Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4552

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3708
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA; beperkingen niet onderschat; geen verdergaande urenbeperking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3708

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Winia),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres per 25 juli 2018 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Aanvullende gronden en/of stukken zijn ontvangen op 12 juli 2019, 6 november 2019 en 7 april 2020.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en aanvullende stukken ingediend op

30 december 2019 en 27 mei 2020.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus hebben beide partijen de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven om de zaak op basis van de stukken schriftelijk af te handelen. Bij brief van 29 maart 2021 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat op 6 april 2021 uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op 8 januari 1962, was laatstelijk voor gemiddeld 18 uur per week werkzaam als schoonmaakster/interieurverzorgster. Zij ontving vanaf november 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en werkte daarnaast gemiddeld nog voor zes uur per week als interieurverzorgster. Daarnaast heeft ze een praktijk voor kaartlezingen, magnetiseren, photoreading en photohealing. Op 27 juli 2016 heeft zij zich ziekgemeld vanwege wegrakingen en slaapproblemen. Hierna is aan eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Op 3 mei 2018 heeft zij een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd.

2. De aanvraag is bij het primaire besluit afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% (namelijk 0%) arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan dat besluit ligt ten grondslag een rapport van de verzekeringsarts van 6 juni 2018, waarin onder meer is vermeld dat dossieronderzoek is verricht en dat eiseres op het spreekuur is gezien. Ook is kennisgenomen van informatie van de behandelend sector (cardioloog, neuroloog en radioloog). Overwogen is dat er een voorgeschiedenis is van baarmoederhalskanker, whiplash, wegrakingen/blackouts vanaf 2017 en slaapapnoe. Geconcludeerd wordt dat er medische beperkingen zijn en dat haar eigen werkzaamheden niet passend zijn, maar dat er wel mogelijkheden zijn voor passend werk. Verwacht wordt dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren. Eiseres heeft medische beperkingen ten aanzien van werkzaamheden die fysiek zwaar zijn, werkzaamheden met veel deadlines en productiepieken, lang lopen, traplopen, klimmen en langdurig gebogen werken. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiseres neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML).

De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 14 augustus 2018 functies geduid en geconcludeerd dat eiseres met die werkzaamheden niet minder verdient dan in haar eigen werk, zodat zij per datum in geding niet arbeidsongeschikt is.

3. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 april 2019. Deze verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiseres op de hoorzitting gezien en onderzocht (oriënterend psychisch en gericht lichamelijk onderzoek). Daarnaast is kennisgenomen van in bezwaar overgelegde gegevens van de behandelend sector (neuroloog, huisarts en fysiotherapeut). Geconcludeerd is dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Op de datum in geding moeten duurzame benutbare mogelijkheden worden aangenomen. Ten aanzien van de vermoeidheid, slaperigheid en het wegvallen geeft de neuroloog aan dat dit niet goed nader te omschrijven is en dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden die de klachten verklaren. In de FML zijn voldoende beperkingen opgenomen.

Aan het bestreden besluit ligt verder de rapportage van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 6 mei 2019 ten grondslag, waarin is vermeld dat één van de geduide functies wordt verworpen omdat in die functie staan is vereist in een mate die de belastbaarheid van eiseres overschrijdt. Na het duiden van een andere geschikte functie wordt geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage nihil blijft.

4. Eiseres voert daartegen in beroep aan dat de verzekeringsartsen haar medische beperkingen hebben onderschat. Zij is beperkt ten aanzien van vervoer. Zij is aangewezen op een werkplek op maximaal vijftien minuten loopafstand van haar woning, tenzij zij begeleid wordt door derden. Daarnaast moet een urenbeperking worden opgenomen. Ze kan niet meer dan vier uur per dag werken, in twee etappes van twee uur. Ze is energetisch beperkt en heeft de mogelijkheid nodig te recupereren. Zij heeft in beroep informatie overgelegd van haar behandelend neuroloog van 9 juli 2019 en 24 september 2019, waaruit blijkt dat een proefbehandeling met medicatie (levetiracetam) is gestart voor wegrakingen, waarbij is overwogen dat de EEG’s suggestief zijn maar niet bewijzend voor een epileptische genese. Daarnaast is overgelegd een behandelplan van een psycholoog van een slaapcentrum van augustus 2019 in verband met slapeloosheid. Geadviseerd is om overdag korte periodes te slapen. Ook is overgelegd een rapport van een verzekeringsarts van Triage van 30 oktober 2019 waarin is vermeld dat dossieronderzoek is verricht en eiseres thuis is bezocht. Geconcludeerd wordt dat eiseres meer beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsartsen die onderzoek in opdracht van verweerder hebben verricht. Dat geldt ten aanzien van het item vervoer. Van eiseres kan niet worden verwacht dat zij met de auto of het openbaar vervoer alleen van en naar werk reist. Vanwege haar beperkte mobiliteit zou de werkplek zich op maximaal vijftien minuten van haar woning moeten bevinden of, indien dit niet mogelijk is, is zij aangewezen op begeleiding door een derde die haar naar haar werk brengt. Verder kan eiseres vanwege de vereiste slaapperiodes overdag slechts twee uur belast worden in de ochtend en twee uur in de middag, wat leidt tot een urenbeperking van maximaal vier uur per dag, verdeeld in twee porties. Vanwege de al veel langer bestaande problematiek moet hiermee rekening worden gehouden op de datum in geding. Gelet hierop zijn de geduide functies niet meer passend.

