dan niet uit een bestaande rechtsverhouding) aan hem verschuldigd is of verschuldigd zal worden en Maris Fiducia beveelt tot betaling en/of afgifte van wat zij volgens die gerechtelijke vaststelling aan [A] verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid
of op de voet van artikel 477a lid 1 Rv Maris Fiducia, die niet voldoet aan haar verplichting tot het doen van een deugdelijke gerechtelijke verklaring, veroordeelt tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware Maris Fiducia daarvan zelf schuldenaar;

III. MK Shipping c.s. veroordeelt in de kosten van de procedure, voor zover deze kosten niet reeds zijn begrepen in de sub I gevorderde veroordeling.

3.2.

[eiser] legt aan zijn eis het volgende ten grondslag. MK Shipping c.s. is, ondanks herhaalde sommatie, in gebreke gebleven om verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag ten laste van [A] zijn getroffen. Pas nadat [eiser] MK Shipping c.s. op de voet van artikel 477a lid 1 Rv had laten dagvaarden, is MK Shipping c.s. op 25 maart 2020 alsnog overgegaan tot het afleggen van derde-verklaringen. De nodeloos door [eiser] gemaakte kosten komen voor rekening van MK Shipping c.s. [eiser] betwist bovendien de verklaring van Maris Fiducia. Haar verklaring is gebrekkig en voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Maris Fiducia heeft een rekening-courantschuld (van € 61.260,-- per ultimo 2016) aan [A] en een schuld in verband met een door [A] verstrekte lening van € 84.000,--. Maris Fiducia moet haar verklaring onderbouwen en gedocumenteerd inzicht verschaffen in, onder meer, het verloop van de lening en het saldo van de rekening-courantverhouding op de datum van beslaglegging. Als Maris Fiducia dat niet doet, dan moet worden vastgesteld dat de door Maris Fiducia afgelegde verklaring gelijk kan worden gesteld aan het niet afleggen van een verklaring, zodat Maris Fiducia op de voet van artikel 477a lid 1 Rv gehouden is tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd.

3.3.

MK Shipping c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] .
MK Shipping c.s. voert het volgende aan. De kosten komen voor rekening en risico van [eiser] , omdat deze onnodig zijn gemaakt. MK Shipping c.s. heeft [eiser] aangeboden de proceskosten volgens het liquidatietarief te vergoeden. [eiser] heeft zijn eis niet op 1 april 2020 kunnen wijzigen (artikel 130 lid 3 Rv). Tijdens de mondelinge behandeling heeft Maris Fiducia aangevoerd dat zij niet betwist dat zij de door [eiser] gestelde bedragen aan [A] verschuldigd is en heeft zij verklaring gedaan van haar schulden aan [A] ten tijde van de beslaglegging door [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Eiswijziging

4.1.

In het midden kan blijven of de wijziging van eis van 1 april 2020, gelet op het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv, al dan niet kan worden toegelaten. Immers, [eiser] heeft zijn eiswijziging bij akte van 24 juni 2020 herhaald, MK Shipping c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard in de conclusie van antwoord hierop te zijn vooruit gelopen en heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze tweede eiswijziging. De rechtbank zal dan ook op de gewijzigde eis van [eiser] beslissen.

Nodeloos veroorzaakte kosten MK Shipping c.s.

4.2.

Partijen twisten over de vraag of [eiser] , na het uitbrengen van de dagvaarding, nog belang had bij het voortzetten van deze procedure, omdat MK Shipping c.s. op 25 maart 2020 beweerdelijk alsnog een verklaring heeft afgelegd van de vorderingen en zaken die door het beslag waren getroffen en daarbij aan [eiser] heeft aangeboden de tot dat moment onnodig gemaakte proceskosten te vergoeden.

4.3.

Het is niet in geschil dat MK Shipping c.s. op het moment van dagvaarding door [eiser] in verzuim was met het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv. Uit het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv volgt dat de derde-beslagene tegen wie een vordering als bedoeld in dat artikel wordt ingesteld, wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor rekening van de derde-beslagene gebracht. MK Shipping c.s. heeft na het uitbrengen van de dagvaarding, bij het afleggen van haar verklaringen, aangeboden de nodeloos veroorzaakte kosten aan [eiser] te vergoeden. MK Shipping c.s. heeft echter niet gesteld, en het is de rechtbank evenmin gebleken, dat zij daadwerkelijk uitvoering aan haar aanbod heeft gegeven. Gelet op zijn geschil met [A] , behoefde [eiser] geen genoegen te nemen met de enkele toezegging van [A] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van MK Shipping c.s., dat MK Shipping c.s. de tot dat moment nodeloos gemaakte kosten aan hem zou vergoeden. Daarbij komt dat [eiser] één van de vijf na het uitbrengen van de dagvaarding afgelegde verklaringen van MK Shipping c.s., te weten die van Maris Fiducia niet accepteerde. Gelet op de inhoud van die verklaring, behoefde [eiser] dat ook niet.

4.4.

[eiser] heeft er daarom belang bij dat MK Shipping c.s., zoals gevorderd, hoofdelijk wordt veroordeeld in de kosten die nodeloos zijn veroorzaakt door het feit dat MK Shipping c.s. pas na het uitbrengen van de dagvaarding haar beweerdelijke verklaringen heeft uitgebracht. De rechtbank acht het door [eiser] in verband hiermee gevorderde bedrag van € 1.611,--, gebaseerd op het in 2020 geldende liquidatietarief voor het laten opstellen van de dagvaarding (1 punt) en voor de akte wijziging eis (0,5 punt), toewijsbaar.