5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapportage van 27 december 2019 op het standpunt gesteld dat de bevindingen van de verzekeringsarts van Triage geen aanleiding vormen om het standpunt van verweerder te wijzigen. Immers zijn er geen feitelijke waarnemingen van de wegrakingen, is epilepsie niet klinisch aangetoond, maakte eiseres in het najaar van 2019 nog gebruik van de auto voor boodschappen, doktersbezoek en bezoekjes aan Scheveningen en is slaapapneu gereduceerd tot matige slaapapneu. Ten aanzien van de behandeling door de psycholoog van het slaapcentrum heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemeld dat de behandeling is gestart na de datum in geding.

6. In reactie hierop heeft eiseres een brief van 14 januari 2020 van de behandelend neuroloog-somnoloog overgelegd. Deze arts licht toe dat eiseres door hem of haar wordt behandeld voor de slaapstoornis en slaapapneu (OSA) en dat eiseres in verband met epilepsie onder behandeling is bij een andere neuroloog. In 2017 is de diagnose OSA gesteld en de behandeling heeft tot op heden niet het gewenste effect gehad. De in verband met de slaapstoornis gestarte cognitieve gedragstherapie heeft eveneens niet het gewenste resultaat opgeleverd. Dit kan volgens deze arts zijn weerslag hebben op het functioneren van eiseres overdag. Daarnaast heeft eiseres een reactie van de verzekeringsarts van Triage overgelegd van 20 maart 2020. Deze verzekeringsarts geeft aan dat, hoewel er ten aanzien van de wegrakingen geen waarnemingen zijn, de klachten wel serieus moeten worden genomen. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de klachten worden behandeld door een neuroloog. Wat betreft vervoer wordt opgemerkt dat eiseres zonder haar dochter niet (met de auto) weggaat. In reactie op de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de behandeling van het slaapcentrum dateert van na de datum in geding, stelt de verzekeringsarts van Triage dat later vastgestelde oorzaken van langer bestaande beperkingen moeten worden meegenomen bij de vaststelling van de belastbaarheid op datum in geding.

7. In de rapportage van 25 mei 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemeld dat er geen reden is voor aanpassing van de beperkingen op de datum in geding. Er zijn beperkingen aangenomen voor kortdurende episodische epileptische activiteit (voor onder andere persoonlijk risico, nachtelijk werk, beroepsmatig autorijden). Er is geen sprake van klassieke epileptische insulten met bewustzijnsverlies, tongbeet en urineverlies. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat sprake is van wegrakingen van enkele seconden zonder begeleidende klinische symptomatologie. Daarvoor zijn voldoende beperkingen opgenomen. Voor wat betreft vervoer is voldoende gemotiveerd dat eiseres tot in 2019 - al dan niet zelfstandig - gebruik van de auto heeft gemaakt. Het geadviseerde slaapritme is niet van toepassing op de datum in geding.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat voornoemde rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

9. Het geschil spitst zich toe op de vraag of een urenbeperking had moeten worden aangenomen en beperkingen ten aanzien van vervoer. Voor wat de urenbeperking betreft heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat daarvoor op de datum in geding geen aanleiding is, nu de overgelegde stukken over behandeling van de slapeloosheid van ruim daarna zijn. Niet aannemelijk is dat in verband hiermee (verdergaande) beperkingen op de datum in geding moeten worden aangenomen. Datzelfde geldt ten aanzien van het item vervoer. Afdoende is gemotiveerd waarom daarvoor op de datum in geding geen (verdergaande) beperking had moeten worden aangenomen. De noodzaak daartoe blijkt ook niet uit de door eiseres overgelegde informatie van de behandelend neurologen. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek ook overigens zorgvuldig is geweest. Beide verzekeringsartsen hebben eiseres onderzocht en kennis genomen van en gereageerd op alle medische stukken die eiseres tijdens de procedure heeft overgelegd. Uit de rapportages blijkt dat alle medisch objectiveerbare beperkingen zijn meegenomen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust. Tegen de arbeidskundige grondslag zijn geen gronden gericht.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.