Gerechtelijke verklaring Maris Fiducia

4.5.

Tussen partijen is verder in geschil of de verklaring van Maris Fiducia zoals opgenomen in haar brief van 25 maart 2020 en herhaald in de conclusie van antwoord (2.7), voldoet aan de eisen die de artikelen 476a en 476b Rv aan een dergelijke verklaring stellen.

4.6.

Voorop staat dat de verklaring van Maris Fiducia zoals opgenomen in haar brief van 25 maart 2020 niet is opgesteld aan de hand van het formulier zoals bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv. De rechtbank is van oordeel dat deze brief van 25 maart 2020 ook niet kan worden aangemerkt als een verklaring in de zin van de artikelen 476a en 476b Rv. Immers, Maris Fiducia doet in haar brief in het geheel geen opgave van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Uit haar brief kan niet worden opgemaakt of Maris Fiducia al dan niet iets aan [A] verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden.

4.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Maris Fiducia echter verklaard dat zij op 26 september 2018, de dag van beslaglegging door [eiser] , aan [A] verschuldigd was een bedrag van naar schatting € 82.000,-- wegens niet betaalde fees en een bedrag van
€ 84.000,-- uit hoofde van een geldlening en dat deze schulden door het beslag van [eiser] zijn getroffen. [eiser] heeft deze gerechtelijke verklaring van Maris Fiducia als zodanig geaccepteerd.

4.8.

Tussen partijen staat hiermee vast dat Maris Fiducia ten tijde van het beslag een totaalbedrag van € 166.000,-- aan [A] verschuldigd was. Ter zitting is in plaats van

€ 166.000,-- gesproken over € 162.000,--, maar dat berustte, gelet op de hiervoor genoemde en tussen partijen vaststaande schulden van € 82.000,-- en € 84.000,--, op een kennelijke verspreking.

4.9.

Maris Fiducia is op grond van artikel 477 lid 1 en 2 Rv verplicht de aan [A] verschuldigde gelden tot het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, vermeerderd met de kosten van executie, aan de deurwaarder te voldoen. Van kosten die daarop in mindering mogen worden gebracht, is niet gebleken. De vordering waarvoor [eiser] een executoriale titel heeft verkregen (2.3), is op dit moment lager dan het begrote bedrag in het beslagverlof van de voorzieningenrechter te Utrecht (€ 105.000,00). Maris Fiducia zal het bedrag van de executoriale titel tot een maximum van € 105.000,00, vermeerderd met de kosten van executie, aan de deurwaarder moeten betalen. De rechtbank zal haar dan ook hiertoe veroordelen. De deurwaarder kan vervolgens de verdere executie ter hand nemen, overeenkomstig de gewone regels die daarvoor gelden (artikel 477 lid 5 Rv).

Wettelijke rente

4.10.

[eiser] vordert tevens de wettelijke rente over het door Maris Fiducia af te dragen bedrag vanaf de datum van verschuldigdheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de dag van de mondelinge behandeling, dat is de dag waarop Maris Fiducia haar verklaring heeft gedaan, dan wel vanaf vier weken na de mondelinge behandeling. Nu Maris Fiducia niet betwist gehouden te zijn tot betaling van wettelijke rente, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van de mondelinge behandeling. Het belang van deze toewijzing zal vooralsnog beperkt zijn tot die bedragen in de door [eiser] tegen [A] verkregen executoriale titel waarover geen (wettelijke handels)rente is toegewezen (het gaat hierbij om buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten, tezamen het bedrag van € 6.548,09). Voor het resterende bedrag waarvoor beslag is gelegd, geldt dat de wettelijke handelsrente blijft doorlopen, in ieder geval zolang het maximum van € 105.000,00 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de mondelinge behandeling) niet is bereikt. Voor toewijzing van wettelijke rente over lopende wettelijke handelsrente bestaat geen grond.

Proceskostenveroordeling

4.11.

Gelet op het bepaalde in artikel 477a lid 1 laatste zin Rv, zal MK Shipping c.s., zoals gevorderd, in de door [eiser] gemaakte proceskosten worden veroordeeld, voor zover deze kosten niet al zijn begrepen in de hoofdelijke veroordeling van MK Shipping c.s.

De rechtbank begroot deze (extra) proceskosten op:

- explootkosten € 100,89

- informatiekosten € 22,32

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat € 1.114,00 (1 punt × tarief € 1.114,00 )

totaal € 2.174,21

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt MK Shipping c.s., hoofdelijk - zodat als de één betaalt, de anderen zullen zijn bevrijd - tot betaling van een bedrag van € 1.611,-- aan [eiser] ;

5.2.

beveelt Maris Fiducia aan de deurwaarder te betalen:
(i) een bedrag van € 88.271,71 te vermeerderen met wettelijke handelsrente over
€ 81.723,62 vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag van voldoening en met wettelijke rente over
€ 6.548,09 vanaf 24 maart 2021 tot aan de dag van voldoening, (een en ander in totaal tot een maximum van € 105.000,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 maart 2021 tot aan de dag van voldoening), en
(ii) de door de deurwaarder aan Maris Fiducia op te geven kosten van executie;

5.3.

veroordeelt MK Shipping c.s. in de proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op een bedrag van € 2.174,21;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken door

mr. D. Nobel, rolrechter, op 28 april 2021.